Actief de eenheid zoeken (FD)

Reactie op de stelling: De tijd van het verketteren van elkaars kerken is definitief voorbij.

Friesch Dagblad, 28 april 2015

De jonge Calvijn kon er wat van. In zijn eerste Institutie – geschreven toen hij 27 jaar was, een leeftijd waarop mannen graag de oorlog in gaan of anderszins hun Sturm und Drang doen gelden, en op het moment dat Luthers 95 stellingen nog nat waren – in die Institutie windt hij zich op over de schandalen van de katholieke kerk en schrijft dan bijvoorbeeld over het sacrament van de zalving: “O, heiligschennende mond, durft u die vettigheid, die slechts door de stank van uw eigen adem is bezoedeld en door het gemurmel van uw woorden is betoverd, te vergelijken met het water dat door het Woord van God is geheiligd?”

Zo spreken wij niet meer. Papen, rotten, ketters en duivelskinderen – het zijn verouderde scheldwoorden. Wij hebben andere. Zelfs ons schelden is geseculariseerd. Wij schelden niet minder, maar wij doen het anders. Geniepiger ook. Soms is het schelden van de reformatoren dan een verademing. Er wordt tenminste niet onder de gordel gestoten, maar gewoon in het gezicht geslagen. Dat is wel zo eerlijk.

Toch zijn we blij dat wij niet meer zo tekeer gaan. De stelling van deze keer doet wat dat betreft wat naïef aan. Natuurlijk is de tijd van het verketteren voorbij. We hebben wel wat anders aan ons hoofd. Het christendom zit in het nauw, en heeft alle energie nodig om het hoofd boven water te houden. Verketteren is een luxe die we ons niet kunnen veroorloven.

Toch zijn daarmee de problemen uiteraard niet opgelost. Het loslaten van het verketteren heeft niet automatisch tot gevolg dat je nader tot elkaar komt. Het lijkt er soms op dat wij het verketteren hebben ingeruild voor een vorm van onverschilligheid. Dat zit ook diep in onze cultuur: onverschillige tolerantie. De ander de ruimte geven, maar je in wezen ook niks van hem aantrekken. Zo kun je ook geloven in de ‘oecumene van het hart’. Wij zijn allemaal broeders en zusters in de Heer, halleluja, en nadat we dat gezegd hebben gaan we weer vrolijk ons weegs.

De oecumenische uitdaging is groter. Actief de eenheid zoeken. Dat vergt echter denkwerk. Het vraagt om echte theologie, die in de eerste plaats onderscheidt tussen wat essentieel is voor de kerk en wat niet. Het essentiële is dat wat bemiddelt tussen God en ons. Maar als het daar over gaat, stuiten we direct op de diepste verschillen. De protestant zegt: wat bemiddelt tussen God en ons is het Woord. Daarom staan de prediking en het persoonlijk Bijbellezen centraal. De rooms-katholiek zegt: wat bemiddelt, is de eucharistie. En alleen de priester kan dat offer brengen; daarom is ook het ambt cruciaal. En als ik mijn pinkstervrienden hoor, dan zeggen zij: wat bemiddelt, is de lofprijzing en het gebed, en de gaven van de Geest. Het Woord, de eucharistie en het ambt zijn in wezen secundair.

Dan kun je wel zeggen: we verketteren elkaar niet. Maar dat is pas het begin. Na dat begin moet het echte gesprek beginnen. Het langzame en taaie denkwerk, dat volharding vraagt. Daar zijn we niet zo goed in in onze hap-slik-weg-cultuur. En dat is zonde.

Willem Maarten Dekker