Claim godsdienstvrijheid

Reactie op de stelling: ‘Als predikant kun je tegenwoordig niet meer vrijuit preken op de kansel’

Friesch Dagblad 14 maart 2015

 

In mijn vorige gemeente was er eens in de zoveel tijd een bijeenkomst van burgemeester en wethouders met de voorgangers van de verschillende kerken. In gesprek over een bepaalde kwestie, legde de burgemeester uit dat hij hier gezien de scheiding van kerk en staat niet kon en niet wilde ingrijpen. Waarop een collega uit een zusterkerk (in dit geval kan ik beter zeggen: broederkerk) zei: “Maar wij accepteren de scheiding van kerk en staat ook niet.” Toen brak mijn klomp.

De broeder beschouwde de scheiding van kerk en staat blijkbaar als een kwaad, een uitvinding van de Verlichting, iets dat intrinsiek in strijd is met het christelijk geloof. Het ideaal is in dat geval de korte periode in de zeventiende eeuw, waarin er in ons land de staat en de gereformeerde religie nauw met elkaar verbonden waren. Weliswaar was er ook toen geen staatskerk, maar de niet-gereformeerde religies waren wel tweederangs. Misschien komt het door het islamisme dat allerlei mensen nog steeds het idee hebben, dat geloof en samenleving zo bijeen horen. Voor de religieuzen is dit dan het ideaal, voor de seculieren een schrikbeeld.

In de Barmer Thesen, de belijdenis die in de jaren 1930, ten tijde van de opkomst van Hitler, door de Duitse kerk werd opgesteld, wordt heel anders over kerk en staat gesproken: “Wij verwerpen de valse leer, als zou de staat, boven zijn bijzondere opdracht uit, de enige en totale ordening van het menselijk leven moeten en kunnen worden en zo ook de plaats en taak van de kerk overnemen.” Maar ook: “Wij verwerpen de valse leer, als zou de kerk zich, boven haar bijzondere opdracht uit, karakter, taak en waardigheid van de staat moeten en kunnen toekennen en zodoende zelf tot een orgaan van de staat worden.” Hier wordt dus de scheiding van kerk en staat op theologische gronden verdedigd. Juist nu moeten christenen, tegen islamisten en secularisten in, pal staan vóór de scheiding van kerk en staat. De kerk heeft zich niet met de staat te bemoeien. Allerlei nieuwe overheidsregels kun je, tegen de achtergrond van ons christelijk verleden, betreuren, maar je hebt je er als kerk niet mee te bemoeien. Politiek is politiek, en daar hebben we vooralsnog als burgers allemaal onze inspraak in. Maar omgekeerd dient de staat zich niet te bemoeien met de verkondiging die in moskee, synagoge of kerk plaatsvindt. Het is zeer de vraag of we de staat het recht moeten toekennen om radicale islampredikers te weren. Het woord is vrij. Wanneer er strafbare daden gepleegd worden buiten de moskee, is het vroeg genoeg om mensen te arresteren. Wat er in de moskee gezegd wordt, daar hebben wij af te blijven. Hetzelfde geldt voor de kerk. We kunnen en moeten van de staat niet vragen het christendom te beschermen (zoals de Nederlandse geloofsbelijdenis nog wil), maar we moeten wel het recht op godsdienstvrijheid claimen, en daar pal voor staan. Dat heeft trouwens nog het meest te maken met een eigen innerlijke overtuiging. Aan het einde van het boek Handelingen zit Paulus met een enkelband om in Rome, maar hij predikt het Evangelie “met alle vrijmoedigheid”. Wij kunnen desnoods onze toevlucht nemen tot de onvolprezen hagepreek. Maar heeft het Nederlandse christendom zelf nog de ballen van toen?