De verdwijners (DNK)

De Schepper heeft het zo ingericht, dat ik moet houden van alles wat verdwijnt: spieringvissers, kosters en cassettebandjes, brugwachters, Witrikken en kettingrokers, aamborstigheid, omgorden en vlieden, kardoen, schorseneren en rammenas, boeren, de Waterspitsmuis en de kerk. Je kunt het zo gek niet bedenken, maar als het de verdwijning nabij is, dan begint mijn liefde pas echt te stromen. Ik had dus op geen betere dag geboren kunnen worden dan 7 december 1976, want ~juist op die dag berichtte het dagblad Trouw over het uitsterven van de “tropische zeekoeien”. Die dag is het dus allemaal begonnen, het grote verdwijnen. Zeekoeien, en tropische nog wel. Zouden ze nog ergens grazen?

Ik stroom over van liefde voor alles wat verdwijnt. Daarom wil ik zelf ook graag bij de verdwijners horen. Als ik een dier was, dan zou ik het liefst de Kleine hoefijzerneus (Rhinolophus hipposideros) zijn, die inmiddels niet meer in het wild voorkomt. Als ik een god was, dan was ik Amon-Ra, die sterk aan populariteit heeft ingeboet. En nu ik een mens ben, ben ik het liefst christen. Alles wat uitsterft, is mooi.

Ik las deze vakantie een boek dat alleen al door de titel goed bij dit alles past: ‘De laatste der Mohikanen’. Een jongensboek, ook al zo actueel, want – zelfs de overheid heeft het nu ontdekt – ook de jongens verdwijnen. Mogen jongens nog jongens zijn, lieve mensen, en mannen nog mannen?

In ‘De laatste der Mohikanen’ komt een figuur voor, die nog uitstervender is dan de Mohikaan. Het is een mensensoort die vertolkt wordt door de figuur van David Gamut. Hij is ‘kerkelijk zangleraar’. U hoeft niet te weten wat dat precies is, het is toch uitgestorven. Deze David kan geen pijl en boog hanteren en ook geen pistool en is dus voor de goede en kwade strijd beide geheel nutteloos. Het enige dat hij kan is psalmen aanheffen, en dat pleegt hij ook te doen op zowel gelukkige als ongelukkige momenten. David (nomen est omen) overleeft de gehele tocht waarin de mannen van de jongens gescheiden worden en velen het tijdelijke verruilen voor de eeuwige jachtvelden. Waarom overleeft hij? Simpel: omdat hij door de indianen als krankzinnig wordt beschouwd. Ook indianen hebben principes. Krankzinnigen doodt je niet, zoals je vrouwen niet slaat. De roodhuiden hebben eerbied voor ieder “wiens verstandelijke vermogens door de Grote Geest zijn aangetast”, zo vertelt James Fenimore Cooper ons.

David Gamut is de verborgen held van de vertelling. Op het moment suprème doet hij aan plaatsvervanging. Meer verklap ik niet. Hij is de redder omdat hij zich tokkie-tokkie heeft laten slaan door de Grote Geest. Sindsdien kan hij alleen nog maar zingen, zoals de laatste walvissen zingen tussen de plastic soep.

Als er een kerk zal zijn in de toekomst, dan zal zij zijn als David Gamut: voortdurend verdwijnend, tokkie-tokkie, de lofzang aanheffend met verdwijnende woorden als ‘aamborstigheid’, ‘omgorden’ en ‘vlieden’ en de wereld verlossend door plaatsvervanging. Leve de Grote Geest! Leve de eeuwige jachtvelden!

(DNK, juli 2017)