Halleluja (DNK)

Halleluja

Een predikant vertelde mij eens het volgende. Na zijn studie had hij nog een jaar of wat in Zwitserland gewoond en gewerkt als theoloog. Hij ging toen ook wel voor in een liberale, ‘vrijzinnige’ gemeente en werd zelf ook als behorend tot deze groep beschouwd. De eerste zondag dat hij voorging had hij het over Jezus die over het water liep. Hij had veel begrip getoond voor het moderne onvermogen dit verhaal letterlijk te nemen. Hij had ook historisch-kritisch de tekst nauwgezet op de snijtafel gelegd. Maar uiteindelijk had hij het toch voor de man op het water opgenomen. Het leek de opgestane immers wel. En toen was hij de preek geëindigd met: ‘Halleluja! Amen.’

Na de dienst hadden ze koffie gedronken en een hapje gegeten. Volgens mijn leermeester Eberhard Jüngel, een Duitse hoogleraar en prediker, moet de voorganger na de kerkdienst ‘de hoorders én de tekst met goed geweten in de ogen kunnen zien, hongerig zijn én zich verheugen op de volgende preek’. Welnu, het eerste was met deze man aan de hand, en daarom het tweede en derde ook.

Nadat de honger gestild was, gingen ze een stukje lopen in de schone Zwitserse bergen, die volgens de liberale leer dan wel niet direct een godsbewijs waren, maar waar de mens zich toch mooi in verpozen kon. Ze liepen een stukje, zwegen, liepen nog een stukje, en toen zij de gastheer ineens tegen de voorganger: ‘Dat was een mooie preek vanmorgen. Maar één ding: een vrijzinnige zegt nooit ‘halleluja’!’

Ik weet niet of deze regel nog steeds geldig is. We hebben natuurlijk wel allemaal identity-markers binnen de kerken. De een schrijft HEERE, de ander HERE, de derde HEER en de vierde heeft het over de Eeuwige. Je kent het wel. Je taal verraadt je. Ik heb het bijvoorbeeld graag over ‘Jezus’, maar nooit over ‘de He(e )r(e) Jezus’. Toen ik twee jaar gemeentepredikant was, zei iemand tegen me: ‘U heeft in de preek nog nooit het woord ‘zonde’ gebruikt.’ Allemaal identity-markers. Zo is het met ‘halleluja’ misschien ook nog wel een beetje. Evangelischen hebben er de mond vol van, en sommige reformatorischen krijgen het van de weeromstuit slechts met grote moeite over de lippen. En blijkbaar zeggen (Zwitserse) vrijzinnigen het nooit.

En dat terwijl het zo’n mooi woord is om de boel bij elkaar te houden. Als iets ons zou moeten verbinden in de kerk, dan is het wel het woordje ‘halleluja!’. Leg God, de Bijbel, de ander en jezelf op elke snijtafel die je maar wilt – maar laat het uitlopen op een halleluja. Laten de reformatorischen het op hele noten zingen, laten de pinkstervrienden erbij op de grond vallen, laten de vrijzinnigen het zeggen met een aardappel in de keel, laten de kinderen het brullen en laten de grijsaards het mompelen, maar laten wij allen altijd eindigen met ‘halleluja!’. Wederom zeg ik u: laten wij allen altijd eindigen met ‘halleluja!’

(DNK, februari 2017)