Spiritualiteit is ongeloof (FD)

Het is inmiddels bijna een cliché geworden om te stellen de religie weer in is. Mochten er ooit mensen geweest zijn die menen dat religie en moderniteit communicerende vaten zijn  – hoe meer moderniteit, hoe minder religie en omgekeerd – , die tijd is nu echt wel voorbij. De moderniteit en postmoderniteit veranderen de aard van de religie, maar ze doven de religie niet uit. Dat is al uit tal van onderzoeken gebleken, en belangrijker: dat kan iedereen elke dag om zich heen constateren. Ook het nieuwe onderzoek dat in opdracht van Trouw in deze ‘maand van de spiritualiteit’ werd uitgevoerd, kan alleen maar bevestigen wat we al wisten. De teneur is dat het christelijk geloof op zijn retour is, en dat veel Nederlanders zich op een spirituele speurtocht bevinden. Er is iets hogers, maar dat wordt niet beleefd of gezocht binnen de traditionele godsdiensten. Niet alleen het christendom heeft het dus moeilijk, elke wereldgodsdienst heeft het in het moderne westen moeilijk.

De klassieke godsdiensten kennen twee in dit verband relevante eigenschappen: ze richten zich op het ‘transcendent transcendente’ en aanhangers van zo’n godsdienst vormen een gemeenschap, met gemeenschappelijke rituelen, feesten, gebruiken, heilige teksten, religieuze professionals, een gedeelde ethiek etcetera. Kenmerkend voor de nieuwe religiositeit is dat deze kenmerken afwezig zijn. Men richt zich hier alleen op ‘immanente transcendentie’. Het goddelijke is bij voorbaat met handen en voeten gebonden aan het tijdelijke en menselijke. Het heilige kan hooguit iets zijn dat tussen mensen gebeurt. Zelfstandig bestaan, spreken en handelen kan het niet. Ten tweede is deze religiositeit zo individualistisch geworden, dat aanhangers ervan geen gemeenschap meer vormen en ook niet kunnen vormen. Het is een strikt individuele bricolage; het is godsdienstig knutselen voor wie er zin in heeft, ieder op zijn eigen zolderkamer.

Omdat de klassieke kenmerken van een religie hier afwezig zijn, kunnen we beter niet ‘religie’ spreken, maar van ‘spiritualiteit’. In deze spiritualiteit is de religie zo individueel en momentaan geworden, dat al het bovenpersoonlijke eruit verdwenen is. Eigenlijk gaat het in deze spiritualiteit niet meer om de gerichtheid op een andere, hogere werkelijkheid, maar om het innerlijk. De spirituele mens is vooral op zoek naar zichzelf. Daarom heeft hij het woord ‘God’ ook niet meer nodig om aan zijn spirituele behoefte tegemoet te komen. Het woord ‘God’ wordt, juist door ‘spirituele’ mensen, veelal beschouwd als een te overwinnen overblijfsel van het christendom. Autonomie, authenticiteit en zelfontplooiing geven de toon aan. God moet dienen tot de vervolmaking van de mens. Hij is het nieuwste speeltje van de postmoderne mens.

In dit verband is het momenteel tamelijk onzinnig om van een duidelijke kerkelijke ‘profilering’ op de ‘spirituele markt’ veel heil te verwachten. Het is logisch dat de herleving van spiritualiteit op dit moment niet tot groei van het christendom leidt. Déze spiritualiteit sluit geloof uit. Het enige dat de kerk kan doen is deze spiritualiteit ontmaskeren als schijnverlossing. Wij hebben echte transcendentie en een echte gemeenschap nodig om echt verlost te worden, omdat wij vooral van onszelf verlost moeten worden. De nieuwe spiritualiteit bevestigt dat zelf slechts. Christus is gekomen om het te bevrijden.