Spirituele vorming in theologie-opleiding? (FD)

Reactie op de stelling: Er moet in de theologie-opleidingen in Nederland meer aandacht komen voor de spirituele vorming van toekomstige predikanten (serie Perspectieven, Friesch Dagblad)

Over de stelling van deze keer werd ‘al’ gediscussieerd in de tijd dat ik zelf in Utrecht theologie studeerde. Ik herinner me discussies over de (kerkelijke) opleiding, die teveel tegen de niet op het predikantschap gerichte staatsopleiding aan zou leunen en debatten op de theologische studentenvereniging over ‘het geloofsleven van de theoloog’. Vanuit IFES en ook vanuit de eigen kerkelijke achtergrond werden zulke vragen aan de orde gesteld.

Ik moet bekennen dat ik er nooit veel mee opgehad heb. Dat komt omdat ik de duplex ordo structuur – waarin je om predikant te worden vier jaar aan een openbare universiteit studeerde en twee jaar aan een kerkelijke opleiding – een uitstekende structuur vond. Verstand en wetenschap enerzijds en kerk-predikantschap-geloof anderzijds werden daarin duidelijk onderscheiden, terwijl ze in de persoon toch heel goed verenigd konden worden. Deze structuur zorgde ervoor dat in de theologie, net als in elke wetenschap, alleen de argumenten tellen. Vroomheid maakt je geen betere theoloog. Op het tentamen wordt uitsluitend gevraagd of je de stof rationeel beheerst. Dat is een zegen. Geloof en spiritualiteit gaan anders vertroebelend werken. Voor we het weten zitten we in een situatie, waarin we zeggen: hij kan weliswaar geen Hebreeuws en Grieks lezen, hij is gezakt voor al zijn tentamens, maar hij is vroom, en een echt mensen-mens (en meer van dat soort moois): hij wordt vast een fijne dominee. God verhoede dat het zover komt.

Natuurlijk is het goed als een predikant ook spiritueel een sterk mens is. Het is niet alleen goed, het is ook nodig. In die zin is een predikant meer dan alleen theoloog. Klopt allemaal, maar traditioneel heeft deze spirituele vorming op drie locaties plaats: in het gezin, in de ‘binnenkamer’, en op de (theologische) studentenvereniging.

We zitten nu met een situatie waarin deze plaatsen van vorming sterk geërodeerd zijn. Het gezin functioneert in veel gevallen niet meer als oefenplaats van vroomheid; veel mensen, zelfs predikanten, hebben geen ‘binnenkamer’ meer; en de theologische studentenverenigingen leiden een zieltogend bestaan.

In zo’n situatie kun je proberen de spirituele vorming naar de opleiding te halen. Ik zie iets vergelijkbaars op ander vlak ook gebeuren. Twee voorbeelden. Eén: in het gewone onderwijs komen steeds meer vakken, die dingen behandelen, die vroeger in het gezin geleerd werden: sociale vaardigheden, omgang met seksualiteit, en dergelijke. Docenten klagen erover, omdat ze voor rekenen en taal te weinig tijd hebben. Twee: in veel kerkelijke gemeenten wordt in de ‘stille week’ elke avond een korte viering gehouden. Dat is geen aanvulling, maar verplaatsing. Vroeger werd ik elk gezin stille tijd gehouden, uit de Bijbel gelezen, over het geloof gepraat en gebeden. Tegenwoordig moet de kerk alles organiseren, omdat thuis zo bitter weinig meer gebeurt.

Zoiets gebeurt ook als we de spirituele vorming in de opleiding willen halen. Ik heb daar dus twee bezwaren tegen: in de eerste plaats zal het reguliere, strenge onderwijs in de theologische wetenschap eronder leiden; in de tweede plaats zal het niet voldoende zijn, omdat de wens voortkomt uit een innerlijke secularisatie. Veel en veel beter is het om de oude plaatsen van spirituele vorming – gezin, binnenkamer en studentenvereniging – nieuw leven in te blazen, zodat theologie gewoon theologie kan blijven. Dat is voor iedereen beter.