Zichtbaarheid van de kerken (FD)

Reactie op de stelling: ‘De kerkgenootschappen van ons land zijn veel te weinig zichtbaar in de publieke ruimte met hun boodschap’.
Het miniscuul kleine kerkgenootschap der Remonstranten heeft zich als een kleine David op het grote veld van de religieuze markt begeven. De vraag of dit met de moed des geloofs of de moed der wanhoop gebeurt, kan ik niet beantwoorden – maar duidelijk is in ieder geval dat zij als kerk luid en duidelijk in de publieke ruimte naar voren treedt. Op NS-stations hangen zes verschillende posters met teksten als: ‘Mijn God laat me zelf denken’ en ‘Mijn God trouwt ook homo’s’. Het verhaal gaat dat de NS de posters eerst weigerde, vermoedelijk uit angst dat deze taal op fundamentalistische gelovigen wat provocerend zou kunnen overkomen. Eén tweet van de Remonstranten was echter genoeg om de NS van gedachten te doen veranderen. Het blijkt maar weer waar de eigenlijke macht in onze tijd ligt.
Nu is de stelling deze week, dat kerkgenootschappen aan deze handelwijze van de Remonstranten een voorbeeld zouden moeten nemen. Kerken zijn veel te weinig zichtbaar in de publieke ruimte. Ik vermoed dat iemand die deze stelling zomaar omarmt, niet goed op de hoogte is van de recente geschiedenis van ons land. Wij komen uit een situatie, waarin de kerk heel duidelijk zichtbaar wás in de publieke ruimte. Tot in de negentiende eeuw was dit feitelijk slechts één kerk, en wel de Hervormde. Later werden dat er meer. En toen trad de secularisatie in. Mensen hadden genoeg van de kerk – en velen hebben dat nog. Het eindpunt van al deze ontwikkelingen is het nieuwste boek van Kuitert, waarin deze de aan de vier fameuze eigenschappen van de kerk (één, heilig, katholiek en apostolisch) een dodelijke vijfde toevoegt: haar overbodigheid. Dat is ook wat ieder op straat kan horen: ‘ik geloof wel, maar de kerk hoeft van mij niet’. We begrijpen deze uitspraak alleen, als we haar niet als individuele uiting met een privé-achtergrond beschouwen, maar als een culturele uiting, geboren uit een eeuwenlange christelijke cultuur. Het publieke christendom is voor Europa uitgelopen op een grandioze teleurstelling. Daar zijn ook redenen voor. De kerk heeft zichzelf vaak geheel of ten dele geïdentificeerd met het Koninkrijk. Maar de Nederlander is niet gek, en heeft maar al te goed ontdekt dat er tussen kerk en Koninkrijk heel wat speelruimte zit.

Daarom kan kerk-zijn in onze tijd uitsluitend een zeer zelfkritische onderneming zijn. En daar past op dit moment geen grote reclame-campagne bij, of een andere zelfbewuste profilering in de publieke ruimte. Stel je voor dat de Rooms-katholieke kerk, die na alle opgebouwde schuld uit het verleden nu ook nog een grandioos misbruikschandaal met zich meedraagt, zich ineens stoutmoedig zou gaan profileren in de publieke ruimte? Het zou eerder potsierlijk dan verheffend zijn. Stel je voor dat de Protestantse kerken, die elke week kerkgebouwen sluiten en een ontzaglijke schuldenlast van kerkscheuringen met zich meedragen, nu ineens zich zouden hullen in een reclamecampagne – hetgeen ze trouwens een paar jaar geleden met Kerst nog geprobeerd hebben, uiteraard zonder succes: het zou me meer aan de sprongen van een kat in het nauw doen denken, dan aan de kleine, fijne David.

Ik maak slechts één uitzondering: op elk Nederlands kerkgebouw komt een heel groot en fel neonkruis te staan, mét Jezus eraan.