De poëzie van Geerten Gossaert

I.

Gerrit Komrij gaf in zijn bekende bloemlezing vijf gedichten van Geerten Gossaert een plaats.[1] Dat is de helft van Achterberg, maar diens oeuvre was vele malen groter en zijn naam veel bekender. Relatief veel ruimte krijgt Gossaert dus. Wie was hij en wat is de thematiek van zijn gedichten?

Geerten Gossaert (pseudoniem van F.C. Gerretson, 1884-1958) publiceerde één dichtbundel: Experimenten. Deze verscheen in 1911. De eerste editie bevatte 20 gedichten, de tweede editie (1916) 39, de derde tot en met zevende (1919-1941) 40, de achtste (1943) 59, de negende tot en met elfde (1944-1949) ondergingen kleine wijzigingen en de definitieve twaalfde (1954) bevatte 60 gedichten. De ene dichtbundel omvat zodoende gedichten uit een halve eeuw (ongeveer 1900-1950).

De titel verwijst naar Gossaerts poëticale opvattingen. Hij wil niet experimenteren zoals anderen – los van en tegenover de traditie – maar zo, dat de oorspronkelijke bezieling van het klassieke vers herwonnen wordt. Hij noemt zich een ‘kleinzoon van het Réveil’ en wil aansluiten bij diens vader, Willem Bilderdijk en zijn geestelijke zoon, Da Costa – beiden ook dichters. Een zuiver gebruik van het klassieke lijkt hem beter dan valse originaliteit.

De thematiek van Gossaerts gedichten is het verlangen naar harmonie. Gossaert zoekt ‘vrede’ tegen de ‘onrust’ van het ‘hart’ in – allemaal kernwoorden in zijn werk. Door middel van antithesen wordt de disharmonie uitgewerkt, van waaruit het verlangen opvlamt. Dit verlangen kan zich wel eens richten op het aardse, maar vindt daarin uiteindelijk geen bevrediging. Bevrediging is er in dit leven in het geheel niet, of hooguit momentaan. Echt bevrediging van het met het menszijn gegeven verlangen en de weemoed, is er pas door de dood heen, in God. Het leven hier op aarde is ‘ballingschap’, ‘ellende’ (een woord dat oorspronkelijk ook ‘ballingschap’ (uitlandigheid) betekent, en de terugkeer naar huis vormt dan ook een centraal motief in Gossaerts werk. Enkele centrale gedichten behandelen de thematiek van de verloren zoon.

Omdat het verlangen in dit leven niet bevredigd kan worden, kan Gossaert zich soms ook uiten in ontkenning of walging over dit leven (zoals in ‘Euphorion’). Volgens De Gier betreft dit een element uit zijn vroege gedichten, dat in de latere niet meer zo past, maar dat is de vraag. Hetzelfde geldt voor de ‘frivole verzen’ die er ook zijn, en die men eveneens vaak in strijd acht met de hoofdteneur van de bundel. Ook dit hoeft niet het geval te zijn, wanneer men het momentane ervan maar duidelijk ziet. Gossaert combineert hier zaken die ook bij Prediker gecombineerd worden: een diepe weemoed én juist daarom het vermogen om van het zeldzame goede moment haast platvloers te kunnen genieten.

Weinig gedichten zijn direct christelijk. Dat geldt echter wel van het gedicht dat we hierna bespreken.

II.

1.Libera Nos, Domine![2]

 

2.De wind woei om het eenzaam huis

3.In ’t laatste avonduur;

4.Toen lichtte een vreemde de klink der deur

5.En zat bij ’t open vuur.

 

6.Ik dierf niet vragen wie hij was

7.En hij gaf teken noch taal;

8.En ik noodde hem niet, maar hij zat aan

9.Naast mij aan ‘t avondmaal.

 

10.Mijn lippen trilden en in mijn hart

11.Laaide hittige haat;

12.Maar hij glimlachte en hief tot mij

13.Zijn bitterschoon gelaat.

 

14.En ‘k sprak en zei: Ik kèn u niet!

15.Wat, aan mijn haard, zoekt gij?

16.Doch hij antwoordde niet, maar hief zijn hand.

17.En brak het brood met mij.

 

18.En ik herkende…; ‘s morgens vroeg

19.Is hij weer heengegaan…

20.Maar ‘t laatste van dit bitter lied

21.Zal God alléén verstaan.

Dit gedicht vertoont opvallende overeenkomsten met het verhaal van de Emmaüsgangers uit Lucas 24. Het lijkt een bewerking van deze verschijning van Jezus na Zijn opstanding. Zowel in het bijbels verhaal als in dit gedicht is er sprake van een ”vreemde” (r. 4) die aanvankelijk niet herkend wordt. Bij beide ook vindt de herkenning plaats na het zegenen en breken van het brood (r. 18).

Toch zijn er ook duidelijke verschillen: er is sprake van een ‘eenzaam huis’ (r. 2) waar slechts één persoon (de ik-figuur) woont wiens naam niet wordt genoemd; de vreemdeling komt onverwacht binnen, terwijl de hoofdpersoon al binnen is (r. 4); de vreemde wordt niet genodigd, maar gaat toch aan tafel zitten (r. 8); de hoofdpersoon haat de vreemdeling (r. 11) en wil niets met hem te maken hebben (r. 14); de vreemde is niet meteen weg na de herkenning, maar blijft tot de volgende morgen (r. 18-19). En dit alles wordt uiteindelijk een ‘bitter lied’ (r. 20) genoemd.

Daarom is het begrijpelijk dat Gossaert zelf gesteld heeft dat de vreemde in dit gedicht helemaal niet Christus is – maar Satan. In een brief van 8 februari 1949 aan dr. W.A.P. Smit (niet uitgegeven, te vinden in het Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te Den Haag) , die de ‘vreemde’ in het gedicht geïnterpreteerd had als Jezus, schrijft Gossaert dat de ‘mise en scène’ lijkt op het verhaal van de Emmaüsgangers, dat de lezer verwacht dat Jezus binnenkomt, maar dat het aangrijpende is dat het Satan is. Hij wijst erop dat ‘Libera nos’ in de titel het eerste deel is van een regel in het Onze Vader: ‘Libera nos a malo’, een regel die immers onmiskenbaar naar Satan verwijst. De titel geeft ons dus de sleutel, die de bovengenoemde verschillen verklaart. De Satan komt binnen en dringt zich op aan de mens die zich verzet. De ‘ik’ heeft wel een vermoeden wie de onbekende is en zegt daarom: ‘Ik kèn u niet!’ – niet in de zin van: ‘Ik weet niet wie u bent’, maar in de zin van: ‘Ik wil u niet! Ik wil geen relatie met u hebben!’ En toch volgt dan de afgedwongen herkenning. De mens moet zijn verzet prijsgeven en erkennen dat hij toch ergens het kwade zelf ook wil. Dan kan de boze nog blijven de gehele nacht – waarover uit diepe schaamte gezwegen wordt. Wat er toen gebeurd is, mag alleen God verstaan.

Het gedicht van Gossaert is in deze, door Gossaert zelf ondersteunde interpretatie, geen vrije bewerking van het Emmaüsverhaal, maar de tegenhanger ervan. Het vertelt van de komst van Satan in een mensenleven. Het is een bitter lied, dat vertelt dat de mens zich wel soms wil verzetten tegen het kwaad, maar moet erkennen dat hij de Boze ook wil. Diens gelaat is bitter, maar ook schoon.

III.

Toch is het de vraag of met deze interpretatie het laatste woord gezegd is. Vervalt daarmee de interpretatie van Smit? Dat hangt niet af van wat Gossaert erover zegt (buiten het gedicht om), maar van de tekst van het gedicht zelf! Laat de tekst de interpretatie van Smit toe? Kunnen de verschillen met Lucas 24 werkelijk niet gelezen worden als een herschrijving van de ontmoeting met Christus? In dat geval gaat het gedicht over een dubbele verhouding van de ik-figuur tot Christus. Enerzijds haat hij Hem, en zegt hij: ‘Ik ken u niet’. Anderzijds dringt Christus zich toch aan hem op, en herkent hij Hem.

We kunnen dit ondersteunen met andere gedichten waarin ‘het avondmaal’ (r. 9) voorkomt. Dit zijn twee gedichten over de thuiskomst van een verloren zoon: ‘Tanquam filius’ (Als een zoon)[3] en ‘De verloren zoon’[4]. Het avondmaal is – ook in Lucas 15, waar deze gedichten op gebaseerd zijn – een verzoeningsmaal; een bevestiging dat het weer goed is tussen vader (bij Gossaert ook: moeder[5]) en zoon, die model staan voor God en mens. Daarom wordt ook uitdrukkelijk de term ‘avondmaal’ gebruikt: de in het protestantisme gebruikelijke aanduiding voor het sacrament van de eucharistie, de Maaltijd des Heren, het Heilig Avondmaal.

Van daaruit zou het in dit gedicht toch om de verzoening tussen Christus en de ik-figuur moeten gaan. Het avondmaal is in dit geval echter niet de bevestiging van de herstelde relatie, maar de bewerking ervan. Jezus breekt het verzet van de ik-figuur en brengt hem tot de overgave aan Hem.

Deze interpretatie kan ondersteund worden door de woorden ‘Ik ken u niet.’ (r. 14) In het evangelie worden deze woorden uitgesproken door Petrus, als hij na Jezus’ arrestatie herkend wordt als zijn discipel. Petrus verloochent Jezus dan driemaal door te zeggen: ‘Ik ken Hem niet’. Het is bij een ‘avondmaal’ dat de relatie dan weer hersteld wordt. En dat avondmaal vindt plaats bij een ‘open vuur’ (r. 5; Joh. 21). Ook het feit dat het hier niet gaat om de ontmoeting van Christus met twee personen maar met één, kan goed passen bij de ontmoeting met Petrus.

Ook de woorden ‘ik dierf niet vragen wie hij was’ (r. 6) kunnen verwijzen naar Christus na zijn opstanding. Het evangelie zegt dat de discipelen dan op een gegeven moment niet durven vragen wie Hij is, juist omdát zij het weten.[6] Zo is het ook hier: de ik-figuur weet heel goed wie binnenkomt (anders kan er aan het einde geen herkenning zijn), maar wil hem niet ontvangen.

Men kan het ‘laatste’ van dit ‘bitter lied’ (r. 20) dan verbinden met de plaats waar eerder het woord ‘bitter’ voorkwam, namelijk: ‘bitterschoon’ (r. 13). Het laatste van het bittere lied is, dat het óók een schoon lied is. Maar dat kan alleen God verstaan. In dit leven is er niets dan de strijd met God, de strijd van verzet en overgave. Het leven is bitter, ook in haar strijd met God. Maar het einde van lied is schoon. Dit past precies bij de teneur van het hele dichtwerk van Gossaert.

Zo gelezen is dit gedicht dus niet de tegenhanger van Lucas 24, maar een vrije combinatie van Lucas 24 en de verloochening en het eerherstel van Petrus.

 

Literatuur

Primair:

Geerten Gossaert, Experimenten (16e druk 1981)

Secundair:

Jaap de Gier, ‘Geerten Gossaert. Experimenten’, in: Lexicon van literaire werken, augustus 1991

Jaap de Gier, Stichtelijke en onstichtelijke experimenten. Een onderzoek naar Geerten Gossaerts dichterlijke ontwikkeling en de samenstelling van zijn poëziebundel, 1982 (dissertatie)

J.W. van Hulst, Gerretson dichterbij, 1985

Wilfried Hensen, Uit de diepten, mystiek in het protestantisme, 1999, p. 94-98.

 

[1] De Nederlandse poëzie van de 19e en 20e eeuw in 1000 en enige gedichten, Amsterdam 1987.

[2] Licht gemoderniseerde spelling.

[3]

[4]

[5]

[6]