Gerard Reve

Het onveranderlijke thema van heel mijn werk: de ontoereikendheid van de menselijke liefde, en de volstrekte afhankelijkheid van Gods genade.[1]

In 1965 maakte Gerard Reve het volgende, beroemd geworden gedicht:

Dagsluiting

 

Eigenlijk geloof ik niets,

en twijfel ik aan alles, zelfs aan U.

Maar soms, wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft,

dan denk ik dat Gij Liefde zijt, en eenzaam,

en dat, in zelfde wanhoop, Gij mij zoekt

zoals ik U.[2]

Reve schreef dit gedicht in de tijd dat hij zich tot het christendom bekeerde. Een jaar later, in 1966, trad hij toe tot de Rooms-katholieke kerk (‘Je ziet, hoe niemand de Heilige Geest op Zijn weg kan tegenhouden.’[3]) én moest hij voor de rechtbank in Amsterdam verschijnen na een aanklacht wegens godslastering. Die aanklacht was gedaan naar aanleiding van een passage in Nader tot U, waarin de schrijver God opnieuw laat incarneren, nu in de gedaante van een ezel, terwijl de hoofdfiguur deze sexueel bezit.[4]

Deze tegenstelling op hetzelfde moment tussen vroomheid – zijn bekering – , spot – God als ezel – en twijfel – ‘zelfs aan U’ – , is typerend voor Gerard Reve. Reve, die naar eigen zeggen vanaf zijn vroegste jeugd “doordrongen geweest [is] van een diep Godsbesef, en van het omringd zijn door een soms tot verrukking voerend, maar meestal als overweldigend en dreigend ervaren Mysterie.”[5] – deze Reve heeft in zijn leven niet anders dan op een ironische, spelende manier zich aan God kunnen geven – op zo’n manier, dat zowel gelovigen als ongelovigen zich er ongemakkelijk bij voelden. De eersten wisten niet of Reve zijn hele bekering tot het christendom wel meende, en de laatsten twijfelden of hij nog wel in hun kamp hoorde. Reve voelde zich jegens dit verlichte kamp af en toe tot een apologie gedrongen, maar kon ook dat niet anders dan ironisch doen:

Apologie

Toen ik rooms-katholiek werd,

werd mijn haar, dat grijs begon te worden,

opeens weer donkerblond.

Mijn bloeddruk daalde,

terwijl mijn jaarinkomen van die dag af fors bleef stijgen.

Er blijven wel bezwaren,

maar bij zoveel genade moet ik wel erkennen:

de Kerk van Rome is de Ware Kerk.[6]

 

En bovendien, ook de vertwijfeling of er wel echt een God is die hoort, die omziet, komt steeds opnieuw boven. Geloven is voor Gerard Reve nooit gemakkelijk, een zich voegen in een bepaalde traditie, maar een tour de force, op hoop tegen hoop, tussen vertrouwen en vertwijfeling:

Een mooi geloof, een groot geloof, een waar geloof ook

–  en daarbij wat een akoestiek –

maar wat is toch de aardigheid

van levenslang op Iemand wachten

Die telkens tot Zijn spijt verhinderd is?[7]

Toch heeft Reve, door juist op deze manier het geloof aan de orde te stellen, het christendom een dienst bewezen. Hij heeft door zijn ironische overgave aan God zowel gelovigen als ongelovigen uit hun evenwicht gebracht, en een nieuw nadenken over religie mogelijk gemaakt. Hij wordt in die zin in onze postmoderne tijd, waarin religie weer helemaal in is, beter begrepen dan in de jaren ’60 waarin hij zijn bekende teksten schreef.

‘Ironie’ is een kernwoord uit de postmoderne filosofie; ontleend aan Kierkegaard[8], speelt het onder meer bij Richard Rorty[9] een belangrijke rol. De ironische mens is degene die niets meer echt serieus nemen kan. Hij kan niet meer, als de premoderne mens, in God geloven; maar ook niet, als de moderne mens, in de rede. Hij gelooft nergens in, maar geeft toch het leven niet op. Hij speelt. Alle posities kan hij innemen, maar ook weer loslaten. Hij kan zich onmogelijk echt binden.

Deze ironie is typerend voor de houding van de postmoderne mens jegens de religie. Spelen met religie is mooi en waardevol, maar ook de denkers die de waarde van de religie opnieuw beseffen en zich op dit punt tegen de moderniteit keren, komen meestal niet tot een concrete keuze voor een bepaalde religie. Het blijft bij ‘flirten met God’, het onderzoeken van mogelijke betekenissen.

Reve is in deze ironische omgang met het goddelijke een voorloper geweest. In die ironie komen vertrouwen, spot en twijfel samen. Voor de premoderne gelovige voelt dit als iets onmogelijks aan: hoe kan men tegelijk op God vertrouwen en met Hem spotten, aan Hem twijfelen? Toch is er wellicht ook een verbinding te leggen. Als we proberen te bedenken of er een samenhang is tussen vertrouwen, spot en twijfel, iets dat de verbinding is en zorgt dat het gelovig-ongelovige subject toch niet gek wordt, dan stel ik voor het hier te zoeken: in het verlangen. Niet voor niets geeft Reve aan een van zijn romans een motto mee uit de oude berijming van Psalm 42:

’t Hijgend hert, der jacht ontkomen,

Dorst niet sterker naar ’t genot

Van de frisse waterstromen,

Dan mijn ziel verlangt naar God.[10]

Het persoonlijk verlangen naar de persoonlijke aanwezigheid van God is typerend voor het Godsgeloof van Israël – inclusief het besef van gebrek en de pijn die daarmee samenhangt. In die zin is Reve echt een zoon van Israël. De spiritualiteit van de Psalmen keert op een nieuwe manier in zijn werk terug. In deze Psalmen kan ook ‘harde’ taal klinken. Spot en twijfel hebben er evenzeer een plek als vertrouwen en overgave. Dat wordt ten laatste verdeeld tussen JHWH en de ‘afgoden’, zeker: vertrouwen op God en spot met de ‘stinkgoden’ van rondom. Maar ten laatste is Reve ook op zo’n onderscheid uit: door vertwijfeling, spot en overgave heen zoekt hij de ene God die ons vertrouwen echt waard is.

Uiteindelijk heeft hij deze God ook gevonden. Reve bleef, in tegenstelling tot veel postmoderne flirters met religie, niet hangen in een wel-niet-geloven, maar zette, net als later Willem Jan Otten, voor wie Reve een voorbeeld is[11], de stap naar de rooms-katholieke kerk. In 1966 liet hij zich dopen. De kerk heeft hem dus opgenomen, niet alleen toen, bij zijn doop, maar ook later, bij zijn uitvaart. De moederkerk kan vogels van divers pluimage in zich opnemen. Een kerk die helder onderscheidt tussen geestelijken en leken kan dat gemakkelijker dan de protestantse, die dit onderscheid niet hanteren. Daarin is de katholieke kerk een lichtend voorbeeld voor de protestantse. Juist een helder onderscheid van leer en leven, van lerende en horende kerk, van amtsdrager en leek, schept een ruimte om niet alleen ‘ware gelovigen’, maar ook rare gelovigen ruimhartig te omarmen en op te nemen.

Terug naar dat beroemde gedicht, ‘Dagsluiting’. Het begint toch met: ‘Eigenlijk geloof ik niets’. Dit ‘eigenlijk’ moet gezien Reve’s biografie slaan op de momenten waarop hij zichzelf sterk voelde. Dan is er geen behoefte aan God. God is er voor tijden van wanhoop – nee: omdat je van het leven ten diepste slechts wanhopig kunt worden. In 1971, vijf jaar na zijn toetreden tot de rooms-katholieke kerk, zegt Reve:

Luister. Het menselijk bestaan, het menselijk leven is een verschrikkelijke ziekte met een verschrikkelijke prognose. Het sleept zich jarenlang voort om tenslotte met de dood te eindigen.

Nu kun je niet elke dag naar de dokter gaan en zeggen: help me, want het leven is zo verschrikkelijk, of: ik ben zo ziek, want ik leef, of: ik ben zo bang voor de dood. Die dokter, weet je, die heeft daar geen tijd voor, dat kan niet.

Wat moet je nu doen? Je moet zelf als leek, poliklinieken inrichten waar je psychotherapie beoefent, en waar je allerlei rituele handelingen uitvoert, die een bezwerende werking hebben en waardoor de mensen weer een paar etmalen het bestaan aan kunnen. Dat is de kerk. En inzonderheid is dat een kerk die niet theoretiseert over zonde of over korte rokken en zo, maar één die een mysterie opvoert zoals de katholieke kerk. Zo iets vind ik erg fijn en erg geil en erg troostrijk, want ik er niet naar toe om gelul te horen, om te horen dat ik zo’n zwak en zondig mens ben – dat was me reeds lang bekend, dáárvoor hoef ik niet door de regen.

Dit alles is de functie van religie. De religie moet op irrationele wijze grenzen doorbreken die het verstand niet overschrijden kan, en die je toch overschrijden moet, wil je psychisch gezond kunnen leven. Die religie leert je ook dat het niet zo verschrikkelijk is als je denkt – God moest ook sterven. Dat was óók nodig in het hele kosmische verband, en de mis voert dat op, en dan ga je naar huis en dan kun je weer een tijdje verder.[12]

We komen hier tal van typische Reviaanse elementen tegen: de wanhoop over het leven, de angst voor de dood, het mysterie als essentie van de kerk, de dood van God. Typerend is dat Reve het spreken over zonde niet afwijst omdat dit overdreven zou zijn. Dat zou een typisch modern, uit de Verlichting stammend bezwaar zijn: het spreken over de zonde, en vooral de erfzonde, doet geen recht aan de autonomie en glorie van de mens. Reve wil echter van zonde niet horen, omdat hij dat vanuit zichzelf al wel weet. Dat de mens fundamenteel gevallen, verloren is, is voor hem evident, aan den lijve te tasten. Het is onder meer de bijbelse typering voor de mens als ‘gras’, die bij Reve geregeld terugkeert. Zo noemt hij zijn huis in het Friese Greonterp (nadat het eerst ironisch ‘Huize Algra’ gedoopt was, naar de SGP-voorman die het proces wegens godslastering startte en zo de verkoop van Reve’s werk sterk bevorderde) ‘Huize Het Gras’[13], refererend aan Jesaja 40:8 –  “Het gras verdort, de bloem valt af, maar het woord van onze God bestaat in eeuwigheid.” Het is uiteindelijk meer de sterfelijkheid dan de zonde waar Reve moeite mee heeft. Of beter gezegd: zonde is voor Reve vooral erfzonde; zonde die niet zozeer voortkomt uit onze vrije wil, maar die direct verbonden is met ons mens-zijn. Dit geeft voor hem aan het bestaan een grote zwaarte, en dat kan dan ook in deze zin als schuld – schuld voorbij persoonlijke schuld – ervaren worden:

aan alle lijden en kwaad in deze wereld voel ik mij op zijn minst medeschuldig.[14]

Alleen het mysterie van de dood van God, mysterieus gepresenteerd in de eucharistie, kan deze verlorenheid draaglijk maken.[15] In die eucharistie kan Reve voor een moment beleven wat hem meestal ontvalt, namelijk een werkelijke nabijheid van een lijdende en liefhebbende God. Dit verlangen naar een definitieve geborgenheid, met tegelijk het besef van het tekort, en dat uitgedrukt in een taal zonder enige opsmuk, maakt zijn werk zo ontroerend, zowel voor wie gelooft, als voor wie niet gelooft:

want ik wil alleen zijn, met U,

en tegen U praten en schreeuwen, al geeft U geen antwoord.[16]

Deze mogelijkheid om alleen te zijn met God ervaarde hij in de rooms-katholieke liturgie, en dan juist in het mysterieuze, het door de geheel andere priester in het onbegrijpelijke misoffer vertegenwoordigde mysterie. Reve hechtte juist aan de klassieke liturgie en de klassieke theologie daarachter, omdat deze het mysterie respecteert. Hij verzette zich tegen de in de jaren 1970 sterk aanwezige tendens om het geloof maatschappelijke relevantie te verlenen en alles te schrappen, wat daar niet mee in overeenstemming is; hij verachtte de “domheid” die hier achter schuilgaat. De vorm van de liturgie was voor hem weliswaar niet heilig, maar als de ‘vernieuwing’ ook betekent, dat de inhoud gewijzigd wordt, haakt Reve af. Hij heeft daarom in 1966 – als hij toetreedt tot de kerk, terwijl net in Nederland het zogenaamd “pastoraal concilie”, een uitloper van het tweede Vaticaans concilie gaande is, en in Nederland allerlei nieuwlichterij begint op te komen – het idee dat hij net op het verkeerde moment toetreedt; hij hoort in ieder geval direct bij de conservatieve katholieken. Vijf jaar na zijn toetreding, in 1971, zegt hij zijn lidmaatschap van de parochie te Veenendaal op:

Het gepeupel gaat nu de inhoud censureren en die, met de ijver en kracht die alleen domheid schenkt, door lelijke, lege en domme leuzen vervangen. Daarom blijf ik nu weg, en verlaat ik de parochie.[17]

Voor Reve wordt door een platgeslagen vorm een blokkade opgeworpen om het onzegbare geheimenis van de lijdende liefde, dat in de eucharistie wordt uitgebeeld, nog te kunnen naderen; terwijl de gang vanuit de wanhoop over de wereld naar het onbegrijpelijke erbarmen van God voor Reve juist de hele zin van het geloof uitmaakt. Deze gang vinden we niet pas in het latere, maar ook al in het eerdere werk van Reve. Zijn eerste werk, de roman ‘De Avonden’ (1947) beschrijft de belevenissen van Frits van Egters in de periode van 22 tot en met 31 december 1946. De roman ademt een onvoorstelbare, onthutsende leegte. Beklemmend en bedompt is het het leven van de hoofdpersoon, in wie we niet alleen Gerard Reve zelf zien, maar in wie het lot van een hele generatie vertolkt wordt. De oorlog heeft alle illusies verbrand.

Toch eindigt het boek met een heel specifiek soort van hoop. Niet de hoop op verandering. Integendeel, de conlusie luidt onontkoombaar dat dít de wereld is, dat dít de mensen zijn waar we het mee moeten doen: lelijk, dom, burgerlijk, bedorven. Onontkoombaar is tevens de conclusie dat ook de hoofdpersoon, met wie de lezer zich identificeren kan, niet aan de zuigkracht van deze zinloosheid ontsnappen kan. Er is in die zin geen hoop – geen hoop op verandering. Al eindigt het boek met het begin van een nieuw jaar, er is geen hoop dat dit nieuwe jaar anders zal zijn dan het vorige.

De hoop die er wel is, is echter deze:

Het is gezien […] het is niet onopgemerkt gebleven.[18]

Gezien de context gaat het hier om een passivum divinum: al het beschrevene is door God gezien. Direct voorafgaand aan dit slot van het boek, bidt Frits van Egters voor zijn ouders:

’Eeuwige, enige, almachtige, onze God,‘ zei hij zacht, ‘vestig uw blik op mijn ouders. Zie hen in hun nood. Wend uw blik niet af.’ […] Eeuwige God, ik weet, dat het niet ongezien is gebleven.’[19]

Simon Vestdijk noemde dit “het aangrijpendste wat ik ooit onder ogen kreeg”.[20] Misschien kunnen we zeggen: het gaat voor Gerard Reve van begin tot eind in de religie niet om hoop, maar om troost: de troost dat wij in dit tranendal niet alleen zijn, maar gezien worden. Het is bijvoorbeeld opvallend dat Reve, die met de hoofddogma’s van de katholieke kerk (de Drieëenheid, de twee naturen van Christus, Maria als Middelares) bewust instemde, nooit wilde geloven in een leven na de dood. Sterker nog, dit zou volgens hem het geloof onecht maken:

Wanneer Jezus ons zegt, dat wij, indien wij met Hem lijden, sterven en uit de dood herrijzen, het eeuwige leven deelachtig zullen worden, dan wil dit zeggen, dat alleen de mens, die God ontmoet, waarlijk leeft en dus bevrijd is van de dood, maar het heeft – althans volgens mij – niets te maken met die zwakzinnige verwachting van een voortbestaan (al dan niet met vergelding) na de dood. De tijd zal komen, dat men algemeen zal inzien, dat concrete verwachtingen niets met geloof te maken hebben. Jezus Christus heeft ons verlost uit de kluisters van bange hoop en dwaze, mensonwaardige verwachting, omdat Hij het probleem van de dood irrelevant heeft gemaakt. Als we, zoals dat heet, ‘in Hem leven’, beseffen we, dat ons leven een zin heeft, ondanks het feit dat met de dood aan ons bestaan voor altijd een einde komt.[21]

Geloof heeft dus niet met concrete verwachtingen, met hoop op binnenwereldlijke verbeteringen te maken, maar met het besef met alle verlorenheid toch tegelijk geborgen te zijn. Reve sluit hier aan bij de anti-metafysische tendens die ook de theologie na de tweede wereldoorlog doortrekt. De metafysische zekerheden zijn voor het besef van velen verloren gegaan; wat overblijft is een liefhebbende en in zijn liefde lijdende God; “alleen de lijdende God kan helpen”[22]. De verlossing die het geloof biedt, is niet de zekerheid van een andere, metafysische werkelijkheid, waar geen lijden, schuld en dood te vinden zijn; de verlossing is dit:

Want in leven en sterven zijt Gij in mij en ik ben in U.[23]

Dit komt erg dicht bij het antwoord op vraag 1 van de Heidelberger catechismus. “Dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben”. In dit antwoord is verderop ook sprake van het “eeuwige leven”, maar toch klinkt ook in de catechismus vooral de mystieke, Johanneïsche kant hiervan door. “Eeuwig leven” is in het evangelie naar Johannes een cruciale term, maar duidt dan niet, in ieder geval niet primair, een kwantiteit aan, maar een kwaliteit: “Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, en Jezus Christus, die U gezonden hebt.”[24] De catechismus staat in de anti-metafysische traditie van de Reformatie, die zich niet bekommert om de naturen van Christus, maar om zijn weldaden. De catechismus rekent alles, zelfs het bestaan van God de Schepper, tot de beloften, dat wil zeggen: zij hebben de zijnswijze van het woord, een specifieke woordsoort. Het is deze mystieke christelijke traditie, in het Nieuwe Testament vooral vertolkt door Johannes, die zich bij Reve doorzet.

Deze mystieke traditie is door de kerk afwisselend getolereerd en afgewezen. Het in-elkaar-bestaan van de gelovige en Christus wordt als een herkenbaar element gezien, maar er is ook een mystieke traditie die hier volgens de kerk verkeerde conclusies aan verbindt. Dan gaat men zo ver als bijvoorbeeld een Angelus Silesius, een van de dichters van wie Reve zelf zegt dat hij door hem beïnvloed is.[25] Angelus Silesius ziet niet alleen een in-elkaar-bestaan van de gelovige en Christus, maar daardoor ook een wederzijdse ontische afhankelijkheid. De mens kan niet bestaan zonder God, maar God ook niet zonder de mens:

Ich weiβ, dass ohne mich Gott nicht ein Nu kann leben,

Werd ich zu nicht, er muβ von Not den Geist aufgeben.

 

Daβ Gott kein Ende hat, gesteh ich dir nicht zu,

Denn schau’: er sucht ja mich, daβ er in mir beruh’.[26]

Reve sluit zich bij deze gedachten uit Silesius’ Cherubinische Wandersmann aan. Daarop doorgedacht moet God dan wel in wanhoop verkeren wanneer Hij de mens niet vinden kan. Deze gedachte komen we inderdaad tegen in het beroemde gedicht van Reve:

Maar soms, wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft,

dan denk ik dat Gij Liefde zijt, en eenzaam,

en dat, in zelfde wanhoop, Gij mij zoekt

zoals ik U.

Hoe verhoudt deze typering van God zich tot het christelijk geloof? Ik denk dat we hier op een punt komen, dat voor het geloof minder goed te verdragen is dan de ‘blasfemische’ passages uit Nader tot U die het proces wegens godslastering ontketenden. God-als-ezel, verkracht door een mens, kun je moeilijk schokkender noemen dan God-als-Gekruisigde, gedood door mensen. Toch is dit laatste beeld, het beeld dat het Nieuwe Testament zelf van God geeft. Het kruis is de spotprent die God van zichzelf getekend heeft. Daar kan geen spot meer tegenop. De zelfspot van God is door geen cartoonist, schrijver of kunstenaar ooit meer te overtreffen. Dat is de reden waarom het christelijk geloof spot met zijn God heel goed verdragen kan.

De echte ‘godslastering’ zit in de hierboven geciteerde slotregels van ‘Dagsluiting’. Hier worden aan God eigenschappen toegeschreven, waarvan we ons kunnen afvragen of die in het christelijke geloof aan God toegekend kunnen worden. Hier begint een onvermijdelijk debat over de vraag wie en hoe God is.

Het luistert daarbij nauw. Voor Reve is God ‘Liefde’. Bovendien wordt God voorgesteld als Iemand is die hem zoekt. Dat zijn noties die eigenlijk alleen in het christelijke geloof voluit aan God toegeschreven worden. Dit gedicht is dan ook alleen denkbaar op de bodem van een christelijke cultuur.

Hier eindigt het gesprek echter niet. Wat zijn immers de implicaties van Gods zoekende liefde? Volgens Reve impliceert het liefhebben en zoeken van de ander: eenzaamheid en wanhoop. Áls God echt liefde is, dan is Hij ook wanhopig en eenzaam. Want in échte liefde is de ander echt van levensbelang voor je. In echte liefde verlies je je autonomie, je zelfbeschikking, je vrijheid. In echte liefde verlies je jezelf zo, dat je zonder de ander niet verder kunt, en zonder de ander wanhopig en eenzaam bent.

Is dat niet heel plausibel? Laten we deze conclusie van Reve niet bij voorbaat verwerpen. Kent de Bijbel God niet in wanhoop en eenzaamheid?

De Bijbel kan in ieder geval aan Jezus Christus zowel eenzaamheid als wanhoop toekennen. Aan het slot van zijn belangrijke boek ‘Moeder en Zoon’ (gepubliceerd in 1980), waarin Reve zijn toetreding tot de katholieke kerk verdedigt (opnieuw op ironische wijze), komt hij te spreken over de twee naturen van Christus en de worsteling van Jezus in Gethsemane:

‘Kijk’, sprak ik. ‘In Jezus Christus zijn God en Mens op volmaakte en onlosmakelijke wijze voor eeuwig in één Persoon verenigd. Is dat zo, of is dat niet zo?’

‘Dat is zo’, moest professor Hemelsoet mij toegeven.

‘Goed’, vervolgde ik. ‘Christus is dus “waarlijk God”. Ja of nee?’

‘Christus is waarlijk God’, stelde professor Hemelsoet mij gerust.

‘Prima’,  vervolgde ik. ‘Maar nu: geen uitvluchten. Als Hij waarlijk God is…als Hij dat dus is…als dat waar is…Wie was het dan, Die aan de vooravond, in de hof van Getsemane, bang was… Die aarzelde… Die twijfelde… Die de Dood aan het kruis vreesde… Ik bedoel: Wie was het dan, Die daar, in Zijn doodsangst… door een engel gesterkt moest worden?..’ Ik haalde diep adem. ‘Wie anders was dat… dan God Zelf, Die wanhoopte, en Die aan Zichzelf twijfelde?..’

‘Dat leert de Kerk’, sprak professor Hemelsoet.[27]

In het vroegste christendom heeft men met deze gebeurtenis in Jezus’ leven al moeite gehad, zo blijkt uit de verschillende interpretaties ervan in de evangeliën. In het evangelie volgens Johannes komt het gebeuren nauwelijks voor. Waar we het zouden verwachten (in hoofdstuk 18, bij de gevangenneming) ligt alle nadruk op de goddelijke macht van Jezus. Hij aarzelt geen moment, maar geeft zichzelf in soevereine vrijheid en liefde gevangen, met de aan Gods Naam herinnerende woorden: “Ik ben het.”[28] We vinden wel een verwijzing in 12:27, maar daar is de mogelijke twijfel van meet af aan overwonnen:

Nu is Mijn ziel in beroering en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit dit uur! Maar hierom ben Ik in dit uur gekomen. Vader verheerlijk Uw Naam!

De werkelijke aanvechting van het lijden komt wel naar voren in de beschrijving van de andere drie evangeliën.[29] Het sterkst is dit in Lukas (22:39-46).[30] Alleen in dit evangelie staat:

En Jezus kwam in doodsangst en bad nog vuriger. En zijn zweet werd gelijk dikke druppels bloed, die op de grond vielen.[31]

In het citaat uit ‘Moeder en Zoon’ hierboven komt ook een verwijzing naar deze tekst voor. Daar wordt er de conclusie aan verbonden, dat dus God zelf deze wanhoop doormaakte. Volgens Reve is God wezenlijk zoekende, wanhopige liefde.

De christelijke theologie heeft hier meestal genuanceerder, meer onderscheidend gesproken. De gereformeerde traditie onderscheidt  hier vaak tussen Christus’ goddelijke en menselijke natuur. Alles wat met en aan Jezus geschiedt, geschiedt weliswaar aan Zijn persoon, maar het ene geschiedt naar Zijn goddelijke, het andere naar Zijn menselijke natuur. De wonderen doet Hij krachtens Zijn goddelijke natuur, Hij sterft naar Zijn menselijke natuur.

De lutherse traditie had moeite met dit scherp onderscheiden van de naturen en sprak over een deelhebben van de ene natuur aan de andere. De goddelijke natuur deelt in de menselijke, ook in het lijden en sterven, zodat er ruimte ontstaat om te spreken over de dood van Jezus als de dood van God. Toch wordt dan nog onderscheiden tussen de Vader, de Zoon en de Geest. De Zoon is wel God, maar Hij is niet de Vader of de Geest. Wanneer men zegt dat Jezus ook in Zijn goddelijke natuur deelhad aan angst, lijden en dood, dan zegt men daarmee dus wel dat God de Zoon hierin deelde, maar niet dat God de Vader of God de Geest hierin deelde.

Reve spreekt in de lijn van de lutherse traditie, die in de twintigste eeuwse theologie vaak tot een vorm van theopaschitisme geleid heeft; Reve is daar een literaire vertolking van. Het is evenwel de vraag of hij hiermee het doel, namelijk het verwoorden van de verlossing werkelijk bereikt. Wat is er precies verlossend aan de gedachte van een angstige, wanhopige, lijdende en stervende godheid? Moet men naast de uitspraak “alleen de lijdende God kan helpen” niet ook de uitspraak zetten: “alleen de machtige, soevereine en vrije God kan helpen”?

Op de grafsteen van Gerard Reve, overleden op 8 april 2006, staat de tekst: ‘U heb ik lief’. In dit geval is het geen vanzelfsprekende vroomheid; evenmin is nog langer onduidelijk wie de ‘U’ is die hier wordt aangesproken. Reve was in zijn leven langzaamaan nader tot Hem gekomen, die hij vanaf het begin had gezocht:

Bekentenis

Voordat ik in de Nacht ga die voor eeuwig lichtloos gloeit,

Wil ik nog eenmaal spreken, en dit zeggen:

Dat ik nooit anders heb gezocht

Dan U, dan U, dan U alleen.[32]

Willem Maarten Dekker

 

[1] Gerard Reve, Verzamelde gedichten, p. 130

[2] Gerard Reve, Verzamelde gedichten, Amsterdam 1987, 56. Van dit gedicht werd een lied gemaakt dat te vinden is op de CD ‘Twijfelliederen’ (2012). ‘Twijfelliederen’ was een initiatief vanuit lezers van de ‘gristelijk-satirische’ website goedgelovig.nl. Het is een soort protest tegen de populaire “Opwekkingsliederen”.

[3] Gerard Reve, Brieven van een aardappeleter, Amsterdam/Antwerpen: L.J.Veen 1993, 22.

[4] Gerard Reve, Verzameld werk, deel 2, Amsterdam-Antwerpen: Uitgeverij L.J.Veen, 187 en 296.

[5] Gerard Reve in de ‘Verantwoording’ bij zijn Verzamelde gedichten, p. 129.

[6] Gerard Reve, ‘Apologie’, Verzamelde gedichten, 79.

[7] Gerard Reve, ‘Pedofiel nachtlied’ (1982), Verzamelde gedichten, 124.

[8] S. Kierkegaard, Om Begrebet Ironi (“Over het begrip ironie”), 1841.

[9] R. Rorty, Contingency, irony and solidarity, Cambridge 1989.

[10] Gerard Reve, Het hijgend hert, Amsterdam/Antwerpen: L.J.Veen 1999, 7. (motto)

[11] Willem Jan Otten, Waarom komt U ons hinderen, Amsterdam: G.A. van Oorschot 2006, 99-107.

[12] Gerard Reve, in een interview met Klaas Peereboom, Het Parool, 5 juni 1971.

[13] Vgl Brieven van een aardappeleter p. 117 e.a. Zie ook Het Boek Van Violet en Dood, p. 113.

[14] Reve, Verzamelde gedichten, 129

[15] Vgl. Jaap Goedegebuure, Nederlandse schrijvers en religie 1960-2010, Nijmegen: Vantilt 2010, 27-37. Jacques van Ruiten, ‘Reve’s religiositeit in Het Boek Van Violet en Dood’, in: G. Jensma en Y. Kuiper (red.), De god van Nederland is de beste. Elf opstellen over religie in de moderne Nederlandse literatuur, Kampen: Kok 1997, 138-155.

[16] Gerard Reve, ‘Oost, west’ (1965), in: Verzamelde gedichten, Amsterdam: G.A. van Oorschot, 1987, 48.

[17] Gerard Reve, Brieven van een aardappeleter, 156.

[18] Gerard Reve, De Avonden. Een winterverhaal, Groningen: Wolters-Noordhoff 1992, 201.

[19] Gerard Reve, De Avonden, 199.

[20] Vestdijk, S. ‘De Avonden, een winteravondverhaal. Roman door Simon van het Reve.’ In: Het parool, 28 november 1947. Ook in: Vestdijk Kroniek 1 (1973), nr. 1, p. 46.

[21] Reve, Brieven van een aardappeleter, 25.

[22] D. Bonhoeffer

[23] Reve, ‘Reisgebed’, Verzamelde gedichten, 105.

[24] Johannes 17

[25] Reve, Verzamelde gedichten, 128

[26] Angelus Silesius, Der cherubinische Wandersmann, Zürich 1979, 35 en 52.

[27] Gerard Reve, Moeder en Zoon, Amsterdam/Antwerpen: Elsevier 1980.

[28] Johannes 18:5; vgl. Exodus 3:14.

[29] Mattheüs 26:36-46; Markus 14:32-42; Lukas 22:39-46.

[30] Zie ook Gerard Reve, Het Boek Van Violet En Dood, Amsterdam 1996, 21.

[31] Lukas 22:44.

[32] Gerard Reve, ‘Bekentenis’ (1965), Verzamelde gedichten, 52.