John Steinbeck, Grapes of Wrath

Dominee of moedermelk. John Steinbecks ‘Grapes of Wrath’[1]

De naam van de Amerikaanse auteur en Nobelprijswinnaar John Steinbeck viel onlangs weer toen Geert Mak het verslag van zijn reizen door de Verenigde Staten de titel gaf: ‘Reizen zonder John’[2], verwijzend naar het reisverslag van Steinbeck zelf een halve eeuw eerder met de titel: ‘Reizen met Charley’. Verder kom je de naam van Steinbeck niet zoveel meer tegen meen ik. Dat komt misschien ook door de thematiek. Steinbeck richt zich erg op het sociale gedrag van mensen, en komt daarbij op voor de sociaal zwakkeren en uitgestotenen. Zijn werk heeft een socialistische trek en is niet gespeend van het daarbij horende idealisme en optimisme. Dat komt op hedendaagse lezers snel een beetje naïef of sentimenteel over, kwalificaties die dan ook vaker aan zijn werk gegeven zijn.

Toch zijn zijn romans indrukwekkend. Met name ‘De druiven der gramschap’. Ook in dit boek wordt veel gereisd, en wel over de bekende ‘route 66’ richting het westen. Kleine pachtboeren uit het midden van de VS worden gedwongen hun land te verlaten, omdat de eigenaren er grote katoenvelden van willen maken. Honderdduizenden trekken naar Californië, want daar wordt werk beloofd. Zo ook de familie Joad uit Oklahoma, de ‘hoofdpersoon’ van het boek. De familie bestaat uit grootouders, vader Tom sr., moeder, zonen Tom jr., Noah, Al en Winfield, zwangere dochter Rosa en dochter Ruthie. Verder zijn er nog oom John, schoonzoon Connie (de man van Rosa) en een ex-predikant, Casy.

De roman begint ermee dat Tom ontslagen is uit de gevangenis. Een typisch Steinbeck-karakter: Tom heeft gezeten omdat hij in een ruzie iemand doodgeslagen heeft, maar is in wezen een goede kerel. Onderweg naar zijn ouderlijk huis komt hij Casy tegen, de ex-predikant. Het huis blijkt totaal verwoest. De familie staat op het punt naar Californië te vertrekken. Onderweg komen te allerlei ontberingen tegen. Beide grootouders sterven onderweg. In Californië aangekomen blijkt er nauwelijks werk te zijn. Er zijn teveel arbeiders en de oogst van het fruit of de katoen moet in korte tijd gebeuren, zodat er soms weken geen werk is. Soms laat men de vruchten van het land ook wegrotten om de prijs kunstmatig hoog te houden. De grootgrondbezitters hebben ook de fabrieken in bezit en kunnen zelf alles bepalen. Zo ligt het fruit te rotten op het land, terwijl er arbeiders sterven van de honger. Dan staat er: “en in de ogen van de hongerigen is een groeiende gramschap. In de ziel van de mensen zwellen de druiven der gramschap en worden rijp, worden rijp voor de komende oogst.” (331) Deze oogst komt niet meer in het boek, maar gaat toch als een belofte mee.

De leefomstandigheden zijn verschrikkelijk. De arbeiders, die met tienduizenden gekomen zijn en vernederend ‘Okies’ genoemd worden door de plaatselijke bevolking, wonen in krotten in kampen. Alleen in bepaalde kampen, waar een soort communistisch regime heerst en de overheid of politie niet binnenkomt, is het beter toeven. Weer is de boodschap: de mens is in wezen goed, maar de structuur van de samenleving verpest het.

De familie valt steeds verder uiteen. Zoon Noah, een zwijgzame Einzelgänger, gaat er in Californië al snel vandoor. Schoonzoon Connie, een slappeling, loopt weg bij zijn zwangere vrouw Rosa. Ex-predikant Casy heeft zich in plaats van een ander in de gevangenis laten gooien en is daarna leider geworden van een arbeidersopstand. Hij wordt door een tegenstander gedood. Tom jr. slaat op zijn beurt deze man dood en wordt de nieuwe leider van de opstand. Zoon Al heeft het met een meisje aangelegd.

Zo zijn er aan het eind van de roman van de dertien hoofdpersonen nog zes bij elkaar: vader, moeder, Rosa, Winfield, Ruthie en oom John. Het beloofde land bleek niet het beloofde land te zijn. Maar, kenmerkend voor Steinbeck, uiteindelijk zorgt dit niet voor pessimisme. Het slot van de roman is verrassend, aangrijpend en ook hoopvol. Rosa heeft net een doodgeboren kind gekregen. Tijdens de bevalling was er zulke hevige regenval, dat hut en auto onder water komen te staan. Het kindje wordt als een Mozes, maar dan doodgeboren, in een appelkistje in de watervloed gezet. Rosa had even een Maria geleken, het kind een messias, maar het blijkt een vergissing. Een zondvloed vaagt de laatste bezittingen weg. De familie vlucht naar een hoger gelegen schuur en op die berg Ararat ontmoeten ze een zoon met zijn vader, die stervende is van de honger. Zij krijgen van hen een deken, zodat de doornatte en zieke Rosa haar kleren kan uitdoen en in de deken gelegd wordt. Dan kijken moeder en dochter Rosa elkaar aan, en weten wat er moet gebeuren. Iedereen wordt naar een ander deel van de schuur gestuurd, en dan gaat Rosa naar de stervende man toe. “Toen ging ze langzaam naast hem liggen. Hij schudde zijn hoofd langzaam heen en weer. Roos maakte één kant van de deken los en ontblootte haar borst. “Je moet,” zei ze. Ze schoof dichterbij en trok zijn hoofd naar zich toe. “Hier!” zei ze. “Hier.” Ze legde haar hand achter zijn hoofd en steunde het. Haar vingers bewogen zachtjes door zijn haar. Ze sloeg haar ogen op en keek de schuur door, en haar lippen sloten zich en glimlachten mysterieus.” (431)

 

Dit zijn de laatste woorden van een uiteindelijk optimistisch boek. Zowel de verteller als de moeder van de familie vertolken dit optimisme. “Dit kan men zeggen van de mens – wanneer wereldbeschouwingen veranderen en ten onder gaan, wanneer scholen, filosofieën, wanneer de nauwe donkere paden van nationale religieuze en economische ideeën groeien en uiteenvallen, streeft en strompelt de mens voorwaarts, hoe pijnlijk en desillusionerend het soms is. Als hij eenmaal een stap voorwaarts gedaan heeft, kan hij terugglijden, maar slechts een halve stap, nooit de hele stap terug. Dit kan men zeggen en men weet het, wéét het. Dit moet men weten, wanneer de bommen omlaag schieten uit de zwarte, onheilspellende vliegtuigen op het marktplein. Wee de tijd, dat de Mens[3] zelf niet wil lijden en sterven voor een idee, want deze ene eigenschap is de grondslag van de Mens zelf, en deze ene eigenschap is de mens, en kenmerkt hem als het schoonste wezen in het universum.” (143)

Deze overgang van idealen wordt ook uitgebeeld in de figuur van Casy. Hij zingt aan het begin van het boek nog: “Jawel, dat ’s mijn Heiland, Jezus is mijn Heiland, Jezus is mijn Heiland nou.” (19) Maar ondertussen heeft hij het predikantschap neergelegd. De familie Joad vraagt hem af en toe wel om te bidden, maar deze gebeden zijn meer uitingen van eigen twijfel en zoektocht. Casy zegt zelf dat hij als Jezus de woestijn is ingegaan om zijn roeping opnieuw te vinden. “Heb geen roeping meer. Wèl een hoop zondige ideeën – maar ze lijken me nog niet zo gek.” (20) Uiteindelijk vindt hij zijn nieuwe roeping als hij zich als Christus gevangen nemen in plaats van een ander en uiteindelijk voor de goede zaak van het socialisme laat doden. Casy is dus een Christus-figuur, juist door het christendom achter zich te laten. Het socialisme is de vervulling van het christendom en in die beweging schrijdt de mens voort. Zo wordt deze roman uiteindelijk geleid door een optimistisch humanisme. De mens is het schoonste wezen, en hij gaat voort, al is het niet zonder zware tegenslagen. Daarbij moet ‘Mens’ dan wel met een hoofdletter geschreven worden. Het gaat bij Steinbeck niet om het individu. Dat wordt geofferd op het altaar van de toekomstige Mens, die wel het beloofde land zal vinden. Daarbij spelen de vrouwen en moeders de doorslaggevende rol. De mannen in ‘Druiven der gramschap’ zijn vaak besluiteloos en hulpeloos. De echte helden zijn twee vrouwen: de moeder van de familie en Rosa. Moedermelk is wat de wereld uiteindelijk zal redden.

Indrukwekkend en ontroerend is dat om te lezen. En wie wil er niet in moedermelk geloven? Wie wil er niet geloven in een tegenstelling van kwaden en goeden, waarbij de machtigen en rijken (inclusief de kerk met haar dominees) de kwaden zijn en de machtelozen de echte, liefhebbende mensen?

Casy is een soort Domela Nieuwenhuis, en als we Steinbeck moeten geloven is dat de goede weg, Christus volgen door het christendom achter ons te laten en socialist te worden. Het probleem is alleen dat juist het ideaal van het socialisme inmiddels voorbij is. Het was in zijn mensbeschouwing te naïef. Was het maar zo dat er een duidelijke scheiding was tussen goeden en kwaden, was het maar zo dat we ‘Mens’ met een hoofdletter konden schrijven. Na Steinbeck met ontroering gelezen te hebben, doen we er goed aan een roman van Grunberg te pakken om ‘mens’ toch weer klein te gaan schrijven. Of Augustinus, die in het verlangen naar moedermelk al het kwade begeren zag. Of Chesterton, die de erfzonde ‘het enige onderdeel van de christelijke theologie’ noemt ‘dat werkelijk aangetoond kan worden’. De leer van universele zonde bewaart in ieder geval voor elk onderscheid tussen ‘goeden’ en ‘kwaden’ en daarmee ook voor een idee van vooruitgang van de Mens waaraan individuen geofferd moeten worden. Daarom was het toch beter geweest als Casy dominee gebleven was. Tegen de erfzonde kon ook het socialisme niet op. Daartegen is alleen het Evangelie bestand.

[1] John Steinbeck, Grapes of Wrath. Verwijzingen tussen haakjes naar de Nederlandse vertaling, ‘De druiven der gramschap’, Bussem (negende dr., z.j.).

[2] Geert Mak, Reizen zonder John. Op zoek naar Amerika, Uitgeverij Atlas 2012.

[3] Hoofdletter van Steinbeck.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s