Melville, Moby Dick

Geliefd medeschompes,

 

In Herman Melville’s roman ‘Moby Dick’ komen vele prachtige, humoristische scenes voor.

Er is er ook één, die alle homiletieken overbodig maakt.

Als de bemanning van de Pequod, over de helft van het boek, eindelijk de eerste walvis van het leven beroofd heeft, valt de nacht en moet de walvis een nacht in zee blijven hangen, tegen het schip aan. Het enorme bloedspoor dat de walvis getrokken heeft, trekt een hele zooi haaien aan, die zich tegoed gaan doen aan het walvisvlees. Die vretende haaien maken nogal wat lawaai. Daarop wordt de kok gemaand een preek tot de haaien te houden. Wie oren heeft om te horen, die hore.

De taal van de vertaling van Barber van de Pol (Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2008) is trouwens prachtig. ‘Medeschompes’ en ‘vissenjanhagel’:  kom er nog ‘s om.

——————————- 

‘Wat schoppen die haaien een herrie! Kok, ga eens met ze praten; […] spreek ze eens stichtelijk toe!’

De oude Kokkie Bè nam de lantaarn die hem werd voorgehouden knorrig aan en hinkte over het dek naar de reling; daar liet hij met zijn ene hand de lamp diep boven zee zakken, alsof hij zijn gemeente goed wilde overzien, zwaaide met de andere plechtig met zijn tang, leunde ver buitenboord en begon mummelend tegen de haaien te spreken, terwijl Stubb, die zachtjes achter hem aan sloop, alles afluisterde wat er werd gezegd.

‘Medeschompes: ik is verordonneerd hier te zeggen alsdat je uit moet scheiden met die verdomde keet daar. Hoor je? Schei uit met dat verdomde gesmak met je lippen! Van baas Stubb mag je je vervloekte buik volvreten tot aan de luiken, maar schei gossamme uit met die verdomde herrie!’

‘Kok’, onderbrak Stubb hem op dit punt, terwijl hij het woord vergezeld liet gaan van een onverhoedse klap op de schouder. ‘Kok! Verdraaid aan toe, je mag niet zo vloeken als je een preek houdt. Dat is geen manier om zondaren te bekeren, kok!’

‘Wie zegt dat? Doe het zelf dan,’ en hij draaide zich knorrig om om weg te lopen.

‘Nee, kok, ga door, toe.’

‘Goed dan. Geliefd medeschompes…’

‘Mooi zo!’ riep Stubb goedkeurend. ‘Smeer ze maar stroop om de bek, wie weet helpt het.’ En Kokkie Bè ging verder.

‘Al ben jullie allemaal haaien en van nature erge vreetzakken, ik moet zeggen, medeschompes, dat dat geschrok – schei uit met dat verrekte gemep met die staarten. Hoe wil je mij verstaan, als je doorgaat met dat verrekte gemep en gebijt daar?’

‘Kok’, riep Stubb, die hem bij zijn kraag pakte, ‘ik wil dat gevloek niet. Spreek ze toe zoals het een heer betaamt.’

Opnieuw werd de preek hervat.

‘Jullie geschrok, medeschompes, kan ik niet erg van jullie vinden; dat is de natuur, daar doe je niks aan; het gaat erom die slechte natuur te bedwingen. Jullie ben haaien, zekers, maar als jullie de haai in je intoomt, nou, dan ben jullie engelen, want alle engelen is niks anders dan goed ingetoomde haaien. Luister goed, broeders, probeer je nou één keer te gedragen als je van die walvis eet. Trek het spek niet uit de bek van je buurman, zeg ik. Heb niet de ene haai net zoveel recht op die walvis als de ander? En eigenlijk heb geen van jullie recht op die walvis, nondeju; die walvis is van iemand anders. Ja ja, sommige van jullie hebben een erg grote bek, groter dan andere, maar grote bekken hebben soms een kleine buik; dan is die grote bek niet om te schrokken, maar om het spek af te bijten voor het kleine haaiengebroed, dat zijn eigen niet kan helpen.’

‘Goed zo, Kokkie Bè!’ riep Stubb. ‘Dat is pas christendom, ouwe; ga door.’

‘Het heb geen zin om door te gaan; de verdomde schoften blijven mekaar gewoon opzij duwen en meppen, baas Stubb; ze horen geen woord; het heb geen zin om te preken tegen zulke verdomde vreetzakken zoals u ze noemt eer d’r buiken vol zijn, en ‘r buiken zijn bodemloos; en als ze die vol hebben, horen ze je nog niet, want dan zakken ze de zee in; dan gaan ze vlug op het koraal onder zeil en horen geen mallemoer meer, tot in eeuwigheid.’

‘Zo waar als ik leef, ik begin het ook te geloven; geef ze de zegen dan maar, Kokkie Bè, dan ga ik verder met eten.’

Hierop strekte Kokkie Bè zijn beide handen boven het vissenjanhagel, verhief zijn schrille stem en riep:

‘Vervloekt medeschompes! Schop verdomme zo veel stampei als je kan; vul je verdomde buik tot hij barst, en verrek maar.’

‘Goed, kok,’ zei Stubb.