Van Schendels trilogie van het calvinisme

Arthur van Schendel (in 1874 op Java geboren, later gewoond hebbend in Engeland, Frankrijk, Italië en Nederland) debuteerde in 1896 met de roman ‘Drogon’. Zijn eerste romans kunnen als ‘neoromantisch’ gekarakteriseerd worden: naast ‘Drogon’ bijvoorbeeld ‘Een zwerver verliefd’ (1904) en ‘Een zwerver verdwaald’ (1907). Uit deze periode stamt ook een historische roman over het leven van Jezus: “De mensch van Nazareth” (1916). Daarin komt Jezus naar voren als iemand die altijd kind gebleven is; het kinderlijke is het ware, het leven in verbeelding, vertrouwen en spontane liefde. Hij is vrij van menselijke bindingen, maar gebonden in het liefdegebod, een zwerver en een dromer, kortom een neoromantische Jezus. Van Schendel schreef dit boek nadat hij (in 1914) een reis naar Israël gemaakt had.

De naturalistische romans

In 1930 begint een tweede scheppingsperiode. We zitten nu in een naturalistische sfeer. Het tragische element was al wel in zijn eerdere werk aanwezig. ‘Een zwerver verliefd’ gaat bijvoorbeeld over een middeleeuwse jongen, die tot man wordt en vanuit een romantisch verlangen in hemzelf gecombineerd met toevalligheden en tegenslagen in het leven tot zwerver wordt en verliefd op een vrouw, die hij niet krijgen kan en ook ergens niet krijgen wil – “Hij had haar zo lief, zo zéér, dat haar wederliefde hem niet gelukkig zou maken.” – en die hij aan de dood verliest, een dood waaraan hij ongewild schuldig is; en dan wordt hij toch nog de (niet biologische, maar adopterende) vader van haar zoon. Dit werk zit dus al vol tragische elementen, maar ze worden nog getoond in een voluit romantische sfeer.

In de latere romans verdwijnt dit en komt de macht van het fatum steeds sterker naar voren. De overgang van de eerste naar de tweede fase wordt gevormd door het zeer bekend geworden werk ‘Het fregatschip Johanna Maria’ (1930). In deze periode zal hij onder meer nog een van zijn beste en meest gelezen romans schrijven: ‘De wereld een dansfeest’ (1938).

De Hollandse romans

Vijf romans uit deze naturalistische fase worden tezamen ‘De Hollandse romans’ genoemd. Het gaat dan om ‘Het fregatschip Johanna Maria’ (1930), ‘De waterman’ (1933), ‘Een Hollands drama’ (1935), ‘De rijke man’ (1936) en ‘De grauwe vogels’ (1937).

Ook binnen de tweede, naturalistische scheppingsperiode van Van Schendel hebben de Hollandse romans hun eigen karakteristieke kenmerken.

1.Allereerst spelen ze in de late 19e eeuw (Van Schendels eigen tijd) in Holland. Hier hebben ze uiteraard ook hun naam aan te denken.

2.Sociaal-maatschappelijk gezien beschrijven ze de Hollandse burgerij van binnenuit. Adel en volksklasse worden slechts terzijde besproken, niet van binnenuit. De hoofdpersonen maken dus deel uit van de burgerij, maar zij zijn hier tegelijk tegen in opstand. Zij zijn non-conformisten en daardoor ook eenzaam, zoals bijvoorbeeld Maarten Rossaart in de roman ‘De waterman’. Toch blijven zij de waarden van de burgerij – vrijheid, verantwoordelijkheid, arbeid – trouw, en daardoor worden zij voor de gewone burgers nog onbegrijpelijker. De hoofdpersonen zoeken een creatieve weg om de oorspronkelijke levendigheid van het leven te hervinden. De literatuur spreekt dan ook wel van de ‘dansende burger’ als typering van Van Schendels hoofdpersonen. Dansend zoekt de (anti-)held de beknelling van zijn milieu te overwinnen, en er op eigen wijze trouw aan te blijven. De hoofdpersonen hebben dus weinig greep op hun leven, maar zij hebben wel iets heroïsch. Zij willen geen compromissen sluiten, niet sjoemelen. Het zijn eenzame figuren die alle iets weg hebben van de typische anti-held.

3.Het naturalisme bepaalt de ideeën van deze romans. Volgens het naturalisme is de mens immers een onderworpene, maar dan aan het lot. Tragiek en noodlot zijn bepalend voor wat er gebeurt. Het fatum heeft een mysterieuze macht, net als in de Griekse tragedies, wat echter niet betekent dat de mens niet verantwoordelijk zou zijn of eigen beslissingen zou kunnen nemen. Zijn handelen, de menselijke geschiedenis wordt echter opgenomen in de grotere geschiedenis van het fatum, dat niet alleen verschrikkelijk is, maar tegelijk kan troosten, zoals bijvoorbeeld blijkt in de roman ‘De waterman’. Hier symboliseert het water zowel de persoonlijke vrijheid, die Maarten Rossaart zich verwerft tegen de burgerlijke en religieuze conventies in, als ook het noodlot én ook de troost. Het water is zijn vrijheid en hij vindt er de troost in zijn eenzaamheid, maar het wordt ook de dood van zijn kind, het ongeluk van zijn vrouw en het kost hem het leven. Maar dan geeft hij zich zonder strijd aan het water over.

4.Ook in stijl en vertelsituatie komen de Hollandse romans sterk overeen. De vertelsituatie is overwegend auctoriaal en de stijl is beknopt en eenvoudig, heeft iets afstandelijks. Dit wordt echter verlevendigd door vrij veel dialoog, zowel in de directe als de indirecte rede.

De trilogie van het calvinisme

Drie van de Hollandse romans worden ook wel ‘de trilogie van het Nederlandse protestantisme’[1] (Ter Braak) genoemd. Het gaat dan om ‘Een Hollands drama’, ‘De rijke man’ en ‘De grauwe vogels’. In deze romans komt behalve het burgerlijke, ook het calvinistische milieu sterk naar voren.[2] Van Schendel was zelf niet kerkelijk. Hij was van katholieke oorsprong, maar daar deed hij niet actief iets mee. Hij geloofde wel in een hoogste wezen dat alle dingen regeert; een Schepper en onderhouder. Ook de calvinistische antropologie deelt hij: de mens wil misschien wel goed zijn, maar als hij het probeert, gaat het ook steeds weer mis, omdat hij ten diepste niet goed is. Romeinen 7 klinkt hier door (en speelt letterlijk een grote rol in ‘Een Hollands drama’). Maar daarnaast is de oudtestamentische sfeer sterk, doordat het niet-kunnen zo breed in het gewone leven getoond wordt. De sfeer van Van Schendels werk doet denken aan de Prediker.

Het gereformeerde geloof speelt in deze romans een belangrijke rol, en het wordt niet vertekend, maar juist diep invoelend naar zijn intenties geschetst. De negatieve aspecten komen evenwel ook helder naar voren. Het burgerlijke milieu en de gereformeerde predestinatieleer worden hier met het naturalisme verbonden. De hoofdpersonen leven in een wereld van onwrikbare conventies, die ook de religieuze conventies zijn. Het op zichzelf waardevolle streven naar een deugdzaam en tot eeuwige zaligheid leidend leven is hier verworden tot het moeten opvolgen van een berg zinloze regels. De predestinatiegedachte drukt zwaar op het menselijk bestaan. Het calvinisme lijkt een natuurlijke partner van het naturalisme.

We bespreken hieronder deze ‘trilogie van het calvinisme’.

Een Hollands drama (1935)

‘Een Hollands drama’ draait om de strijd en ondergang van Floris Berkenrode en Gerbrand Werendonk. Zij gaan beiden ten onder aan een dwangvoorstelling, en bij beiden is dit een onevenredig groot schuldgevoel en zondebesef. Bij Gerbrand is het meer schuldgevoel, bij Floris meer zondebesef. De roman begint ermee dat Gerbrand bij de boekhouding een oud kasboekje van zijn vader vindt. Bij Gerbrands geboortedag staat de aantekening: ‘een kind als het geboren wordt is zo wit als sneeuw, maar wie wel toeziet bemerkt op de sneeuw een rode vlek, dat is de zonde.’ Deze tekst komt telkens terug in de roman, en vormt het belangrijkste leidmotief. Daarnaast wordt op enkele belangrijke momenten Romeinen 7 gelezen, over het kwade dat men niet wil maar toch doet. Voor Floris is dit heel herkenbaar, omdat hij een aangeboren neiging heeft tot liegen en stelen. Hij lijdt eronder en probeert deze neigingen van jongs af aan te overwinnen. De oprechte steun van anderen helpt hem toch niet, zelfs niet die van Wijntje, die in de roman een contrastfiguur van Floris is en het goede en zuivere verpersoonlijkt. Uiteindelijk zal Floris uit overmatig zondebesef zelfmoord plegen (net als zijn vader gedaan had, maar deze deed het omdat hij niet opgewassen is tegen de gevolgen van zijn daden; hij had een grote schuld opgebouwd, die hij niet meer afbetalen kon, maar die na zijn zelfdoding wel afbetaald moet worden door de familie). Het noodlot en de menselijke zwakte zijn sterker dan de goede invloeden van buiten.

Naast Floris hebben we Gerbrand. Hij heeft Floris in huis genomen toen diens vader overleden was, en tracht Floris goed op te voeden. Hij is een sterke persoonlijkheid (“zo had zij (Agnete, Floris’ moeder) als kind wel gedacht wanneer er van de profeten verteld werd”, staat er over hem), heeft wel de zwakheden van zijn vader, maar hij geeft niet op en probeert Floris te redden, tot op het laatste moment. Dan is er in het brandende huis een poging van Gerbrand om Floris te redden, maar in de worsteling die volgt, komen zij allebei om.

Om Gebrand en Floris heen staat een koor van minder belangrijke personages, die goede of kwade invloed op beide personen uitoefenen en commentaar leveren op de gebeurtenissen.

De rijke man (1936)

“Engelbertus Kompaan ontvangt zeven keer een erfenis en al die keren geeft hij het geld uit aan echt en vermeend goede doelen. Zijn levensgeschiedenis is geënt op de ontmoeting tussen Jezus en de rijke jongeling, een verhaal waaraan de roman enkele keren refereert. Kompaan geeft namelijk niet weloverwogen weg, hij schenkt blindelings. Hij geeft ook aan mensen die het niet nodig hebben en onthoudt het geld op die manier in feite aan de armen. Hij ziet dat zelf wel in, al na de tweede erfenis, maar hij vervalt steeds weer in dezelfde fout. Hij is een impulsieve weldoener, een verkwister. Hij wil zelfs niet anders. Wie verstandig en met overleg weggeeft, maakt volgens hem van dat weggeven een beroep. Dat wenst hij niet.”

De grauwe vogels (1937)

De hoofdpersonen in dit boek zijn Thomas en Kasper Valk. Het zijn zonen van dezelfde vader maar van verschillende moeders. De vader van beiden en de moeder van Kasper sterven jong, zodat anderen zich over de jongens ontfermen. Thomas komt bij familie, Kasper bij twee juffrouwen. De halfbroers houden contact. Kasper zal tuinman worden, en Thomas zal als luitenant naar Indië gaan. Thomas heeft een neiging tot het kwade en pakt op een zekere dag een geweer dat hij aanlegt op Heiltje, het vriendinnetje van Kasper – uit spel maar met verschrikkelijke gevolgen. Hij raakt Thomas in zijn gezicht, die bijna blind wordt en geen soldaat meer kan zijn. Kasper en Heiltje nemen de verbitterde Thomas in huis.

Heiltje is een zeer gelovige vrouw, die gelooft in de Voorzienigheid, maar Kasper niet. Hij houdt zich echter wel aan het liefdegebod, in concreto de liefde tot Thomas.

Het noodlot blijft echter toeslaan. Mede door Thomas verdrinkt een van de kinderen van Kasper; nog een ander kind sterft van ziekte. De zoon Tom vertrekt als soldaat naar Indië, krijgt daar een ongeluk en pleegt zelfmoord. Het enige kind dat overblijft is een zorgenkind. Ook op het bedrijf kampt Kasper vaak met tegenslag. Thomas wordt steeds meer waanzinnig en gevaarlijk, en slaat uiteindelijk Heiltje dood.

Grauwe vogels: de titel verwijst naar Thomas en Kasper die grauw zijn van triestheid en vogels in de zin van ongeluksvogels en om de vorm van hun gezichten. In hoofdstuk 1, 7, 11 en 14 komt de verwijzing licht verschillend terug.

Gezamenlijke thematiek

Deze drie romans vormen een trilogie. Menno ter Braak heeft de eerste ‘de tragedie van het sparen’ genoemd, de tweede ‘de tragedie van het geven’ en de derde ‘de tragedie van het ongeloof’.[3] Garmt Stuiveling heeft daartegen ingebracht, dat alle drie de romans ‘tragedies van het geven’ genoemd kunnen worden. In ‘Een Hollands drama’ is het geven: je verantwoordelijkheid nemen. Hier roept het calvinisme toe op. De mens moet er zijn voor God en de naaste, hij moet wat van zijn leven maken, hij is daartoe geroepen. Maar hij faalt jammerlijk.

In ‘De rijke man’ is het geven: geld weggeven. Onbegrensde liefdadigheid. Ook deze tragedie grondt in de christelijke inspiratie.

In ‘De grauwe vogels’ is het geven: de onberedeneerde naastenliefde. Hier komt de tragedie evenwel niet meer voort uit het christendom; deze naastenliefde kan juist gepaard gaan met een agnostische levenshouding. Van Schendel onderscheidt hier meer tussen karakter en geloof.

Literatuur:

Primair (werken van Arthur van Schendel)

Een zwerver verliefd (1904)

Een zwerver verdwaald (1907)

De mensch uit Nazareth (1916)

De Waterman (1933)

Een Hollands drama (1935)

De rijke man (1936)

De grauwe vogels (1937)

Secundair

G.H. ’s Gravesande, Arthur van Schendel, Zijn leven en werk, Amsterdam 1949

Menno ter Braak, In gesprek met de vorigen, 1938

Stuiveling, ‘Arthur van Schendels drie gestalten’, in: Steekproeven, Amsterdam 1950.

[1] Menno ter Braak, In gesprek met de vorigen, Rotterdam 1938.

[2] Overigens speelt dit ook een belangrijke rol in de andere Hollandse romans.

[3] Ter Braak, In gesprek met de vorigen