110 / Ignatius / Brieven

Brieven van bisschop Ignatius aan vijf gemeenten in Klein Azië (de Efeziërs, de Magnesiërs, de Tralliërs, de Filadefiërs en de Smyrnaeërs), aan de gemeente van Rome en aan bisschop Polycarpus. Volgens Eusebius zijn ze geschreven toen Ignatius zijn martelaarschap afwachtte. Dan zouden ze aan het begin van de tweede eeuw ontstaan zijn.

De vijf brieven aan de gemeenten in Klein Azië getuigen van dankbaarheid, maar bevatten ook vermaningen om de eenheid te bewaren en weren zich tegen dwaalleer. Opvallend is de nadruk op het God-zijn van Jezus, ook in zijn lijden: “gij zijt navolgers van God, tot leven gekomen door het bloed van God” (aan de Efeziërs) en “Er is één arts, vleselijk en geestelijk, geboren en ongeboren, God in het vlees gekomen, in de dood waarachtig levend, zowel van Maria als uit God afkomstig, eerst onderworpen aan het lijden, toen niet meer in staat te lijden: Jezus Christus onze Heer.” (aan de Efeziërs) Dit lijden is geen schijn. Ignatius neemt hier het anti-docetisme van bijvoorbeeld de Johannesbrieven over: “Jezus Christus leed niet, zoals sommige ongelovigen zeggen, in schijn. Zelf zijn ze schijn.” (aan de Smyrnaeërs) Van daaruit wordt ook positief gesproken over het lijden van een christen en wordt zelfs de term ‘losprijs’ voor het sterven van Ignatius gebruikt: “Ik ben een losprijs voor u” (aan de Efeziërs). “Door zijn kruis roept hij u, als zijn ledematen, tot zijn lijden.” (aan de Tralliërs) Hij vermaant Polycarpus dan ook: “Sta stevig als een aambeeld waarop men slaat.” (aan Polycarpus).

Ignatius deelt aan de Romeinen mee dat hij komt en dat ze zijn martelaarschap niet moeten verhinderen. “Laat me toch voedsel zijn voor de dieren. Daardoor kan ik tot God komen. Ik ben de tarwe van God en door de tanden van de dieren word ik gemalen opdat ik zuiver brood van Christus zal blijken te zijn.” “Het is schoner te sterven voor Jezus Christus dan te heersen over de uiteinden der aarde.” “Staat me toe navolger te zijn van het lijden van God.”

Uitgave: A.F.J.Klijn, Apostolische Vaders 1, Kampen 1992, 79-115