Ankerplaatsen, Bonhoeffer en Wim Dekker

Toespraak bij de feestelijke presentatie van het boek “Ankerplaatsen. Waar geloven houvast vindt” (Boekencentrum), op 22 mei 2015, in de Oude kerk te Ermelo, en de aanbieding van dit boek aan Wim Dekker, ter gelegenheid van zijn emeritaat.

Door Willem Maarten Dekker.

Hoogeëerd publiek,

I.

Sommige mensen ontwikkelen zich sneller dan je kunt bijhouden. Het boek dat vandaag verschijnt, ‘Ankerplaatsen’[1], is vandaag ook alweer verouderd, omdat in ieder geval één van de bijdragen in dit boek, de mijne[2], gaat over iemand die nog niet is uitgeschreven, en die waarschijnlijk nog wel een boek gaat schrijven, en zelf nog niet weet wat er in dat boek zal komen te staan, laat staan dat wij het al weten.

Het onfortuinlijke deed zich voor, dat mijn vader Wim Dekker exact in de periode dat wij dit boek schreven, zelf ook weer aan een boek bezig was, namelijk het boek “Tegendraads en bij de tijd. Verder in het spoor van Bonhoeffer”[3]. En verder in het spoor van “Marginaal en missionair”[4]. Dat verder gaan zien we niet alleen aan de even paradoxale titel, maar ook aan het aantal bladzijden. “Tegendraads en bij de tijd” telt 208 bladzijden, en “Marginaal en missionair” ook.

Het aantal bladzijden is dus het enig voorspelbare aan het volgende boek van Wim: 208 bladzijden. En de titel, ja de titel natuurlijk ook. Ik zet mijn kaarten op de titel: “Dwars en actueel.” Met als ondertitel: “Verder in het spoor van tegendraads en bij de tijd”.

II.

Zonder dollen, de titels zeggen veel. De titels van de laatste twee boeken van Wim spreken allebei een paradox uit. De wijsheid waar Wim in zijn relatieve ouderdom bij uitgekomen is, is er een meer paradoxale verhouding van kerk en wereld. Het gaat niet meer alleen om nabijheid, het gaat in de nabijheid ook om de distantie. Zonder distantie is er geen nabijheid. De predikant moet niet alleen dichtbij de hoorder zijn, maar ook op de kansel blijven staan en zijn toga aanhouden. De kerk moet op zijn tijd ook met haar rug naar de wereld gaan staan, omdat zij alleen in de omwending van God uit de wereld nabij kan zijn.

Dat was eerder in het werk van Wim nog niet zo. Eerdere boeken hadden titels als: “Om de verstaanbaarheid”[5] en “Dichtbij de hoorder”[6]. Daar zit geen paradox in. De relatie van de kerk tot de wereld is dan eigenlijk eenduidig. Wat afgewezen wordt, is een kerk die zich in zichzelf opsluit, respectievelijk een preek waar de dominee zich in opsluit. Het gaat met andere woorden om directe en heldere en echte, bij de tijdse communicatie. Het staat in feite dichtbij het programma zoals dat in de Hervormde kerk na de oorlog ontwikkeld is. In de relatief afgeschermde wereld van de Gereformeerde Bond ging het dan om zich afzetten tegen een traditionele, voorspelbare, niet meer echt communicerende prediking en theologie en een pleidooi om meer onder de mensen te komen, onder de hoorders en vandaar uit opnieuw de zaken te doordenken. Het leven gaat voor de leer. Dit is ook de missie geweest van Kontekstueel, het tijdschrift waarvan Wim in 1986 één van de oprichters was. Kontekstueel met een K en de ondertitel “Tijdschrift voor gereformeerd belijden nú”, met dat ongeduldige accent op ‘nú’. Dat accent zegt alles.

III.

Wim Dekker is nu dus aangeland bij de paradox. Dit paradoxale zit dan niet alleen in de verhouding van kerk en wereld, maar ook in het onderwerp waar ons boek over gaat, namelijk de vraag waar geloven houvast vindt. In dit boek, Ankerplaatsen, heb ik een hoofdstuk geschreven over hoe het in het werk van Wim zit met de ankerpunten van het geloof. Waar vindt het geloof volgens Wim houvast? Op dat punt constateer ik twee lijnen in zijn werk. De eerste lijn zegt: het geloof vindt alleen een anker in God zelf. Dit kan dan nader gepreciseerd worden als: in Gods verkiezing, of: in Gods Woord. Maar wezenlijk betekent het: in God zelf. “Ik ben als een vlieg aan het plafond”, luidt Wims letterlijk gevleugelde uitspraak, die in dit verband de kern aangeeft.

Er is echter ook een andere lijn, die onder meer in zijn proefschrift[7] duidelijk wint. Dit is de lijn die stelt dat het geloof wél een houvast vindt in een algemene kennis, waarvoor dan vooral de geschiedenis en de basale menselijke emoties en ervaringen moeten dienen. Pannenberg en Houtepen winnen het dan heel duidelijk van Miskotte. Wim schrijft in zijn proefschrift: “De christelijke traditie is een bijzondere invulling van een niet-immanent paradigma.”[8] Het is dus de verbijzondering van iets algemeens. Dit is een opvallende conclusie, omdat zij diametraal ingaat tegen de grondgedachte van Miskotte en van de idee dat het geloof zijn anker alleen vindt in het Woord of de verkiezing.

Ik concludeer in dat hoofdstuk dat beide lijnen in het werk van Wim Dekker nergens in een synthese verbonden worden. De paradox is vooral de vermeende ruimte om nu eens het ene, en dan weer het andere te zeggen.

IV.

Aangezien er nu een nieuwe publicatie aan Wims oeuvre toegevoegd is, wil ik vanavond een stap verder gaan en bezien hoe in deze nieuwe publicatie de ankerplaatsen van het geloof aan de orde komen, in vergelijking met het eerdere werk.

Het nieuwe boek van Wim gaat over Bonhoeffer. Als het over Bonhoeffer en de ankerplaatsen des geloofs gaat, dan zijn met name zijn beroemde brieven uit de cel van belang.[9] Naar mijn idee is dit ook nog steeds het meest interessante van wat Bonhoeffer ons heeft nagelaten. Het is ook het meest discutabel. Zoals bekend is de Bonhoeffer receptie eigenlijk pas echt begonnen in de jaren zestig, toen er maatschappelijk en cultureel, maar daaraan verbonden ook kerkelijk en theologisch een revolutie in Europa plaatsvond. Toen begon ineens, en massaal, de kerkverlating. Toen gingen theologen ook anders over God spreken. En die revolutie is nog steeds gaande. Bonhoeffer werd toen de profeet van het post-theïsme. In 1963 kwam het boek ‘Honest to God’ uit van de Anglicaanse bisschop James Robinson[10], en in dat boek vormt Bonhoeffer samen met Bultmann en Tillich de kroongetuigen. In die tijd had men in wat ik nu maar met een onhandige term de orthodoxie noem geen aandacht voor Bonhoeffer.

Dat is nu, zeventig jaar na zijn dood, wel anders. Dat heeft ongetwijfeld te maken met Bonhoeffers martelaarsdood. Zijn dood heeft hem beroemd gemaakt, vooral ook omdat die hem tot meer dan theoloog maakte. In ons anti-theologische Zeitalter is dat voor Bonhoeffer de redding. Toch zal ik niet zo ver gaan als een begenadigd predikant, die in verband met Bonhoeffer en de aandacht voor hem het woord van Jezus aanhaalde, die zegt: ‘Waar het lijk is, verzamelen zich de gieren’[11]

want de aandacht voor Bonhoeffer heeft ook te maken met de recente veranderingen in de gereformeerde gezindte. Dekker wijst daar ook op in zijn boek. Hij schrijft: “De Evangelische Omroep, de Christen Unie, de Gereformeerde kerken vrijgemaakt stapten in vrij korte tijd over van het model van de antithese naar het model van kritische participatie en samenwerking. Dat verklaart waarom Bonhoeffer bij de christenen die zich tot deze bewegingen rekenen, ook zo snel in de belangstelling is komen te staan.”[12] Dat lijkt me juist.

Ik zou er echter dit nog aan willen toevoegen: laten we ons niet alleen afvragen waarom de zogenaamde orthodoxie zich nu wel voor Bonhoeffer interesseert, maar ook waarom de hoofdstroom van kerk, theologie en cultuur, zich vijftig jaar geleden wel, maar nu juist níet meer voor Bonhoeffer interesseert. Als we denken dat wij nu bij de tijd zijn door Bonhoeffer aan de orde te stellen, vrees ik dat we ons zeer vergissen. We lopen dan eerder opnieuw zo’n vijftig jaar achter de feiten aan. In de jaren 60 en 70, toen was je bij de tijd als je Bonhoeffer las; nu niet meer.

Waarom niet? Omdat Bonhoeffer in zijn gevangenisbrieven een kwestie heeft aangekaard, waar de theologie al lang mee verder gegaan is. We kunnen daarom niet nu Bonhoeffer gaan lezen, alsof de trein nog op dat station staat. De huidige theologie en kerk zijn al lang aan Bonhoeffer voorbij, en als ik het goed zie, op twee manieren. Er is een groep die zegt: Bonhoeffers denken is de aanzet tot een post-theïsme, en in dat spoor moeten we verder. Je kunt dan nog op verschillende punten uitkomen, maar je neemt in ieder geval de kritiek op de matafysica over en je gaat zoeken naar een heel nieuwe manier van spreken over Gods bestaanswijze. Hij bestaat níet zoals voorgesteld in het huis-tuin-en-keuken-beeld van veel gelovigen, namelijk als de Almachtige maar Vaderlijke Heerser die ergens vanuit zijn eigen hemels paleis de zaken op aarde in de gaten houdt en bestuurt. Maar ook niet zoals meer sophisticated voorgesteld in de wijsgerige theologieën van Thomas van Aquino, Descartes, of Kant. Je kunt in tegenstelling daarmee dan gaan spreken over een God-zonder-zijn (Jean-Luc Marion), een God anders of voorbij het zijn (Lévinas), een God die niet bestaat (K. Hendrikse), het geheimenis van de liefde (E. Jüngel), de grond van het zijn (Tillich), de aanspraak of de lokroep uit de toekomst (Dingemans) of hoe dan ook – maar echt anders dan in de traditie.

Deze post-theïstische denkwijze gaat echt verder in het spoor van Bonhoeffer. Ik denk dat de liberale interpretatie van Bonhoeffer uit de jaren 60 en 70 globaal gesproken meer recht doet aan Bonhoeffers intenties, dan de huidige neo-orthodoxe en evangelicale interpretatie, die, zoals Wim in zijn boek ook laat zien, de gevangenisbrieven in feite buiten beschouwing laat en daardoor ook de rest anders interpreteert. Laat ik één voorbeeld noemen. Op een gegeven moment komt Bonhoeffer te spreken over de ontmythologiseringsgedachte van Bultmann.[13] Bultmann stelt dat er in het Nieuwe Testament allerlei mythologische voorstellingen een rol spelen, die onmogelijk in het moderne wereldbeeld in te passen zijn, en dat wij die delen moeten ontmythologiseren, om de ware, existentiële kern van het kerugma te ontdekken. Hoe reageert Bonhoeffer hierop? Hij zegt niet: Bultmann gaat te ver. Nee, Bonhoeffer zegt: Bultmann gaat niet ver genoeg. Want Bultmann gaat er nog van uit dat er slechts bepaalde voorstellingen in het Nieuwe Testament zijn, zoals wonderen, en de hemelvaart, die mythologisch zijn; maar in werkelijkheid is het hele evangelie mythologie; inclusief het woord ‘God’. Daarom, zegt Bonhoeffer, moeten wij alles ontmythologiseren, alles niet-religieus interpreteren, ook het woord ‘God’ zelf. Zulke teksten liggen toch veel dichter bij het huidige post-theïsme dan bij de evangelicale theologie.

Daarom is het begrijpelijk dat er ook een andere Bonhoeffer receptie geweest is, namelijk de receptie die Bonhoeffer verwierp. Omdat men zag dat dit de aanzet was tot een post-theïstische theologie, verwierp men deze gedachten van Bonhoeffer. Deze lijn gaat nu door in de neo-apologetiek, zoals we die tegenkomen in boeken met verheven titels als “God bewijzen”[14] en “En dus bestaat God. De beste argumenten”[15]. Toen ik de laatste titel onder ogen kreeg, vermoedde ik dat deze humoristisch of sarcastisch bedoeld was. Maar de Lispeltuut fluisterde mij in dat humor bij theologen niet zo vaak voorkomt, en helaas: de titel was serieus bedoeld.

In deze neo-apologetiek wordt precies gedaan wat Bonhoeffer zo vehement heeft afgewezen, namelijk in het spoor van Thomas, maar ook van Descartes, Kant en Schleiermacher, een algemene bodem wil leggen, waar de bloem van het bijzondere christelijke geloof dan op groeien moet.

Beide recepties zijn helder; maar zij maken ook duidelijk dat wij niet meer terug kunnen naar Bonhoeffer. Daarom is de interessante vraag, welke positie Wim Dekker nu inneemt in dit debat. En dan blijkt weer: de paradox gebruikt hij als ruimte om nu eens dit, en dan weer dat te zeggen. En zo spreekt hij in zijn laatste boek de oplossing, die hij zelf in zijn proefschrift heeft aangedragen, tegen. Ik zal dat illustreren.

Dat proefschrift ging dus over de afwezigheid van God in het denken van Pannenberg, Miskotte en Houtepen. Wim eindigt dit proefschrift met het voorstel om in de benadering van seculiere, agnostische niet-christenen te kiezen voor een zogenaamde tweetrapsbenadering.[16] In de eerste trap gaat het om het openbreken van het gesloten wereldbeeld, zodat er weer een algemeen trascendentiebesef komt. De tweede trap is dan de communicatie van de God van de Bijbel als de ware invulling van de algemene transcendentie. Deze twee trappen zijn onomkeerbaar.

Bonhoeffer zou dit idee van de tweetrapsbenadering met grote felheid afwijzen. Daarin is hij één met Barth en Miskotte. Het christelijk geloof is géén verbijzondering van een algemeen transcendent paradigma. Sterker nog: de tijd dat wij zo’n eerste trap konden aanleggen of veronderstellen is voorgoed voorbij. Wij moeten het geloof niet-religieus interpreteren, dat wil zeggen zonder algemene basis, niet op de basis van Thomas, niet op die van Descartes, of Kant, of Schleiermacher, of wie dan ook, dus, doorgetrokken naar vandaag, ook niet op de basis van Houtepen of Pannenberg of onze vrienden van de ongewild ironische boektitel ‘De beste argumenten voor God’.

Wim Dekker is in zijn laatste boek zo van dit briefbetoog van Bonhoeffer onder de indruk, dat hij er een eind in meegaat en het zo interpreteert dat een gelovige voor een goed deel agnost kan zijn. Hoe ver dit agnosme dan precies kan gaan, wordt niet helemaal duidelijk, maar duidelijk is wel dat dit precies hetgene is wat de tweetrapsbenadering ontkende. Een atheïst of agnost moest dan immers juist eerst van zijn immanente wereldbeeld verlost worden, om Jezus te kunnen aannemen.

Ergo: de vraag naar het houvast van het geloof wordt in het werk van Dekker steeds verschillend beantwoord, in dit nieuwe boek over Bonhoeffer weer anders dan in zijn proefschrift. Met andere woorden: ook na zijn emeritaat is er voor Wim nog werk te doen. Wij mogen niet alleen een nieuw boek van 208 bladzijden van hem verwachten, hij is er ook toe genoodzaakt.

Ik dank u voor uw welwillende aandacht.

[1] W.M.Dekker e.a. (red.), Ankerplaatsen. Waar geloven houvast vindt, Zoetermeer: Boekencentrum 2015. Met bijdragen van Wessel ten Boom, Gijsbert van den Brink, Willem Maarten Dekker, Gerard den Hertog, Hans de Knijff, Gerard de Korte, Bert de Leede, Arjan Plaisier, Ciska Stark en Benno van den Toren.

[2] ‘Ankerplaatsen. Een systematische peiling naar het gebruik van ‘ankerplaatsen’ in het werk van Wim Dekker’, in: Ankerplaatsen, 11-27.

[3] Zoetermeer: Boekencentrum 2015.

[4] Zoetermeer: Boekencentrum 2015, vijfde druk.

[5] W. Dekker en P.J. Visser (red.), Om de verstaanbaarheid. Over bijbel, geloof en kerk in een postmoderne samenleving, Zoetermeer: Boekencentrum 2002.

[6] W. Dekker en J. Douma (red.), Dichtbij de hoorder. Prediking en trends, Kampen: Kok 2007.

[7] W. Dekker, Afwezigheid van God. Een onderzoek naar antwoorden bij W. Pannenberg, K.H. Miskotte en A. Houtepen, Zoetermeer: Boekencentrum 2011.

[8] Idem, 247.

[9] Bonhoeffer, Widerstand und Ergebung. Vertaald onder de titel: Verzet en overgave.

[10] Vertaald onder de titel ‘Eerlijk voor God’ (Amsterdam: Ten Have 1963).

[11] Lukas 17:37.

[12] “Tegendraads en bij de tijd”, 166.

[13] Brief van 5 mei 1944. (D. Bonhoeffer, Widerstand und Ergebung, München 1966, derde druk (Siebenstern Taschenbuch), 136.

[14] Van S. Paas en R. Peels (Amsterdam 2013).

[15] Van E. Rutten en J. de Ridder (Amsterdam 2015).

[16] ‘Afwezigheid van God’, 225vv.