Breukelman, Biblische Theologie II: Debharim

Frans Breukelman, Biblische Theologie II, Debharim, Der biblische Wirklichkeitsbegriff, Kampen: Kok 1998, 366 p.

De Stichting Breukelman, waarin onder andere de Amsterdamse hoogleraren N.T. Bakker en K.A. Deurloo zitting hebben, is al jaren geleden begonnen met een groots project: de uitgave van het Verzameld Werk van de theoloog Frans Breukelman (1916-1993). De complete serie ‘Bijbelse Theologie’ moet vijf delen gaan omvatten, elk deel bestaande uit meerdere banden, zodat in totaal twaalf boeken zullen verschijnen. Inmiddels zijn al zes boeken verschenen: één over de exegetische methode die Breukelman ontwikkeld heeft (1980), één over de theologie van het boek Genesis (1992), twee over de theologie van het evangelie naar Mattheüs (1984 en 1996), één deel met dogmatische en hermeneutische opstellen (1999), en het nu te bespreken boek over het bijbelse ‘Wirklichkeitsbegriff’.

Het boek bestaat uit zeven paragrafen. In de eerste paragraaf legt Breukelman uit dat zijn van God en het zijn van de mens altijd een zijn in de daad is. Het andere zijn, het zijn in de on-daad, is geen echte mogelijkheid, is geen echt zijn.

Dit zijn-in-de-daad wordt vervolgens inhoudelijk gevuld in de volgende zes paragrafen. Allereerst geldt dan dat het zijn-in-de-daad een zijn-in-gemeenschap is. Gemeenschap tussen God en mens en mensen onderling. Alle daden van God zijn dan ook ‘Bundestaten’. Het hele doen van God is dit ene doen: een God van mensen zijn, metterdaad. Neutraliteit is dan ook uitgesloten. God en mens horen bij elkaar. En daarom kan de mens niet God-loos mens zijn. Dat is ‘ontologisch onmogelijk’.

In de derde paragraaf, ‘Das Sein in der Tat als ein Sein im Gespräch’, blijkt vervolgens dit gebeuren geen zwijgend, stom gebeuren te zijn, maar het spreekt. Het is het geschieden van een dabhar. God zegt wat Hij doet, om dan ook te doen wat Hij zegt. Puur spreken of puur doen kent de bijbel niet. Die twee zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

De paragrafen 4 en 5 vormen de kern van het boek. De kwaliteit van de daden komt daar naar voren. De daden blijken heilsdaden te zijn. Breukelman bespreekt dit aan de hand van twee Hebreeuwse begrippenparen: tsedaka en mispat enerzijds en Chesed en emet anderzijds.

Het gaat hier om begrippenparen, omdat er in de bijbel ‘geen internum is zonder ad extra’: Geen tsedaka die niet openbaar wordt in het doen van mispat, en omgekeerd geen mispat die niet de realisering is van de tsedaka. De eenheid van spreken en doen keert hier op een andere manier terug.

Zo bestaat het boek voor een groot gedeelte uit het bespreken van centrale bijbelse (oudtestamentische) begrippen, om op die manier de structuur van het bijbelse spreken op het spoor te komen. Naast bovengenoemde begrippen wordt in paragraaf 7 ook het begrip ‘dabhar’ uitvoerig besproken. Breukelman bespreekt deze begrippen voortdurend vanuit de oudtestamentische teksten zelf, waardoor het boek heel wat exegetischer is dan het vanuit het verslag hierboven wellicht lijkt.

Het boek is perfect uitgegeven. Het is duidelijk wanneer de redactie iets aan de tekst van Breukelman heeft toegevoegd, en met name de registers op bijbelplaatsen zijn erg handig. De CD die bij het boek hoort is een lust voor het oor; daarop hoor je Breukelman gepassioneerd college geven over de stof van het boek. Het aardige van deze manier van theologiseren is wel dat het een brug tracht te slaan tussen de bijbelwetenschappen en de systematische theologie. Voor diegenen die niet anders kennen dan de Utrechtse wijzen van theologiseren is het wel een heel andere wereld; bovendien moet je flink doorbijten om er echt grip op te krijgen. Al met al een zeer waardevol boek.