1999 / Breukelman / Bijbelse theologie IV/2

Recensie van Frans Breukelman, Bijbelse Theologie IV/2, Theologische opstellen, Kampen: Kok 1999, 442 p. ISBN 90 435 0068 2

 

De Stichting Breukelman, waarin onder andere de Amsterdamse hoogleraren N.T. Bakker en K.A. Deurloo zitting hebben, is al jaren geleden begonnen met een groots project: de uitgave van het Verzameld Werk van de theoloog Frans Breukelman (1916-1993). De complete serie “Bijbelse Theologie” moet vijf delen gaan omvatten, elk deel bestaande uit meerdere banden, zodat in totaal twaalf boeken zullen verschijnen. Inmiddels zijn al zes boeken verschenen: één over de exegetische methode die Breukelman ontwikkeld heeft (1980), één over de theologie van het boek Genesis (1992), twee over de theologie van het evangelie naar Mattheüs (1984 en 1996), één deel over het bijbelse werkelijkheidsbegrip (1998) en het nu te bespreken deel met theologische opstellen.

Het boek bestaat uit een aantal artikelen, opstellen en scripties van Frans Breukelman. Sommige van deze artikelen zijn eerder in verschillende bundels verschenen, maar hier vanwege de thematiek opnieuw opgenomen. Het geheel is ingedeeld in drie thematische delen: hermeneutiek, orthodoxie en tijdspiegel.

Het eerste deel bevat onder meer het stuk `dogmatiek als hermeneutiek’. In dit opstel vinden we Breukelman’s programma voor zijn latere theologische arbeid. De titel geeft aan dat volgens Breukelman de dogmatiek weergeeft hoe in een bepaalde tijd de Schrift wordt verstaan. Ook in de dogmatische bezinning is men ten diepste bezig met Schriftuitleg. Breukelman stelt in deze studie de Kirchliche Dogmatik van Barth tegenover de Institutie van Calvijn, en dan met name op het punt van de Godskennis: eenvoudige (Barth) tegenover tweevoudige (Calvijn) Godskennis. Breukelman had dit opstel allereerst bedoeld als bijdrage aan een feestbundel voor K. Barth, maar het stuk werd veel te uitgebreid en moest toen het eerste deel worden van zijn `Bijbelse Theologie’, geschreven in het Duits. Dit eerste deel is nu in vertaling opgenomen, terwijl het tweede van de vier delen afzonderlijk in het Duits is uitgegeven onder de titel Debharim. Das biblische Wircklichkeitsbegriff des Seins in der Tat. (Kampen 1998).

Het tweede deel bevat onder meer een college over de verzoening, waarbij Breukelman vanuit de theologie van Barth (`Er is hier een beslissing gevallen, waar de ecclesia mondiaal niet meer achter terug zal blijken te kunnen gaan’, p. 298) het gesprek zoekt met de traditie, en dan opnieuw met name zoals die verwoord is door Calvijn. Hij geeft in dit college een antwoord op de vraag, dat Barth door met drie woorden te spreken – Schepping-Verzoening-Verlossing – gebroken heeft met de `fatale protestantse gewoonte’ om steeds met twee woorden te spreken: Schepping en Verlossing, Wet en Evangelie.

Het derde deel, `Tijdspiegel’, bevat onder meer een stuk getiteld `Stop de neutronenbom’. Het artikel is echter geen politiek pamflet o.i.d., maar bestaat uit bijbels-theologische opmerkingen bij de discussie over de bewapening.

 

Voor mijn gevoel is er veel veranderd sinds de bloei-jaren van Breukelman. Onder studenten is de belangstelling voor de `Barthiaanse theologie’, en daarmee ook voor Breukelman, behoorlijk geslonken. Het brede midden van de kerk, waarin deze theologie eens bloeide, heeft veel van haar vitaliteit verloren. De band tussen theologie en cultuur – Breukelman mengde zich in allerlei discussies, en christenen uit alle hoeken van de kerk, maar ook Marxisten en agnosten volgden zijn colleges – lijkt soms bijna geheel verbroken. De stem van de kerk wordt in ieder geval nog minder gehoord.

Daarnaast roept de hermeneutiek waarvan Breukelman zich bedient soms wat verbazing op. Het gaat er volgens hem – in navolging van Barth – om, te `lezen wat er staat’. De dogmatiek geeft dan ook de structuur van de bijbelse verkondiging weer. Dat gaat sterk uit van een objectiviteit van de tekst, die wij ook zouden kunnen vatten (hoewel zo’n hermeneutiek pneumatologisch gevuld kan worden). Wij zijn sinds de moderne hermeneutiek (Gadamer, Ricoeur) meer onder de indruk van onze eigen invloed op het verstaan van teksten, en meer huivirig de eigen theologie te presenteren als `bijbelse theologie’.

Wat opvalt in het werk is (1) het voortdurende gesprek met het geheel van de christelijke traditie, en (2) het verlangen in de theologie exegese, dogmatiek en praktische theologie geen drie afzonderlijke segmenten te laten zijn, maar deze voortdurend op elkaar te betrekken, en (3) zo de gehele theologie dienstbaar te laten zijn aan de kerk. Deze noties lijken mij in een tijd, waarin iedereen zich bevindt in een groepje gelijkgezinden en dat veelal ook wel best vindt, van heel grote waarde.

Wat dat betreft is het goed dat door de uitgave van de `Bijbelse Theologie’ van Breukelman, deze theologie weer onder de aandacht wordt gebracht. Het is wel te hopen dat het op deze manier ook enige ingang vindt bij de jonge generatie theologen, die Breukelman zelf niet meer gekend hebben. Of zij dan zoveel kunnen met dit deel, is de vraag. Daarvoor zitten er teveel artikelen tussen die duidelijk `gelegenheidsgeschrift’ zijn, of geen afgerond geheel zijn of een heel sterk thetisch karakter hebben. In alle drie de gevallen zijn de artikelen ongetwijfeld voor de liefhebbers interessant, maar voor anderen minder.