2015 / Dalferth / Tranzendenz und säkulare Welt

I.U. Dalferth, Transzendenz und säkulare Welt, Lebensoriëntierung an letzter Gegenwart (Tübingen: Mohr Siebeck, 2015), XIV + 293 p., € 34,- (ISBN 978-3-16-153836-0).

 

Godsdienstfilosoof Ingolf Dalferth neemt middels dit boek deel aan de huidige discussie over transcendentie en seculariteit, zoals die meer historisch door Ch. Taylor (A secular age) weer aan de orde gesteld is, maar ook door postmoderne filosofen (Badiou, Zizek) gevoerd wordt, en voor de kerken op eigen wijze relevant is. Het boek gaat uit van de tendens om tegenover de secularisatie te pleiten voor een (eventueel reeds waargenomen) ‘herbetovering’ van de wereld, een ‘post-seculiere’ tijd. Dalferth staat hier kritisch tegenover en sluit meer aan bij de continentale traditie die seculariteit als een genuïen product van het christendom ziet, dat primair positief te waarderen is. Het christelijk geloof (en meer algemeen het monotheïsme) heeft een wezenlijke bijdrage geleverd aan de verwereldlijking van de wereld (en zo ook de vergoddelijking van God). God is God en wereld is wereld; hiermee is het geloof dan ook een religiekritisch project. Het gaat volgens Dalferth dan ook niet om het onderscheid tussen een wel of niet religieus leven, maar om de differentie van geloof en ongeloof.

Het boek bestaat uit acht hoofdstukken (A-H), die grotendeels bewerkingen zijn van in tijdschriften verschenen artikelen. In het eerste hoofdstuk stelt Dalferth dat het huidige debat teveel gevoerd wordt vanuit de tegenstelling religieus-seculier, terwijl seculier wel het tegengestelde van religieus is, maar niet persé van gelovig (christelijk). In het tweede hoofdstuk gaat Dalferth in debat met het spreken over een beslissend (‘eschatologisch’) ‘Ereignis’ (gebeuren), zoals dit naar voren komt bij Badiou en Zizek. Hij brengt dit in gesprek met de notie van het ‘Sprachereignis’ uit de Duitse hermeneutische theologie en zoekt van daar uit hoe transcendentie ter sprake gebracht kan worden. Terwijl Badiou uitgaat van een Ereignis dat zelf wezenlijk stom blijft, gaat de theologie uit van een sprekend gebeuren, van God die zichzelf ter sprake brengt en zichzelf uitlegt. Dit gebeuren betekent antropologisch gezien de overgang van ongeloof naar geloof. In het belangrijke derde hoofdstuk legt de auteur uit dat hij met ‘transcendentie’ en ‘immanentie’ geen fysische of metafysische termen bedoelt; de woorden duiden in die zin ‘niets’ aan. Het zijn ‘Orientierungsbegriffe’ (91), die noodzakelijk zijn voor de mens (en de samenleving, cultuur, wetenschap) om zijn leven op een zinvolle en eventueel gelovige manier te kunnen leiden (en denken). In die zin is de filosofie van Dalferth duidelijk post-Kantiaans en ook wat pragmatisch, dat wil zeggen: gericht op de vraag, hoe wij ons leven moeten leiden.

De andere hoofdstukken geven een wijsgerige doordenking van aspecten van het leven voor Gods aangezicht (‘letzte Gegenwart’). Ze gaan over de verhouding van geloof en rede (D), kiezen en beslissen (E) en vervolgens over ontologische vragen: negativiteit (F) en onmogelijkheid (G). De eerder ontwikkelde gedachten worden hier verder uitgewerkt. In het laatste hoofdstuk worden nog enkele opmerkingen gemaakt over de rol van de theologie in een seculiere tijd. Omdat theologie de verantwoorde doordenking van het geloof in God is, en zich dus niet primair oriënteert aan het onderscheid religieus-seculier, heeft zij, of de wereld nu seculier is of niet, de taak eraan te herinneren dat ieder mens leeft voor Gods aangezicht, gelovig of niet.

Dalferth redeneert zuiver wijsgerig, zonder beroep op de Schrift, de traditie of het dogma. Zijn werkwijze heeft iets scholastisch; door het voortdurend onderscheiden, definiëren en verder onderscheiden komt hij verder. Hij voert niet zoveel expliciet het gesprek met anderen, dit gebeurt meer impliciet. Dit alles maakt het boek wat moeilijk leesbaar voor wie geen wijsgerig-theologische scholing heeft ontvangen, en weinig toepasbaar voor wie wat praktisch is ingesteld. Ik vroeg mij ook af of alle onderscheidingen altijd nodig waren. Het boek laat zich in hoge mate lezen als een lange uitwerking van Jüngels opstel ‘Säkularisierung – Theologische Anmerkungen zum Begriff einer weltlichen Welt’ (1972), maar bij Jüngel is toch duidelijker dat het betoog en de onderscheidingen in een inhoudelijk-theologisch (dogmatisch, en daarmee ook kerkelijk) kader staan. Het lezen van dit boek heeft daarom soms iets vermoeiends. Bovendien bevat het een aantal herhalingen. Desalniettemin hebben we hier te maken met een denker die consequent een zelfstandig betoog voortzet en dit voortdurend afzet tegen de meest recente publicaties van belangrijke filosofen en theologen, en niet alleen de Duitstalige.

[gepubliceerd in Theologia Reformata]