2012 / Van den Brink en Van der Kooi / Christelijke dogmatiek

De Mastenbroeker mannenvereniging ‘Onderzoekt de Schriften’ heeft het afgelopen seizoen het boek Prediker bestudeerd. Fantastisch toch dat er overal in den lande niet alleen nog gesprekskringen zijn waar ons geloof en gevoel centraal staat, maar ook nog verenigingen, waar het er om gaat te ontdekken wat er nu echt geschreven staat. Die verenigingen zijn een vrucht van de gereformeerde Reformatie, en tegelijk ook wel van het negentiende eeuwse Bildungs-ideaal. De gewone man en vrouw neemt de tijd om zich te ontwikkelen tot een kundige Bijbellezer. Prachtig. Een traditie die door de opkomende evangelische beweging sterk onder druk staat, maar gekoesterd moet worden. De Bijbel is het specialisme van het protestantisme, en als we dat ook nog kwijt raken is het protestantisme voorbij.
Ik was uitgenodigd om op de laatste vergadering van de mannenvereniging nog een keer met hen terug te blikken op het bijbelboek Prediker als geheel en als onderdeel van de canon. Eigenlijk kwamen op die avond alle vragen aan de orde, die ook aan de orde komen in hoofdstuk 13 van de Christelijke Dogmatiek van Van den Brink en Van der Kooi (verder: CD). Het gaat dan over de dubbele crisis van het protestantse Schriftprincipe. Door de Verlichting is er de kloof ontstaan tussen de tekst en de daarachter liggende historie, en door het postmodernisme is de overtuiging ontstaan dat de Bijbel een kakofonie van stemmen bevat en de definitieve uitleg definitief onmogelijk is. Beide problemen kwamen op de Prediker-avond aan de orde. Aan de ene kant leefde er nog moeite met de gedachte, dat Prediker niet van Salomo zou zijn, maar uit de derde eeuw, en ook met de gedachte dat er minstens twee auteurs aan het boek gewerkt zouden hebben: vruchten van modern onderzoek. Aan de andere kant had men zelf ook wel ontdekt dat Prediker inhoudelijk aan de rand van de Bijbel staat en hier en daar op gespannen voet staat met Profeten en Apostelen, ja zelfs zichzelf tegen lijkt te spreken: de ‘pluraliteit’ die men in het postmoderne onderzoek benadrukt. Daarom kwam men ook zelf met vragen als: hoe is dat boek eigenlijk in de canon gekomen? Wat zegt dat over de Bijbel als Woord van God, en over het gezag ervan? En wat betekent in dat licht dan de inspiratie door de heilige Geest? Daarover hebben we een heel boeiend gesprek gehad.
Deze vragen komen ook aan de orde in hoofdstuk 13 van CD. De ‘oplossing’ die bepleit wordt voor alle vragen die door moderniteit en postmoderniteit aan het Schriftprincipe gesteld zijn, is voor een deel al gegeven met de plaats van dit hoofdstuk in de CD: na de pneumatologie en voor de ecclesiologie. Klassiek protestants is om de Bijbel te behandelen in de prolegomena, als ‘principium cognoscendi’ (kenprincipe) van de christelijke leer. De CD ziet dit als een na-reformatorische ontwikkeling die niet los staat van het funderingsdenken van de Verlichting. De Bijbel moest het ontwijfelbare fundament van de theologie worden, en daarom werden vragen naar betrouwbaarheid en gezag ook zo belangrijk. De CD plaats de Bijbel daarentegen na/in de pneumatologie: zij is net als de belijdenis een middel van de Geest om de gemeente bij het heil te bewaren. Toch staat de Schriftleer vóór de ambtenleer, en niet zoals in de recente ecclesiologie van Van de Beek er parallel naast, want de kerk (inclusief het ambt) leeft toch van het Woord en is niet een gelijkwaardig middel van de Geest.
Door de Schriftleer hier te plaatsen, kan de CD veel moderne en postmoderne Bijbelkritiek incorporeren, zonder dat de dogmatiek daarvan omvalt. Als de Bijbel een door de Geest gewerkt middel is, en de Geest schakelt mensen niet uit maar in, dan komt er ruimte voor het menselijke van de Bijbel, zo ook voor het in historische en kosmologische (etc.) zin feilbare van de Schrift (de moderne kritiek) en de multivocaliteit (postmoderne kritiek). Zo ontspant deze benadering en dat lijkt me nuttig.
Kritisch t.o.v. de moderne en postmoderne kritiek is de CD dan wel in de vraag, waar het in de interpretatie van de Schrift op aankomt. Volgens de CD gaat het om theologische interpretatie: een interpretatie die dóórvraagt naar wat deze teksten over God en Christus te melden hebben, omdat het de Bijbelschrijvers daar toch blijkbaar om ging. Ze sluit daarmee aan bij een traditie die al begon minstens toen Barth in zijn Römerbrief de historisch-critici opriep om kritischer te denken, namelijk door te vragen naar de Zaak die aan de orde is.

Hoewel dit alles mijn instemming weg kan dragen, bleef bij mij na lezing van dit hoofdstuk toch de vraag over, wat er nu, misschien onbedoeld, nog méér gebeurt als de Bijbel deze plek en deze functie krijgt. Ik noem twee vragen:
(1) Wat gebeurt er met het tégenover van de Schrift?
Ik ben het met de CD eens, dat we de Bijbel niet moeten denken als ‘fundament’ van de theologie op een manier die bij het funderingsdenken past. Dan komen we in eindeloze discussies over de draagkracht van dat fundament terecht. Maar: had de plaatsing van de Schriftleer in de prolegomena alleen die functie? Wilde men er niet ook mee zeggen, dat de Bijbel het tegenover van de kerk is, helemaal aan Gods kant staat? En dat zij brón (iets anders dan fundament!) van geloof en leven is? Ik denk het wel. En daar ligt m.i. ten opzichte van de CD een tegoed. Laat ik dat uitwerken.
Rinse Reeling Brouwer heeft (IdW 42/2, 6-9) al gewezen op de bijzondere rol die het geloof, als eigenschap van mensen, in de CD inneemt. Hij contrasteerde dit met Barth, voor wie niet het geloof, maar het tegenover van het Woord fundamenteel is. Dit Woord staat tegenover gelovige en ongelovige, kerk en wereld beide. In de CD verschijnt de Bijbel vooral als boek van de kerk en de theologie van gelovige christenen. Ook al zet de CD het ambt niet zoals Van de Beek als derde gelijkwaardige middel naast credo en Schrift neer, de laatste twee worden wel zo parallel als middel om ons te bewaren bij het heil neergezet, dat het tegenover van de Schrift tekort dreigt te komen. Ik lees nauwelijks iets over de kritische functie van de Schrift ten opzichte van de kerk en de theologie en ‘ons’ ‘geloof’ zelf. Bovendien lijkt me een cruciaal verschil tussen credo en Schrift, dat de laatste niet alleen middel is om bij het heil te bewaren, maar ook de bron van het geloof en leven. Het credo bewaart alleen bij het geloof, maar de Schrift brengt ook steeds tot geloof. Als elke zondag in de kerk opnieuw het Woord verkondigd wordt ‘precies zoals aan de heidenen’ (K.H.Miskotte) dan is de Schrift niet van de kerk, maar het geschenk van God aan de kerk, waardoor de christen, die in zichzelf een heiden is, steeds weer geloof ontvangen kan. Veelzeggend is dat de auteurs spreken over een ‘Heimholung’ van de Schrift in de kerk. (504) Maar is Christus niet het enige ‘thuis’ van de Bijbel? Dan wordt de hele relatie van Schrift, kerk en wereld anders.

(2) Wat gebeurt er met de relatie tussen Christus, de Geest en de Schrift?
De mooiste metafoor voor de Bijbel komt naar mijn idee van Luther. Hij vergelijkt de Bijbel met de kribbe. Het is maar een beetje hout en stro. Maar het Kindeke ligt er wel in. Zo is het ook met de Bijbel: het zijn op zich maar al te menselijke woorden, waar de hele moderne en postmoderne kritiek, die ook voor andere teksten geldt, op van toepassing is. Maar in deze woorden horen wij wel de stem van de goede Herder. De Bijbel kan nauwelijks concurreren met de wereldliteratuur, maar alleen door de lezing van de Schriften wordt je verbonden met Christus. De CD schept voor deze paradox ook wel ruimte door de pneumatologische localisering. Maar het is de vraag of het hier in feite niet om de christologische categorie van de zelfvernedering Gods gaat. God heeft zich in Christus vernederd tot op de dood van het kruis. Als nu de Geest komt, trekt God niet een heel andere la open, maar blijft Hij komen in dezelfde beweging (Noordmans). De Geest is God die zich opnieuw, ja nog dieper vernedert: Hij komt nu niet alleen vóór ons, maar zelfs ín ons zondige vlees en zondige denken. Zoals het vlees van Christus het ‘resultaat’ is van Gods zelfvernedering in de Zoon, zo is de Schrift het ‘resultaat’ van Gods zelfvernedering in de Geest. Zo zijn Woord en Geest ons tegenover. Dat betekent dat Bavinck toch niet helemaal ongelijk had toen hij incarnatie en inscripturatie met elkaar vergeleek. De CD (p. 493) wijst dit af omdat we niet christologisch, maar pneumatologisch over de Schrift zouden moeten denken. Ik vraag me af of christologie en pneumatologie hier niet teveel tegenover elkaar komen te staan. Zijn zij niet één in de categorie van de zelfopenbaring, die zelfvernedering is? Dan doet de Geest het boek van de Bijbel niet dicht zodat wij in de Bijbel ‘terugzien op een reeds afgelegde route’ (508), maar openbaart ons juist dat ons leven al in de Bijbel beschreven ligt. God brengt ons thuis in de Schrift, Jezus trekt ons op het kruis, de Geest leert ons de zelfvernedering, dat is drie keer hetzelfde. (Joh. 12:32-33)

Willem Maarten Dekker

(gepubliceerd in ‘In de Waagschaal’)

Geef een reactie