De hel leeft. Waarom gaat iedereen naar Jheronimus Bosch?

(afbeelding: Jheronimus Bosch, ‘Hellelandschap’, tekening)

Afgelopen zondag zat ik als hoorder in de kerk. De preek ging over Jezus’ gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus (Lukas 16). In de eeuwigheid blijken hun plaatsen omgedraaid: de arme man bevindt zich gelukzalig in de schoot van Abraham, en de rijke man moet branden in de hel. Dat laatste – de voorstelling van de hel – wordt voor veel gelovigen, ook serieuze en orthodoxe christenen steeds moeilijker om aan vast te houden. Ook de orthodoxie zingt liever “God houdt van jou, ja, Hij houdt van jou, halleluja hieperdepiep (3x)”. Ik had de indruk dat ook deze dominee, die erg zijn best deed zijn gehoor de werkelijkheid van de hel in te prenten, bij lang niet iedereen echt gehoor vond. De urgentie van dit geloofsthema kwam naar mijn indruk ook niet echt uit de verf. De hel leeft niet.

Een paar dagen later was ik bij de tentoonstelling “Jheronimus Bosch: visioenen van een genie”, in het Noordbrabants museum. Tallozen zijn mij al voorgegaan, en tot de laatste minuut van de tentoonstelling zullen er nog velen volgen. De deuren zijn elke nacht tot 01.00 uur open, en de laatste dag naar ik vernomen heb zelfs 24-uur, het klokje rond. Dan staan er dus om 4 uur ’s nachts mensen te kijken naar schilderijen en tekeningen uit de vijftiende, begin zestiende eeuw – die voor een groot deel over de hel en de bijbehorende kwellingen gaan. Ik peins over deze paradox. Hoe kan het dat enerzijds de voorstelling van de hel voor bijna iedereen, zelfs binnen het christendom, overkomt als een irrealistisch, oubollig en overbodig stuk geloofsgoed, terwijl anderzijds tallozen, ook van buiten het christendom, kennis willen nemen van de verbeelding van diezelfde hel door een middeleeuwse kunstenaar?

Een eerste mogelijke antwoord is natuurlijk, dat de bezoekers van de tentoonstelling helemaal niets met de hel als werkelijkheid op hebben. Zij zien de schilderijen van Bosch als verbeelding en weten die als zodanig te waarderen. Zijn ongebreidelde fantasie, en de precisie en het vakmanschap waarmee hij die neerzette, zijn genoeg om hen van heinde en verre naar het Noordbrabants museum te laten optrekken. Op het eerste gezicht lijkt deze verklaring afdoende. Toch ben ik daar niet zo zeker van. Niemand had verwacht dat de belangstelling voor Bosch zó groot zou zijn. Heeft dat toch, al is het wellicht bij velen onbewust, een diepere, inhoudelijker reden?

Die diepere reden hoeft dan niet in de hel als geloofsvoorstelling te zitten. Dat de overgrote meerderheid van de mensheid daar niets meer mee heeft, is helder. Maar in de voorstelling van de hel wordt ook een thema aangereikt, dat seculiere mensen nog steeds of opnieuw wel degelijk fascineert: het kwaad. Een fascinatie voor het kwaad zien we in allerlei lagen en vormen in onze cultuur. In popmuziek is er death metal cum suis, dat speelt met doodskoppen, bloed en graf, Satan en zijn trawanten. De games die het meest populair zijn, zijn vaak die waarin de tegenstander moet worden gedood, en waarin het risico bestaat zelf gedood te worden. In de literatuur is fantasy al een poos weer een populair genre (Harry Potter, Lord of the Rings). In dat genre gaat het ook over de eeuwige strijd tussen goed en kwaad, laten de auteurs ook hun fantasie de vrije loop en komen vooral de kwade wezens in alle mogelijke gestalten en wangestalten voor. Blijkbaar is er heden ten dage een aantrekkingskracht van het kwade; dat die zo massaal is, lijkt er op te duiden dat er ook iets inhoudelijks in dit thema is, dat ons raakt.

Zou het zo kunnen zijn, dat het thema ons raakt, omdat wij merken dat het kwaad weer dichterbij komt? Na WOII hebben we misschien een paar decennia kunnen geloven in een vreedzame wereld – in ieder geval in Europa. Tot met de opkomst van het islamitisch terrorisme het geweld weer dichtbij kwam. Wij begrijpen dit kwaad niet. Dat is ook een essentieel kenmerk van het echte kwaad: je begrijpt het niet, want als je het zou begrijpen, dan zou je zelf kwaad zijn. “Du gleichst dem Geist den du begreifst – nicht mir”, zegt Mephistopheles in Goethe’s Faust. De hel is een uitbeelding van het zuivere kwaad, het kwaad dat niet langer vermengd is met het goede, zoals het in de mens en zijn wereld nog altijd wel is. Dit zuivere kwaad fascineert, omdat we aanvoelen dat het ook in onze wereld een macht is. We huiveren ervoor, en tegelijk trekt het ons aan. Het heeft dus iets van wat R. Otto het ‘mysterium tremendum et fascinans’ noemde: het geheimenis dat zowel angst inboezemt als aantrekt. Volgens Otto behoort deze ervaring tot het wezen van de religie. In zoverre hebben we in het werk van Bosch zeker met iets met iets te maken dat ook bij hedendaagse kijkers een religieus-achtige ervaring kan oproepen; alleen dan niet ontsprongen aan God, maar aan Bosch’ geniale visioenen van het kwaad.

Het kwaad is ook in onze wereld een macht; en zo kunnen we ook iets van de verbeelding van de hel begrijpen. Voor ons moderne mensen kan de hel alleen een dimensie van onze eigen wereld zijn, niet van een of ander hiernamaals. “Hell is empty, and all the devils are here!”, laat Shakepeare zeggen in ‘The Tempest’. Let wel, Shakespeare zegt niet dat er geen hel is; hij verplaatst de hel slechts van een buitenwereldlijke plaats naar onze eigen leefwereld. De hel is niet leeg omdat God zo lief is of iets dergelijks, maar omdat de hel op aarde is. De duivels zijn onder ons en in ons.

Dat maakt de hel eigenlijk niet tot een kleiner, maar tot een groter vraagstuk. Want wij horen zelf bij deze wereld. Is dat misschien de reden waarom Jeroen Bosch ons niet loslaat – omdat wij aanvoelen dat hij het over óns heeft? Omdat wij aanvoelen dat de hel een mogelijkheid in onszelf is, een wereld waar wij voor kunnen kiezen, een manier waarop wij de wereld kunnen inrichten, een richting die wij kunnen inslaan?

Het fascinerende aan Jheronimus is onder meer, dat hij zo duidelijk staat op de grens van middeleeuwen en renaissance. Van de middeleeuwen neemt hij de fascinatie voor dood, hemel en hel mee. Maar wat hij ermee doet is typisch renaissancistisch, (vroeg-)modern. Bij Bosch staat de mens in het middelpunt, de mens die zelf zijn levensweg moet kiezen (zie ‘De landloper’, ‘Het narrenschip’, ‘De dood en de vrek’, ‘Hooiwagentriptiek’). Zelf gaat hij als een van eersten zijn schilderijen signeren, en dat ook nog met een zelfgekozen naam. Van oorsprong heette hij Jeroen van Aken, maar hij maakt er Jheronimus Bosch van – naar de stad waar hij werkt, en zijn voornaam gelatiniseerd. Hij wil als uniek mens, unieke kunstenaar gevonden worden en zijn stempel op de tijd drukken. Dat getuigt van een haast modern zelfbewustzijn, besef van vrijheid en verantwoordelijkheid.

De klassieke voorstelling van hemel en hel staan in dit kader. Zij beiden beelden de ultieme mogelijkheid van het menselijke leven af; de mens is in die zin totáál verantwoordelijk, het gaat in zijn alledaagse kiezen uiteindelijk om de ultieme keuze, tussen het ultieme kwaad en het ultieme goede. Uiteraard speelt Gods genade daarin eveneens een belangrijke rol. Jheronimus laat de zielen niet zelf naar de hemel vliegen, dat zou absurd zijn; zij worden door engelen ernaar toe gedragen. En omgekeerd wandelen de mensen niet zelf de hel in; het zijn de demonen die hen erin sleuren. Maar zij worden alleen ten hemel gedragen, wanneer in hun aardse leven de hemel zich reeds toonde; daarom ook bij Bosch de aandacht voor de heiligen (Hiëronimus, Christophorus, Wilgefortis, Antonius). En omgekeerd worden zij alleen de hel in gesleurd, wanneer zij in hun aardse leven zich al aan de machten van de hel – verbeeld door de zeven hoofdzonden, culminerend in de zelfzucht – hebben overgegeven.

‘De hel – dat zijn de anderen’, zei Sartre. ‘De hel – dat is een mogelijkheid in mijzelf’ – zo hebben de psycho-analytici het verstaan; de hel kan op aarde zijn, zo heeft Shakespeare het verstaan, zo kunnen wij het in onze wereld, die soms een hel is, ook verstaan. En zo kunnen wij de grote Boschenaar, de duivelskunstenaar zien en verstaan. “Hell is empty” – als dat zo is, is het niet omdat de wereld succesvol onttoverd is, en ook niet vanwege Gods genade, maar omdat de hel onze eigen diepste mogelijkheid is. De duivelen zitten in de krochten van onze ziel; de hellevaart van Jezus was niet een tocht naar een paar kilometer onder de grond, maar zijn godverlatenheid op het door en door historische Golgotha; de hel ontstaat als wij hooi vreten alsof het goud is (‘Hooiwagentriptiek’).

Jheronimus Bosch wordt, als je het mij vraagt, zo massaal bezocht omdat wij aanvoelen dat met de “Entzauberung” van onze wereld ook iets verloren is gegaan: het vermogen om met het onuitroeibare kwaad om te gaan. Wij hebben voorstellingen nodig die dat kwaad een gezicht geven, zodat wij ons ertoe verhouden kunnen. Het christendom heeft eeuwenlang die voorstellingen geleverd. Het is de uitdaging aan de kerk om zo over het kwaad te spreken, als Bosch de hel geschilderd heeft; een spreken dat niet de associatie oproept met oubollig en voorbij, maar dat net zo fris aanhoort als de schilderijen van Bosch ons aankijken. De hel leeft.