De preek als provocatie

De preek als provocatie[1]

Drie stellingen bij Provocatie. Over de zin van God en geloof (Heerenveen 2012)

1. De preek is een ‘herhaling’ van de provocatie die zich in de menswording van God voltrokken heeft.

Een provocatie is een daad van de een, die het wezen van de ander te voorschijn brengt. Iemand zegt: ‘Ik doe nooit een vlieg kwaad’. Totdat iemand hem een klap geeft. Dan ineens slaat hij er vol op, en raakt buiten zichzelf van woede. Die ene klap is de provocatie die zijn lang verborgen wezen onthulde.

Zo is de menswording van God de daad die ons wezen onthulde. ‘Ten laatste zond Hij Zijn Zoon’. En toen zeiden wijngaardeniers: ‘nu hebben we Hem.’ Als God in de wereld komt, slaan Jood en heiden Hem aan het kruis. Zo onthult de mens tegen wil en dank wie hij werkelijk is.

Maar sommigen omarmen deze Gekruisigde. ‘Zie uw zoon, zie uw moeder.’ Zij vormen een nieuwe gemeenschap. Voor hen werd hij de opstanding, voor de anderen de val.

De prediking is in wezen de herhaling van de Geest van deze provocatie van de menswording van God. Zij heeft niet het doel om mensen te trekken, maar om mensen zo te prikkelen, dat zij daden gaan doen, waarmee ze hun wezen onthullen. Zo te prikkelen, dat de een Jezus gaat vervloeken, en de ander (‘niemand kan zeggen: Jezus is Heer, dan door de Heilige Geest’) Hem gaat omarmen.

De inhoud van deze provocatie is nog immer het kruis. God de Schepper, de God die liefde is, de zorgende Vader en de zegen, het ‘zweven op de wind, gedragen door Uw Geest’ – het hoort er allemaal bij, maar het moet zijn bescheiden plaats aan de voet van het kruis innemen. Los van het kruis zal de verkondiging ervan nooit ons wezen onthullen. Wij kunnen er te gemakkelijk mee doen wat we gewend zijn: de boodschap zo horen, dat het ons bevestigt in wie we zijn. Maar dan worden we niet verlost. Het kruis is nog steeds aanstoot en ergernis, het roept ons op onze gekoesterde, orthodoxe en onorthodoxe beelden van God prijs te geven.

 

  1. De preek maakt zich niet primair zorgen over de hoorder.

 

In het communicatieproces dat de prediking is, kan men, als in elk communicatieproces, onderscheiden tussen zender (hier: prediker), boodschap en ontvanger (hier: de hoorder). Hoe de aandacht hierover te verdelen? Natuurlijk kan men gemakkelijk zeggen, dat alle drie evenredig aan de orde moeten komen. Maar de geschiedenis van de homiletiek leert dat dit niet zo eenvoudig is. Bovendien blijft de vraag of in één van de drie grootheden niet de hermeneutische sleutel gevonden kan worden, waar de andere mee geopend kunnen worden.

De bezinning op de prediking heeft zich de laatste tijd vooral gericht op de hoorder, en daarnaast ook wel op de persoon van de prediker. Er wordt gesteld dat de prediker toch vooral als een hoorder onder de hoorders moet zijn, dichtbij hem moet zien te komen, een dialoog met hem moet voeren. En ook, dat hij vooral als mens, als persoon aanwezig mag en moet zijn. Hij moet zich vooral niet verbergen in zijn ambt, maar mag er met zijn ‘ik’ ook helemaal zijn. Ja, dat helpt de communicatie, die vooral authentiek moet zijn. Met deze aandacht voor de hoorder, en in mindere mate ook de prediker stemt overeen dat het homiletisch onderzoek sterk empirisch geworden is. De empirie moet ons naar de waarheid leiden.

 

Dit alles kan men historisch wel verklaren als een reactie op een sterk op de inhoud, op de boodschap geconcentreerde prediking. Theologisch kunnen hier de namen van Karl Barth en K.H. Miskotte genoemd worden. Zij stelden zich niet de vraag: ‘hoe bereikt de preek de hoorder?’, of: ‘wat gebeurt er met de hoorder?’, of: ‘wie ben ik als prediker in het preekproces?’, maar: ‘wat is de preek?’ Logisch dat zei ook niet empirisch te werk gingen, maar vanuit de bijbels-theologische en dogmatische grondbeslissingen. Niet de empirie, maar het (gelovige) denken werd geacht naar de waarheid te leiden.

 

Wanneer we erkennen, dat de preek de ‘herhaling’ is van Gods provocatie in de menswording van de Zoon, dan zal dit ook leiden tot een hernieuwde aandacht voor deze zoektocht naar het wezen van de prediking. Dit wezen staat relatief los van zowel de spreker als de hoorder. Wie preekt is niet van belang, net zo min als wie het sacrament bedient. Wie het hoort, doet ook niet wezenlijk ter zake. Daarom moet de voorganger zich bij de voorbereiding vooral afvragen: wat wil ik zeggen? De vraag: hoe moet ik het zeggen, wordt daarin dan wel mede beantwoord. Ik vrees dat zoveel preken zo moeilijk aan te horen zijn, omdat de verkondiger zich veel te weinig heeft afgevraagd, wat hij zeggen wil, ja, wat hij zeggen moet. Daarom gaat er zo weinig urgentie van veel zondagse verkondiging uit.  

 

Natuurlijk is het volkomen juist dat de preek in wezen geen monoloog is, maar een dialoog. Zij is slechts zeer oppervlakkig bekeken een monoloog. In wezen is het een voortdurend gesprek tussen het Evangelie en de wereld, een kritisch gesprek waarin uiteindelijk de Heer van kerk én wereld alle eer ontvangt. Maar het helpt het niveau van de prediking weinig, om, wanneer de preek te weinig dialogisch is, je te concentreren op de hoorder. Veel beter is het om juist dan zich te concentreren op de zaak die in de tekst aan de orde is. “Wat staat er nu echt? Staat dát er? Maar als dát er staat – mijn God, wat moeten we daarmee?”

 

Zo ontstaat uit elke waarachtige Schriftlezing een crisis, en uit die crisis ontstaat – inderdaad – een dialoog. Maar die dialoog wordt pas vruchtbaar als het een kritisch gesprek is van de prediker met de hoorder die hij zelf is. Ik kreeg bij het college homiletiek als tip bij het schrijven van de preek een denkbeeldige foto van de gemeente op het bureau te zetten. Volgens mij kun je beter een foto van jezelf op het bureau zetten. Tegen jezelf lieg je minder gemakkelijk. Je doorziet jezelf eerder, in je vrome en onvrome uitvluchten onder het evangelie vandaan. Het zogenaamde gesprek dat de prediker met de gemeente voert, blinkt daarentegen vaak uit in oppervlakkigheid. Er worden nogal wat schijngesprekken gevoerd in de preek. Sommigen krijgen daardoor misschien de indruk dat de prediker toch wel erg dichtbij gekomen is, maar velen zien hier ook doorheen. Een ernstig gesprek met zichzelf over het Evangelie is een veel betere bron om dichtbij de ander te komen. Dit gesprek zal zich primair richten op de vraag, of ik me werkelijk onderwerp aan het heilig Evangelie, zoals dat in deze tekst mij aanspreekt, of dat ik eigenlijk aan het vluchten ben, aan het domesticeren van deze boodschap en van deze God.

 

  1. De preek richt zich ook tot de mensen die er niet zijn.

 

Een ander aspect van de empirische benadering van de homiletiek, waarbij de aandacht zich richt op de hoorder, is dat een essentiële dimensie van de preek buiten beeld raakt, en dat is dat de preek zich ook altijd richt tot degenen die hem niet horen. Het evangelie is een universele boodschap en de preek is daar de uitdrukking van. Bureau Motivaction heeft enige tijd geleden voor de PKN onderzocht wie de kerkgangers zijn. Daar kwam uit wat iedere kerkganger al lang wist, namelijk dat de kerk bezocht wordt door de ‘traditionele burgerij’. Hele grote groepen van de samenleving (de kosmopolieten, de ‘opwaarts mobielen’, de nieuwe conservatieven, de postmaterialisten etcetera) worden nauwelijks bereikt.

Dit proces wordt echter alleen maar versterkt als de preek zich gaat richten op de hoorders. De kerk is al – orthodox of niet – door en door burgerlijk, en dat zal met deze prediking alleen maar toenemen. Burgerlijke preken voor burgerlijke mensen.

Een belangrijker bezwaar tegen de focus op de hoorder is, dat het in strijd is met het wezen van de prediking. Het evangelie provoceert Jood en heiden, kosmopoliet en nieuwe conservatief, grijsaard en kind, stadse yup en boerenpummel. Voor God zijn wij allen gelijk, van God staan wij allen even ver af. De preek behoort de mensen in die zin heel bewust ‘over één kam te scheren’. Het is voldoende als de prediker weet dat voor hem mensen zitten.

Het zal dus ook niets helpen, als de prediker nu probeert voortaan ook een woordje te hebben voor de kosmopoliet, de postmaterialist etcetera. De mogelijke hoorder is zo veelkleurig, dat de prediking daar alleen maar flets van kan worden. Dat is niet wat ik bedoel, als ik zeg dat de preek ook de hoorder provoceert, die hem niet hoort. De prediker moet zich bewust richten tot de mensen die er niet zijn, door de hoorder – de aanwezige en de niet-aanwezige – in zekere zin bewust te negeren, en zich volledig te richten op de altijd en overal absurde boodschap van de gekruisigde God. Juist door de hoorder zo te negeren, zal hij hem kunnen aanspreken, zodat hij zich geprovoceerd weet.


[1] Artikel voor de nieuwsbrief van Areopagus, mei 2012

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s