Discipelschap. Een notitie in de marge

I.                     

Petrus is in de synoptische evangeliën de discipel bij uitstek. Naast Jezus leren we niemand anders zo goed kennen als hij. In hem wordt ons een proto-type getekend van het betekent om discipel van Jezus te zijn. Deze discipel en later apostel Petrus, die eerst Simon heette, wordt in de Bijbel door Jezus zowel ‘rots’ als ‘satan’ genoemd. Dit gebeurt ook nog eens in dezelfde passage, Mattheüs 16:13-26. Het begint ermee dat Petrus als eerste van de discipelen naar voren stapt en Jezus belijdt als de Christus, de Zoon van de levende God. Dan beloont Jezus hem met de naamsverandering: hij heet niet meer Simon, maar Petrus (=rots), en op deze rots zal Jezus zijn gemeente bouwen. Vervolgens echter kondigt Jezus zijn lijden en dood aan. Dan neemt Petrus Jezus apart en bestraft Hem. En dan zegt Jezus tegen Petrus: ‘Ga weg achter Mij, satan!’

Zo kan het blijkbaar met discipelen gaan. Zij leven tussen zelfoverschatting en wanhoop. Het ene moment overschatten zij zichzelf en menen zij Jezus voor het ergste te kunnen behoeden, het volgende moment ontdekken zij wie zij zijn en hoe zij zelf Jezus laten struikelen op de weg die Hij moet gaan.

II.                   

De evangeliën vertellen ons de geschiedenis van een mislukking. In Jezus komt nog eenmaal, en het meest intens tot de mens, maar de mens begrijpt Hem niet en verwerpt Hem. Dit is niet alleen het geval met de ‘wereld’, maar ook met de discipelen zelf. Uiteindelijk vluchten zij allen en sterft Jezus alleen. Het ene evangelie legt hierin sterker de nadruk dan het andere (bij het oudste evangelie, Markus is het het sterkst), maar de lijn zit in alle vier de evangeliën. Ook daarin wordt getoond wat discipelschap is en wat er met discipelen gebeurt.

III.                 

Het Griekse woord voor ‘discipel’ vinden we alleen in de eerste drie evangeliën en in de Handelingen (dat net als het derde evangelie ook door Lukas geschreven is), dus bij de drie auteurs die min of meer historisch terugblikken op de weg van Bethlehem naar Golgotha. Overigens is er ook bij Lukas besef dat we het woord ‘discipel’ niet altijd kunnen gebruiken. Hij gebruikt het woord in het evangelie tót aan Gethsemane, dan niet meer tot aan Pasen/Hemelvaart/Pinksteren, en dan weer opnieuw in Handelingen, als de Geest van de Opgestane de gemeente opnieuw in dienst neemt. Het woord ‘discipel’ vervalt dus tijdens de lijdensperiode van Jezus.

Bij Johannes, die veel een theologisch evangelie schrijft, en bij Paulus, die helemaal theoloog na Pasen is, gaat het helemaal niet over discipelschap. Paulus heeft het in plaats daarvan over geloof. Dus: mensen worden niet opgeroepen om discipelen van Jezus te zijn, maar om in Hem te geloven. Discipelschap is hier een historische categorie geworden, iets dat geldt ‘tot op Golgotha’. Op Golgotha sterft met Jezus ook het discipelschap. Daarna wordt de verhouding van de mens tot Jezus anders: hij wordt nu gelovige. Geloof is dan: het vertrouwen dat, ondanks het feit dat Jezus terecht zijn volgelingen ‘satan’ kan en moet noemen, wij toch voor eeuwig behouden zijn – door zijn dood, dat wil zeggen: doordat wij ons discipelschap hebben laten kruisigen; doordat wij aanvaarden dat wij alleen in Jezus kunnen geloven, niet als de leider, maar als de ánder, God in het vlees.

IV.                 

‘Discipelschap’ is een thema dat in het westerse christendom opkomt onder druk van de secularisatie. De secularisatie lijkt te vragen om sterke nadruk op ‘totale overgave’ aan God, om een volledig volgen Jezus op alle terreinen van het leven, zodat de wereld merkt dat er christenen zijn. De term heeft aan betekenis gewonnen door onder meer de theologie van de ethicus Stanley Hauerwas. Hij staat in de methodistische traditie. Het methodisme (ontstaan als opwekkingsbeweging in de Church of England) heeft altijd de nadruk gelegd op subjectieve belevingen, op bekering en heiliging en het streven naar volmaaktheid. Dit is de sfeer waarin het woord ‘discipelschap’ zijn plaats heeft.

Een andere theoloog die hier van belang is, is de Nieuwtestamenticus Tom Wright. Zijn theologie is een typische ‘Koninkrijkstheologie’: een theologie waarin het niet draait om de verzoening van onze schuld, maar op de komst van het Koninkrijk van vrede en recht. Wright ageert tegen de piëtistische traditie, waarin het volgens hem veel te veel gaat om de eeuwige redding van de individuele ziel (John Bunyans reis naar de hemelse stad) en te weinig om het verwachten van en werken aan het Koninkrijk Gods op aarde.

In Nederland is de thematiek van het discipelschap onder meer aan de orde gesteld door de theoloog Sake Stoppels in zijn boek ‘Oefenruimte. Gemeente en parochie als gemeenschap van leerlingen’. Typerend voor dit boek is hier de consequente manier van denken: van discipelschap naar volwassendoop en het gereformeerde kerkmodel van de kerk als vereniging van gelovigen. In deze consequentie is het voorbeeldig, maar het laat ook zien waar de problemen liggen.

V.                   

Vanuit de evangelieën hebben we gezien dat de pointe is: het discipelschap mislukt; en omdát het mislukt is, moet onze verhouding tot Jezus een andere zijn: die van gelovigen. En daarom noemen wij Jezus God. Want alleen in God kun je geloven.

Het loopt met het discipelschap in de Bijbel dus net zo af als met de grootste profeet van het oude verbond, Mozes. Hij kan het beloofde land niet in, maar sterft. Alleen de dood brengt aan de andere zijde. Zo is het ook voor christenen: zij moeten sterven. “Niets uit ons, maar al uit Hem, zo komt men in Jeruzalem”

VI.                 

De aandacht voor discipelschap roept dus de vraag op: Wat is eigenlijke onze verhouding tot Jezus? Hoe zien wij dat?

Zijn wij de verlorenen  en is Hij de Redder?

Zijn wij de gelovigen en is Hij God in het vlees?

Zijn wij Zijn vrienden en is Hij onze vriend?

Zijn wij Zijn dienstknechten en is Hij onze Heer?

Zijn wij Zijn discipelen en is Hij onze leraar en leider?

[gehouden als inleiding in de Hervormde gemeente Waddinxveen]