Donorcodicil en christelijk geloof

I.

Sinds een heel aantal jaren bestaat de mogelijkheid om een ‘donorcodicil’ in te vullen. Tegenwoordig gebeurt dat via het zogeheten ‘donorregister’. Hierin kun je vastleggen of je je organen na je overlijden wel of niet beschikbaar stelt voor transplantatie. U kunt er ook voor kiezen je nabestaanden of één specifieke persoon te laten beslissen na je overlijden. Vanaf twaalf jaar is het mogelijk om het donorregister in te vullen. Totdat het kind 16 is, hebben de ouders nog een bepaalde medezeggenschap in de eventuele uitvoering van de wil van het kind. Vanaf het 16e levensjaar heeft ieder op dit punt volledige zelfbeschikking.

Omdat er een voortdurend tekort aan donororganen was, wordt er sinds een aantal jaren ook een soort van ‘reclame’ gemaakt om het donorregister (positief) in te vullen, dat wil zeggen de organen na het overlijden beschikbaar te stellen voor transplantatie. Zo ontvangen elk voorjaar alle jongeren die recent achttien jaar zijn geworden een oproep om zich te registreren.

II.

Het donorcodicil komt voort uit de enorm toegnomen medische kennis en mogelijkheden van de laatste decennia. Net als andere medische en technische ontwikkelingen plaatst ook het mogelijk opnieuw gebruiken van menselijke organen de klassieke christelijke ethiek voor vragen, die voor eerdere generaties niet aan de orde waren. Het past in een patroon waarin de mens steeds meer macht krijgt over zijn leven en gezondheid.

Al deze vragen zijn complex en niet eenvoudig met beroep op een bepaalde Bijbeltekst op te lossen. Het zijn ook vragen waarin we in hoge mate elkaar vrij moeten laten. De vraag hoe je over een donorcodicil denkt is heel wat minder belangrijk dan de vraag hoe je over Jezus denkt. We moeten belangrijke en minder belangrijke vragen goed onderscheiden.

III.

Desalniettemin komt in onze tijd ook de vraag op ons af hoe we omgaan met de mogelijkheid van een donorcodicil. Hoe je daar als christen over denkt, hangt af van de vraag hoe je naar het lichaam kijkt (in verhouding tot de hele menselijke persoon en de ziel). De beslissende vraag is: Heb je een lichaam of ben je een lichaam?

IV.

Als je zegt: ‘ik heb een lichaam’, dan is jouw lichaam in zekere zin vergelijkbaar met jouw huis, jouw auto. Omdat het van jou is, kun je het weggeven. Zoals je je auto zou kunnen schenken, kun je ook je lichaam weggeven. Als je deze opvatting huldigt, maak je eigenlijk een vrij sterke scheiding tussen lichaam en ziel, en je zegt: ik bén mijn ziel, maar ik héb een lichaam. Als mijn lichaam weg is, blijf ik als persoon nog gewoon over, ik mis eigenlijk niets.

Als je zo tegen je lichaam aankijkt, dan kun je een donorcodicil zonder problemen positief invullen en je organen dus ter beschikking van anderen stellen.

V.

Je kunt ook zeggen: ik ben mijn lichaam. Dan is je lichaam niet vergelijkbaar met een van je bezittingen, maar onvervreemdbaar deel van wie jij bent als persoon. Omdat je je lichaam bent, kun je het niet wegschenken. Als je deze opvatting huldigt, zie je lichaam en ziel als eigenlijk onlosmakelijke eenheid. Je weet wel dat bij de dood het lichaam sterft en de ziel ‘naar God gaat’, maar je weet ook van de lichamelijke opstanding uit de dood. God zal ons eens weer een nieuw lichaam geven, want het lichaam hoort er voor Hem bij. Net zoals Jezus opstond met een lichaam, dat wel anders was, maar toch ook hetzelfde (denk aan de wonden), zo zullen ook wij een lichaam krijgen, waaraan we elkaar zullen herkennen. Mensen hebben nu eenmaal ook lichamelijk hun uniciteit. De een is kaal, de ander mist een vinger, de derde heeft van die priemende ogen. In die uniciteit zijn we door God gewild. Dat geldt ook voor wat niet mooi en niet gezond aan ons lichaam is. Het houdt daarmee nog niet op onvervreemdbaar deel uit te maken van onze unieke persoonlijkheid.

VI.

Het lijkt mij vanuit de Bijbel meer voor de hand liggend, om te zeggen dat wij niet een lichaam hebben, maar ons lichaam zijn. Dan vul je het donorregister negatief in en stel je je organen dus niet ter beschikking van anderen.

VII.

Vanzelfsprekend is het zo, dat als je deze mogelijkheid kiest, je ook niet organen van anderen moet aanvaarden op het moment dat je ze zelf nodig zou hebben. Als je zelf geen nier wilt afstaan, moet je ook geen nier van een ander willen hebben. In dat licht kan het niet invullen van het donorcodicil een moeilijke keuze zijn. Toch is deze keuze in het licht van de God die ook ons lichaam geschapen heeft, in Zijn oordeel onze sterfelijkheid gewild heeft én die sterker is dan de dood en eeuwig leven belooft, misschien eenvoudiger dan we denken.

(geschreven ter bezinning in de gemeente)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s