Eberhard Jüngel, Preek over 2 Kor. 5,20-21 (vertaling)

Vertaling preek Eberhard Jüngel

Opgenomen in: Eberhard Jüngel, Predigten (Stuttgart: Radius Verlag)

2 Korinthe 5, 20-21

‘Wij vragen in naam van Christus: Laat u met God verzoenen. Hem, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt’.

 

 

Geliefde Gemeente!

 

Goede Vrijdag is nog altijd een feestdag- wettelijk  beschermd en  door  kerken van alle confessies elk jaar weer  groots gevierd. Het christendom gedenkt de kruisiging van Jezus Christus.  En de wereld respecteert het!  Ook al bloedt de wereld nog altijd uit duizend wonden, ook al  wordt sinds jaar en dag onschuldig bloed vergoten en  moesten  gisteren  nog mensen in Turkije onschuldig het leven laten, – ook al is het helemaal niets bijzonders, maar iets vreselijk alledaags, dat onschuldig bloed moet vloeien,  toch gedenkt men deze ene dode op een zo bijzondere manier. Het lijkt erop alsof deze dode de onschuld en deugdelijkheid van de hele wereld representeert.  Men gedenkt een dode van formaat die men alleen maar goeds kan toedichten.

Merkwaardig: als een smetteloos voorbeeld voor ons menselijk gedrag- zo wil men deze dode verder laten leven. Dat wil men laten gelden, dat Jezus –zoals men zegt in bijbels spraakgebruik- zonder zonde was. Maar dat juist deze zelfde dode voor ons tot zonde gemaakt werd, dat hij daarom zelf als een zondaar, ja als de zondaar bij uitstek bezien moet worden, daarvan wil men tegenwoordig weinig meer weten. Over Jezus iets kwaads spreken- dat haalt vandaag de dag niemand, ook geen atheïst meer in zijn hoofd. God is weliswaar dood. Maar Jezus is een bewonderingswaardige man. God is dood. Maar over Jezus niets dan goeds!

Maar kan dat werkelijk goed gaan, lieve gemeente? Voor Paulus komt het er in elk geval op aan dat Jezus tot zonde, dat hij –zoals het in de Galatenbrief heet-  tot vloek geworden is. Aan deze waarheid moet vandaag onze Goede Vrijdagskerkdienst hulde geven.

Het is echter de merkwaardigste feestdag die je maar kunt bedenken. Wij gedenken een terechtstelling, herinneren ons een dode, van wie niet alleen zijn toenmalige tegenstanders, maar ook zijn latere apostelen beweerden dat hij in de rij hoort van het soort mensen, die de wereld terecht veroordeeld: een zondaar te midden van de zondaren, een misdadiger te samen met andere misdadigers geëxecuteerd. Ja we gedenken de dood van een mens over wie niet alleen de aardse rechters, maar ook de eeuwige Rechter het oordeel uitgesproken heeft: God heeft hem, die zonder zonde was, voor ons tot zonde gemaakt.

Voor ons – daar komt het op aan. Voor ons moet het iets opleveren. Maar wat een donkere weg, wat een merkwaardige praktijk, wat een bijzondere rolverwisseling gaat daaraan vooraf! Een onschuldige moest schuldig worden – voor ons – , opdat wij rechtvaardig voor God staan. Dat kan ons hoofd maar moeilijk vatten, en ook het hart heeft moeite het te verstaan. Maar nu smeek ik u, geliefde gemeente, niet te snel hoofdschuddend en met een onwillig hart aan deze oude waarheid voorbij te gaan, maar met hoofd en hart de oude waarheid opnieuw te doordenken. Ik smeek u in Christus’ plaats. En een bede mag men niet afwijzen, voor men haar begrepen heeft. Ook de bede van Jezus Christus zou men minstens moeten aanhoren. Wie zich door Hem niet tevergeefs laat bevragen, die zal Hij ervoor bedanken.

Voor ons tot zonde gemaakt, – hier wordt dus een dode iets nageroepen, dat aan hem moet blijven hangen. Er wordt hem nageroepen, dat hij voor God precies dat geweest is, wat een menselijk oordeel met zijn rechterlijke uitspraak van hem gemaakt heeft: een misdadiger, die aan de galg zijn verdiende einde gekregen heeft. Deze man hoort dus niet op de heiligenkalender. Hij komt aan de verkeerde kant van de geschiedenis te staan. En juist daarom gedenken wij Hem. Daarom viert de christenheid de dag van Zijn dood. Wat is dat voor vreemde gedenkdag? Wat voor reden heeft de mensheid, om Goede Vrijdag te vieren?

Wanneer men een dode gedenkt, dan pleegt men goed van hem te spreken. ‘Over de doden niets dan goeds’. Dat is een regel, waaraan men zich onder geciviliseerde mensen houdt. Ook wanneer het leven van de gestorvene zijn donkere plekken had, wanneer ergerlijke fouten gemaakt zijn, noodlottige of tragische beslissingen zelfs – de dood heeft de gestorvene daarvoor toch al hard genoeg gestraft. Waarom dus nog daaraan herinneren. Dat past niet. Op zijn laatst tegenover de dode beginnen wij datgene te doen, wat wij de levende schuldig zijn, namelijk: goed van hem te spreken en alles ten beste te keren. ‘Over de doden niets dan goeds’ – daaraan houdt men zich.

Het moeten wel heel erge misdadigers zijn, afgrond-diep verdorven mensen, die ons verhinderen kunnen, na hun dood goed van hen te spreken en alles ten beste te keren. Degene die tot het kwade verleiden, die iemand het leven benemen, de vijanden van de menselijkheid, die onttrekken zich aan de regel. Zij vallen niet onder de regel: over de doden niets dan goeds. Wanneer wij over doden nog slecht spreken, wanneer wij na hun dood nog kwaad van hem zeggen, dan was hun leven meer dan verdorven, dan is hun boosheid en schanddaad spreekwoordelijk geworden, dan is hun naam tot spreekwoord, tot een kwaad spreekwoord geworden. Men weet dan, wanneer men slechts hun naam hoort: een Nero, een Judas, – dat is de naam onder de keizers en discipelen die tot spreekwoord geworden is. En nu kunnen wij meer van zulke namen noemen: een Quisling, en zeker een Hitler, Goebbels, Himmler, Eichmann en hun gelijken, – wie zou het wagen over hen goed en zelfs niets dan goeds te spreken? nee, hun naam blijft spreekwoordelijk voor het kwade, dat zij geleefd en gedaan, dat zij gewild of ongewild andere mensen hebben aangedaan. Zelfs de dood gunt het niet de gunst van het vergeten. Zij moeten met hun naam voor het onheil boeten, dat zij hun volken of zelfs de hele mensheid hebben aangedaan. In hun naam overleven zij als angstaanjagende spoken, die wij altijd kwaad zullen blijven naroepen. Zo bewegen zij zich als geesten door de wereldgeschiedenis, die hun geen eervol afscheid en daarom helemaal geen afscheid gunt.

Van de doden niets dan goeds – dat is daarentegen een regel, die ons helpt, van onze gestorvenen met ere afscheid te nemen en hen zo langzamerhand te vergeten. Wij spreken eerst nog goed en uitsluitend goed van hen. En wij maken daarmee wellicht onzerzijds bij de doden goed, wat wij de levende schuldig gebleven zijn, toen wij verzuimden goed van hen te spreken en alles ten beste te keren. Zo verlossen wij ons ook van onze schuldgevoelens tegenover de gestorvenen. En wanneer wij dan menen dat wij hen niets meer schuldig zijn, dan spreken wij geleidelijk aan minder van hen en uiteindelijk nog maar zelden – tot zij ons ontglippen en de weldaad van het vergeten tussen ons en de doden treedt.

Dat geldt eigenlijk ook van de doden, die ons het meest nabij waren toen zij nog leefden. Ook van hen moeten wij ons geleidelijk aan losmaken, wanneer wij verder willen leven, werkelijk willen leven. Het is niet toevallig zo, dat wij juist de gezichten van de mensen, die wij liefhadden, ons zo gauw niet meer voor de geest kunnen halen. Zacht, maar onherroepelijk trekken zij zich terug en nemen op die manier nogmaals afscheid van ons, om ons niet voor ons verdere aardse leven aan zich te binden. Het is als een laatste liefdedienst van de doden aan de overlevenden, dat zij zich van hun kant voegen naar de regel: zij laten goed van zich spreken en zo verlaten zij ons. Het is een wijze regel, een echte wijsheidsregel, dit ‘over de doden niets dan goeds!’

Maar, lieve gemeente: de Goede Vrijdag valt niet onder deze regel. Jezus Christus, de gekruisigde, doorbreekt deze regel en begeeft zich in een ongemakkelijke nabijheid tot al die aartsmisdadigers wier namen spreekwoordelijk geworden zijn voor het kwaad. Zolang de gekruisigde verkondigd wordt, zolang zal het moeten heten: voor ons tot zonde gemaakt.

Zonde – dat is niet slechts de som van alle laster van deze aarde, maar daarbovenop de poging om God te minachten. Men hoeft dus geenszins bij de grote misdadigers en al helemaal niet bij de spreekwoordelijk geworden boosaards te horen, om een zondaar te zijn. God minachten, dat kan weliswaar een gigantische onderneming zijn. In de regel is het echter een kleine, een echt middelmatige onderneming. Hij past ons. Maar ook het kleine en middelmatige heeft zijn gevolgen. En die zijn dan vaak zwaarwegend en zelf weer vol gevolgen. Zo is het ook met de zonde: kleinzielige en vaak middelmatige minachting van God – het gaat ook wel zonder Hem – en kwade, bittere gevolgen. Het is wel waar, dat het ook zonder God gaat – maar waarheen?

Waarheen het zonder God gaat – dat, lieve gemeente, zweeft de apostel als een soort schrikvisioen voor ogen, wanneer hij in Christus’ plaats smeekt: ‘Laat u met God verzoenen.’ Zonder God – dat betekent dus: zonder verzoener, zonder die verzoener, die zijnerzijds alles gedaan heeft, opdat de wereld niet aan haar eigen onverzoenlijkheid te gronde gaat.

Onverzoenlijke mensen hebben last van zichzelf. Zij kunnen door hun eigen onverzoenlijkheid letterlijk opgevreten worden. Ook kleinzielige en middelmatige onverzoenlijkheid wordt gemakkelijk een gulzig ondier, dat niet alleen de tegenstander, maar vaak nog veel meer zichzelf beschadigt. En zoals een onverzoenlijk mens uiteindelijk niet goed is voor zichzelf, zo is ook een met God onverzoende mens, zo is ook een wereld die zich niet met God laat verzoenen, niet goed voor zichzelf. Zij doet zichzelf kwaad. Want wie niet goed is voor zichzelf, doet zichzelf kwaad. Wij richten een onmetelijke schade aan en laden de schuld daarvoor op ons, als wij menen Gods verzoening te mogen minachten, om zonder deze verzoener onze weg te gaan. Het maakt niet uit of we dat doen in gigantische trots of in kleinzielige middelmatigheid.

Opdat wij niet bij Gods onherroepelijke verzoeningswil weg kunnen kruipen – daarom is het kruis er. En daarom, geliefde gemeente, valt de gekruisigde Christus niet onder de regel: van de doden niets dan goeds. De Gekruisigde doen wij geen recht door hem goeds en niets dan goeds na te zeggen. Integendeel. Gods verzoening, zijn waarachtig goddelijke ontmoeting met een van Hem en van zichzelf vervreemde wereld bestaat daarin, dat deze Gekruisigde, dat Gods geliefde Zoon al het kwade en alle zonde van deze wereld nagezegd mag worden. God heeft hem die van geen zonde wist voor ons tot zonde gemaakt – dat betekent: God laat zichzelf nazeggen, wat wij misdaan hebben. Men moet het op hem hangen. Hij wil het om onzentwillen dragen. Zoals de rechtvaardige en schuldeloze mens Jezus een onrechtvaardige schuldverklaring in Gods naam gedragen heeft, toen Hij een van de velen werd die in onze wereld zonder eigen schuld en toch in naam van het recht gedood worden.

Één van de velen! Maar in onderscheid tot alle andere ten onrechte gedode mensen heeft God dit onschuldige lijden en sterven bevestigd. Hij laat precies dit aan deze mens toegevoegde onrecht als goddelijk recht gelden, om zo een wond open te houden in het leven van de wereld tot heil van de wereld. Er zijn wonden, die moeten bloeden, omdat anders het hele lichaam te gronde gaat. De wereld heeft slechts één enkele zodanige wond, die niet mag genezen. Dat is het kruis van Jezus Christus. De gekruisigde Christus is de wond van de wereld, die bloeden moet, omdat anders de hele wereld moet vergaan. Dat is bedoeld, wanneer er staat: “voor ons tot zonde gemaakt”: de scheur, die de justitiële moord aan het kruis in de rechtsorde en in alle ordeningen van de wereld gemaakt heeft, mag en zal nooit meer genezen. Hier – en alleen hier – is er geen herstel, integendeel: door deze scheur moet voortaan ál onze schuld voor God komen, om door zijn verzoenende liefde gedragen te worden.

De liefde verdraagt veel. Dat weet ieder die zelf liefheeft. Maar ook de liefde draagt niets, zonder daaronder te lijden. Ook Gods liefde lijdt pijn: namelijk al die pijn, die mensen elkaar aandoen en die vaak genoeg een eenzame zichzelf aandoet.

Goede Vrijdag betekent: God lijdt mee. Maar Hij doet dat, opdat wij eindelijk ophouden om lijden te produceren, en in plaats daarvan beginnen, wonden te helen. Wonden kan men echter slechts helen, wanneer men niet steeds weer begint anderen kwaad na te spreken. Ik vraag daarom om op deze Goede Vrijdag ook de zeer nuchtere politieke toets niet te schuwen, of de ‘Ostverträge’, die de regering in Bonn wil sluiten, niet een noodzakelijke poging zijn om geslagen wonden te helen. Toetst u het! In ieder geval moet, wie helen wil, stoppen kwaad van andersdenkenden te spreken. Jezus Christus is voor ons tot een vloek geworden, opdat wij dat zouden kunnen. Daarom is Jezus voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij hem alleen al het kwade van deze wereld nazeggen en ophouden met de pogingen de andersdenkenden al het kwaad, wat zij wellicht inderdaad doen, en dan tegelijk nog al het kwaad der wereld toe te voegen: over Jezus slechts goeds, maar de andersdenkende veroordelen – zo niet! Ook in een verkiezing, geliefde gemeente, moet het niet zo gaan: “De conservatieven onderdrukken vrijheid en vooruitgang, de linksen ondermijnen democratie en recht – en Jezus was een eerbiedwaardig man.” Over alle mogelijke levenden al het mogelijke kwaad – maar over de aan het kruis gestorvene slechts goed. Nee! Jezus Christus keurt dat af. Hij vraagt erom zijn dood – eindelijk! – serieus te nemen.

Wij gedragen ons op dit punt als de ondeugende kinderen op straat. Wanneer zij elkaar niet verdragen, dan maken ze al gauw ruzie en roepen elkaar kwaad na. En de meest nare kinderen beschuldigen de ander van iets dat zij zelf gedaan hebben of wilden doen. Zij braken hun eigen boosheid al het ware uit, wanneer zij elkaar kwaad naroepen. Maar dat alles houdt direct op, als de dorpsgek of een ander arm, geestesziek mens opduikt. Dan concentreert al hun slechte gewoonte zich op deze ene en zij schelden hem nu met zijn allen uit: hem alleen. En hij moet ze voor hen allen ondergaan.

Men moet kinderen deze kwade gewoonte afleren. Wij echter, geliefde gemeente, moeten ons eindelijk eens aanwennen Jezus Christus en hem alleen al onze zonde en onze boosheid na te roepen. Dat zou echt geloof zijn: alles, waar wij elkaar maar al te graag mee belasten, alleen op de Gekruisigde doen neerkomen en het dan eens en voorgoed aan zijn kruis te laten hangen. Daar – daar alleen mag dan ten hemel schreien wat er aan ten hemel schreiend onrecht op aarde geschied is en nog dagelijks geschiedt. Gods liefde weet wel, hoe zij daarmee klaar komt.

Wij kunnen daarmee in ieder geval niet klaar komen doordat wij eeuwig gelijk willen hebben en onze tegenstander eeuwig zijn onrecht na te jouwen. Dat gaat noch tussen personen noch tussen volken. Dat voert nog dieper in de onverzoenlijkheid, waarmee wij onszelf het allermeest schade doen. Het ten hemel schreiende onrecht, dat mensen elkaar aandoen, kunnen wij elkaar niet eindeloos blijven najouwen. Uit zulk schelden volgen immers nieuwe slechtheden. De gekruisigde Christus keurt dat af. Hij doet dat, doordat hij ons vraagt hem alleen te beladen met wat wij aan Godsverachting, aan mensenverachting en daarbij wellicht aan heimelijke zelfverachting met ons meedragen.

Aan zo’n vraag kan men niet ineens en nauwelijks voorgoed voldoen. Des te belangrijker is het dat de vraag zelf niet verstomt. Wee ons, wanneer Jezus Christus daardoor tot verstommen gebracht wordt, dat wij zijn dood gedenken volgens de regel: van de doden niets dan goeds! Zalig zijn we, wanneer wij zijn dood serieus nemen als de smartelijkste uitdrukking van de goddelijke liefde, die alles ten beste keert! Wie de dood van Jezus Christus serieus neemt, die laat zich nu omgekeerd door God zelf goeds aanzeggen. Dat zou een verzoend mens zijn, die bereid is, zich door God goed te laten aanzeggen, hoewel hij weet dat hij een zondaar is.

Verzoende mensen, christenen dus, zijn zondaren, die zich door God goeds laten aanzeggen. Daarom smeken wij in Christus’ plaats: laat u door God goeds aanzeggen en begin dan zelf niet pas over de doden slechts goeds te zeggen, maar reeds onder de levenden alles ten beste te keren. Amen.