God legt ons uit. Hermeneutische perspectieven


Het woord ‘hermeneutiek’ is afgeleid van ‘Hermes’. Hermes is de Griekse godheid die de boodschap van de goden overbrengt naar de mensen; hij is dan ook de god van de welsprekendheid. Wie de taal der goden kan omzetten in die der mensen, is immers wel bijzonder welsprekend.

Deze etymologie van het woord is niet zonder betekenis. In de eerste plaats laat zij zien dat hermeneutiek pas opkomt als er een verstaanskloof heerst. Hermes moet de boodschap overdragen, en dat kan slagen maar ook mislukken. Daarom is het in hoge mate anachronistisch om van een premoderne hermeneutiek te spreken; pas in de moderniteit (vanaf de zestiende eeuw) ontstaat  langzaamaan het historisch bewustzijn, dat voorwaarde is voor een verstaanskloof. Voor de moderniteit liepen exegese en hermeneuse door elkaar. We zien dat bijvoorbeeld in de vroegste Bijbelvertaling, de Septuaginth. Als in Genesis 1:9 staat dat alle wateren moeten samenvloeien “in één plaats”, dan is dat voor de vertalers meer dan een mededeling over het oerbegin. Het woord ‘plaats’ (mokum) doet hen in hun context van de diaspora dromen van dé plaats, Jeruzalem. Maar Jeruzalem is in de verstrooiing alleen nog present in de synagoge. Zo vertaalt de Septuaginth: laat alle wateren samenkomen “in één synagoge”. Dat voelde niet aan als bedrog, men meende veeleer: dát is wat er écht staat.

Pas het moderne christendom gaat de Bijbel als een vreemde wereld ontdekken, die ze toch wil bewaren. Vanaf de zestiende eeuw wordt de theologie één grote poging om de Bijbel verstaanbaar te houden in een van die Bijbel vervreemdende wereld. Toch is hier nog steeds sprake van een grote ongelijktijdigheid. In sommige christelijke enclaves is het hermeneutisch probleem nog steeds niet ontdekt. Daar lijken Abraham en Paulus voor het geloofsoog nog steeds als twee druppels water op de ouderling voorin de kerk. In de gereformeerde gezindte begon het besef van hermeneutisch probleem rond 1980 op te komen; toen was de bloeitijd van de hermeneutische theologie (Bultmann en zijn leerlingen) alweer voorbij. Niet de hermeneutische vragen, maar metafysische, apologetische en ethische vragen geven momenteel de toon aan. Het onthult dat veel theologen stilzwijgend het vertrouwen in de zeggingskracht van de Bijbel verloren hebben.

De etymologie wijst er in de tweede plaats op dat hermeneutiek veronderstelt dat we met een ‘heilige’ tekst te maken hebben. Als niemand zich voor de woorden van Zeus interesseert, is Hermes ook niet nodig. Niemand maakt zich druk om de hermeneutiek van de oud-Egyptische hiërogliefen of van Karel ende Elegast. Ze worden  uitgelegd, maar zo ook in hun tijd opgesloten en daar mogen ze ook blijven. Slechts een zeer selecte groep teksten verdient het om steeds opnieuw gelezen en vertolkt te worden. Daarom is de theologie de ultieme plek voor hermeneutiek. Desnoods kunnen we van álle menselijke teksten uit het verleden op den duur zeggen: ‘Vroeger was dat waar, maar nu kunnen we het links laten liggen.’ Alleen de religies en de theologie kunnen dat niet: zij hebben heilige teksten.

Dan wordt het hermeneutisch probleem heel groot. Want in de theologie gaat het ten diepste om nog een andere kloof dan die tussen toen en nu. Hermes is de bode der goden. De kloof die hij moet overbruggen is niet primair die tussen toen en nu, maar die tussen de goden en de mensen. De Griekse mythologie heeft aangevoeld dat die kloof niet door mensen, maar alleen door de goden zelf te overbruggen is. Daarom is Hermes zelf ook een god. Het goddelijke kan alleen door het goddelijke zelf worden bemiddeld. Paulus sluit op zijn eigen wijze bij die gedachte aan in 1 Korinthe 2: “Zo kent ook niemand de dingen van God dan de Geest van God.” De Geest is God zelf die tussen God en mens bemiddelt.

Daarmee wordt de hermeneutiek op het moment dat zij echt geboren wordt ook onmogelijk. Alleen God bemiddelt God, alleen God kan God uitleggen. En toch moeten mensen Gods Woord verkondigen. Dat is het echte hermeneutische probleem, dat begrijpelijkerwijs al meerderen tot wanhoop gedreven heeft. Karl Barth zei het zo: “Wij móeten van God spreken. Wij zijn echter mensen, en kunnen als zodanig niet van God spreken. Nu moeten wij van beide, ons moeten en ons niet-kunnen, weten en daarmee God de eer geven.”  Het is hier niet “hulpeloos maar schuldig”, maar: “onmachtig doch genoodzaakt”. Het drukt even zwaar.

Van verstaan tot verstaan: de hermeneutiek van Luther

Wat vertolkt moet worden, is dus niet de letter van de tekst. Het gebeuren waar die tekst van spreekt, dat moet vertolkt worden – maar dat kan niet, want dat is God zelf. Dat besef mag ons op zijn minst wel enige bescheidenheid bijbrengen. In de postmoderne hermeneutiek is het gewoonte geworden om van de oneindige betekenissen van een tekst te spreken. De aandacht is langzaamaan verlegd van de auteur naar de tekst en vervolgens naar de hoorder. De hoorder is degene die de tekst als het ware afmaakt en hem betekenis geeft. Daarmee wordt het aantal mogelijke betekenissen schier eindeloos.

Deze conclusie kan tot desinteresse in de tekst zelf leiden. De hoorder bepaalt immers toch de betekenis; de tekst zelf is eigenlijk onbereikbaar geworden.

Toch is het idee dat een tekst oneindig rijk in betekenis is niet persé ‘postmodern’; deze overtuiging hoeft ook niet tot scepticisme te leiden. Dat bewijst Luther. Hij schrijft:

“elke Schriftplaats is oneindig aan verstaansmogelijkheden […] Daarom moeten we altijd voortgaan in het verstaan van de Schrift. En altijd is de vroegere trap als het ware geest en de latere als het ware een nog gesloten letter, die men op de eerdere trede niet ziet, totdat ze geopenbaard wordt. Vandaar zegt de apostel: ‘Maar wij die met onthuld gezicht de heerlijkheid des Heren weerspiegelen worden veranderd van klaarheid tot klaarheid als door de Geest van de Heer.’ (2 Kor. 3:18) Zoals het in het actieve leven gaat van daad tot daad en van deugd tot deugd, zo gaat het hier van verstaan tot verstaan, van geloof tot geloof, van klaarheid tot klaarheid, van kennis tot kennis. En dit is het echte contemplatieve leven. En zo is de vroegere trede altijd ‘geest’ en de volgende ‘letter’. […] Zo is de vroegere onwetendheid altijd de letter van de daarop volgende kennis, die geest wordt. En deze wordt weer letter ten opzichte van de daarop volgende enzovoorts.”

Bij Luther komt de stelling dat de Schrift eindeloos vol betekenissen is voort uit het besef van Gods majesteit en de onuitputtelijke rijkdom van Zijn Woord. Daarmee krijgt de Schrift een rol voor het gehele leven. Luther gebruikt het beeld van het beklimmen van een trap. We kunnen denken aan de zogenaamde “Heilige trap” in Rome, die door gelovigen op hun knieën beklommen wordt/werd om een aflaat te verkrijgen. Luther beklom deze trap bij zijn bezoek aan Rome in 1510. De hierboven geciteerde tekst is uit 1513. Het is alsof Luther de gelovigen in deze tekst nu een nieuwe trap aanbiedt. De Bijbel zelf is de trap. Op die trap lezen we steeds opnieuw de Schrift, op elke trede opnieuw. En aan het einde van die trap zijn we niet in een Romeinse kapel, maar in het hemelrijk. Heel mooi beschrijft Luther hoe de letter niet eenmaal, maar steeds opnieuw geest moet worden. Hier wordt duidelijk hoezeer de Reformatie een hermeneutische beweging was.

God legt ons uit

Het is dus niet persé onjuist om van de oneindige betekenissen van een tekst te spreken. Wat echter het grootste verschil is tussen de hermeneutiek van Luther en veel postmoderne hermeneutiek, is dat bij Luther God de eigenlijke hermeneut blijft. Van de buitenkant af bezien klimmen wij de trap op, maar in wezen is een heel ander werk gaande. Luther contrasteert in de hierboven staande tekst niet voor niets het “actieve” en het “contemplatieve” leven. In het eerste gaat het “van daad tot daad”, maar in het tweede gaat het “van geloof tot geloof”. Dit geloof is een geschenk van de Geest. God trekt ons de trap op – dat is wat er werkelijk aan de hand is. En zó komt het “van verstaan tot verstaan”. Wij zelf worden in deze gang door God uitgelegd, veranderd naar Zijn beeld. Daarom citeert Luther hier ook 2 Korinthe 3:18.

In de moderne hermeneutiek is echter de lezer centraal komen te staan. Hetzelfde gebeurt wanneer de betekenis gezocht wordt in de auteursintentie of in de heilsgeschiedenis of in de ervaring waar de tekst van zou getuigen.  In al die visies staat de interpreterende mens centraal. Hermeneuse wordt dan uiteindelijk een kunststukje. Dat idee hebben mensen soms ook bij een preek. De Schriftlezing heeft hen eigenlijk niet geboeid. De pericoop was voorspelbaar of weerzinwekkend. Maar na de preek klinkt: ‘De dominee heeft er toch weer wat moois van weten te maken!’

In de “nieuwe hermeneutiek” (zie noot 1) wordt op dit punt Luther gevolgd. Bij het lezen vindt een subjectwisseling plaats: de tekst gaat ons uitleggen. De Bijbeltekst is uitdrukking van het “Woordgebeuren”: de werking van God, die bij de mens de eschatologische overgang van ‘oud’ naar ‘nieuw’ bewerkt. In het lezen van de Bijbel grijpt God eschatologisch in.

De apocalyptische grondstructuur van het Nieuwe Testament

Bovenstaande lijkt alle hermeneutische problematiek tot een non-issue  te verklaren. De vraag komt op of we de rol van het menselijk subject bij de uitleg zozeer negeren kunnen. Wij zijn het toch die de Bijbel uitleggen? Inderdaad, het waarheidselement daarvan valt niet helemaal te ontkennen. Vanuit bovenstaande hermeneutiek wordt de vraag dan echter: (hoe) kunnen wij onszelf helpen de Bijbel zo uit te leggen dat God ons gaat uitleggen? Mijn antwoord daarop is tweeledig. Het meest simpele antwoord is: door de Bijbel te lezen! Als je naar de zonnebloemen van Van Gogh of de bomen van Mondriaan kijkt, dan ontdek je vanzelf: ik kijk niet naar het schilderij, maar het schilderij kijkt naar mij. Het doet iets met mij. Het verandert mij en mijn kijk op de wereld. Dat gaat gewoon vanzelf. En wie daar niets van herkent, is niet te redden. De omkering van subject en object die de nieuwe hermeneutiek centraal stelt, is dus ook geen buitenissige gedachte die alleen voor de Bijbel zou gelden. Zij geldt voor alles wat er echt toe doet. Maar om de kans op zelfverandering te lopen, moet je de Bijbel dan wel lezen. De ontlezing rond de Bijbel is een ontzaglijk probleem, veel groter dan het hermeneutisch probleem.

Mijn tweede antwoord op de vraag hoe we onszelf kunnen helpen de Bijbel zo uit te leggen dat God ons gaat uitleggen, luidt: door bij het Bijbellezen ons te concentreren op de dingen die ons storen. Ik zal daarvan een voorbeeld noemen. In 1 Korinthe 11 reageert Paulus op wantoestanden rond de viering van het Avondmaal. Het Avondmaal was geen gemeenschappelijke viering, maar onthulde juist de verdeeldheid die er in de gemeente was. In dat kader wordt gesproken over de mogelijkheid je een oordeel te eten en te drinken. We kennen de hermeneutische verwerking hiervan in het klassieke Avondmaalsformulier. Hierin wordt gesteld: “Daarentegen die dit getuigenis [namelijk van de drie punten van rechte beproeving] in hun harten niet gevoelen, die eten en drinken zichzelf een oordeel.” Het is duidelijk dat hier een bepaalde hermeneutische toepassing gemaakt wordt. Het conflict tussen rijk en arm, tussen vrijen en slaven uit een stad waar ongeveer één promille van de bevolking christen was, was niet meer actueel in de Hervormde volkskerk van de (nadere) reformatie.  Het was nu nodig binnen de gedoopte natie te onderscheiden tussen het kaf en het koren. Daarvoor heeft men de weg van de introspectie (“in het hart gevoelen”) gekozen. Bij ‘een oordeel’ ging men bovendien al gauw denken aan ‘het laatste oordeel’, ook al werd deze term niet gebruikt. Men kan erover discussiëren of dit goede hermeneutische keuzes waren. Duidelijk lijkt me in ieder geval dat een nieuwe toepassing van deze tekst onvermijdelijk was geworden.

Wie 1 Korinthe 11 leest, struikelt echter over een tekst die vermoedelijk reeds in de zeventiende eeuw de mensen vreemd geworden was, en waar toch de crux van Paulus denken uit blijkt:

“29. Want wie op onwaardige wijze eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelf een oordeel, omdat hij het lichaam van de Heere niet onderscheidt. 30. Daarom zijn er onder u veel zwakken en zieken, en velen zijn ontslapen.”

Hier blijkt wat Paulus bedoelde met ‘een oordeel’. In de gemeente van Korinthe waren veel zieken en sterfgevallen. Paulus koppelt dit direct aan de wantoestanden rond het Avondmaal. Het oordeel is geen toekomstige of geestelijke werkelijkheid, het is heel concreet en aanwijsbaar. God is voor Paulus in genade en in oordeel voortdurend actief en heel dichtbij aanwezig.

Een goede lezer van de Bijbel leest niet over zulke zinnetjes heen, maar vestigt er juist de aandacht op. Datgene wat ons weerspreekt kunnen we vaak hanteren als plek, van waaruit een toegang tot de tekst pas mogelijk wordt. Teveel heerst nog in de gemeente de gedachte: ‘De Bijbel is het wel met mij eens.’ De Bijbel zegt echter geregeld dingen, die ook de meest ‘Bijbelgetrouwe’ christenen nooit voor hun rekening zouden willen nemen. Deze storende teksten zijn eigenlijk nooit toevalligheden, die ook wel weggelaten kunnen worden. In dit geval: als je goed gaat lezen, ontdek je dat vers 30 linea recta opkomt uit de grondstructuren van Paulus’ denken. (Helaas kan ik dat nu niet meer uitwerken.)

Wie zo de Bijbel leest, ontdekt dat God ons gaat uitleggen dat wij al lang buiten de grondstructuren van de Bijbel staan. Door die wanhoop komen we, als God het wil, misschien los van onszelf en worden wij veranderd.

 

[1] Bij het schrijven van dit artikel heb ik mij laten inspireren door de “nieuwe hermeneutiek” van Ernst Fuchs, Gerhard Ebeling en Eberhard Jüngel. Hierover inleidend in historisch perspectief: Arie Zwiep, Tussen tekst en lezer. Een historische inleiding in de bijbelse hermeneutiek, deel II, Amsterdam 2014, pag. 147-152. De term ‘Woordgebeuren’ (‘Wortgeschehen’ of ‘Sprachereignis’) komt uit deze traditie. Deze theologische hermeneutiek heeft (o.a. in de omkering van subject en object bij het lezen van teksten) verwantschap met de wijsgerige hermeneutiek van Hans-Georg Gadamer, wiens hoofdwerk onlangs werd vertaald: Waarheid en methode, Nijmegen: Vantilt 2014. Het citaat van Luther is afkomstig uit Door het donkere venster van het geloof. Teksten van Maarten Luther, Zoetemeer: Meinema 1993, 84. Belangrijk met het oog op het ontwikkelen van een nieuwe hermeneutische theologie is Ingolf Dalferth, Radikale Theologie, Leipzig 2010. Een belangrijk artikel is ook Oswald Bayer, “Hermeneutische Theologie”, in U.H.J. Körtner (red.), Glauben und Verstehen. Perspektiven Hermeneutischer Theologie, Neukirchen 2000. Over de hermeneutische theologie van Jüngel, zie W.M.Dekker, De relationaliteit van God, Zoetermeer: Boekencentrum 2008.