Gods blijdschap en ons telraam

Gods blijdschap en ons telraam

 ‘In de hemel is blijdschap over één zondaar die zich bekeert.’ Deze uitspraak van Jezus in de gelijkenis van de verloren penning (Lukas 15:8-10) zegt iets wezenlijks over God. De klassieke gereformeerde theologie spreekt over de ‘volmaakte gelukzaligheid’ als een van Gods essentiële eigenschappen. God is altijd volmaakt gelukkig en volmaakt blij in zichzelf. En als je volmaakt blij bent, kun je niet blijer worden. God kent geen toename of afname van gelukzaligheid.

Jezus corrigeert dit beeld fijnzinnig door over God te vertellen in het beeld van een vrouw (ook tamelijk revolutionair), die een penning verloor, maar hem weer vond, en dan zo blij als een kind haar buurvrouwen en vriendinnen roept om met haar blij te zijn. Zo, zegt Jezus, is God blij met elke zondaar die zich bekeert, en dan roept Hij gauw de engelen er ook bij om met Hem blij te zijn. Dat is nog eens wat anders dan het uiterst chagrijnige beeld van de hemel dat Harry Mulisch ons tekent in De ontdekking van de hemel.

 

Maar het is niet alleen de introductie van de blijdschap in de hemel die revolutionair is in dit spreken van Jezus. Het is ook het getal één. De hemel is blij met één zondaar die zich bekeert. Daarin lijkt God op het nog niet verwende kind. Het kind is blij met het kleine. Een klein cadeautje, een klein beetje aandacht. Zo is God blij met één mens die tot Hem komt. Hoe groot Hij ook is, Hij telt niet in eenheden van honderd of duizend, zelfs niet in Bijbelse twaalftallen, Hij telt elk mens en verheugt zich over die ene mens met een eeuwige vreugde.

 

Ik zou zeggen: daar kunnen wij nog wat van leren in onze tijd die bol staat van de getallen. Wie zijn blijdschap afhankelijk maakt van getallen, eindigt als de chagrijnige God van Mulisch, die zich in Zijn hemel terugtrekken wil. In Nederland zijn er de tienduizenden die de kerken jaarlijks de rug toekeren. Maar er zijn ook de enkelingen die zich bekeren en Hem vinden. En daarover moeten wij blij zijn. Ik ben blij met elke doopdienst en elke dienst waarin mensen belijdenis van het geloof afleggen. Soms zit er iemand bij die helemaal niet christelijk opgevoed is, maar langs Gods wonderlijke wegen toch bij de gemeente uitkwam. En dan zijn we dubbel blij. Zo is het een oefening om elke zondag blij te zijn met wie er wél is, en niet te tellen wie er niet zijn. Waar twee of drie bijeenzijn, zei Jezus. Dat is het minimalisme van het kruis. Och, mochten we daar nog gebracht worden.

 

Wat heeft dit alles nu te maken met het interessante en goed uitgevoerde onderzoek van Alrik Vos? Dit: in deze scriptie wordt geprobeerd grote problemen van onze kerk op te lossen door tellen, meten en wegen. Dat sluit helemaal aan bij een wetenschapsbeeld dat tegenwoordig dominant is: problemen worden opgelost door empirisch onderzoek. We zijn aan die aanpak zo gewend, dat we nauwelijks meer zien, hoe revolutionair deze eigenlijk is in het licht van de geschiedenis van het westerse denken. Plato zei nog: om de werkelijkheid te leren kennen, moet je je ogen dicht doen. Daarvoor moet je niet kijken, maar schouwen. Tot de zeventiende eeuw heeft deze visie gedomineerd, daarna is het steeds meer geworden: om de werkelijkheid te leren kennen, moet je je ogen open doen. Tot aan de twintigste eeuw verovert die nieuwe aanpak alleen de natuurwetenschappen, maar sinds de twintigste eeuw ook de filosofie en de theologie, zodat de Duitse filosoof Martin Heidegger tot de verzuchting kwam: ‘De wetenschap denkt niet’. Zij weet wel van alles, maar zij denkt niet. En omdat zij niet denkt, lost zij de wezenlijke vragen niet op.

 

Dat geldt helaas mijns inziens ook voor het empirisch onderzoek naar kerkplanting. De conclusie van het onderzoek is dat ‘nieuwe kerken’ aanmerkelijk meer niet-kerkelijken bereiken dat ‘oude kerken’. En de ‘aanbeveling’ daaraan verbonden is dan dat kerkplanting gestimuleerd moet worden. Op deze manier kan het vraagstuk van de kerkplanting echter niet opgelost worden. We zullen de ogen ook dicht moeten doen en moeten denken over de vraag wat voor kerk we willen en moeten zijn.

Dat gebeurt in deze scriptie alleen in een paragraaf over de theologische betekenis van cijfers en een hoofdstukje over de Bijbelse theologie van kerkgroei. De conclusie hieruit, dat kerkplanting wezenlijk is voor de kerk, wordt echter nogal snel getrokken. In de eerste plaats wordt mijns inziens niet helder onderscheiden tussen het streven naar kerkgroei aan de ene kant en de concrete huidige praktijk van kerkplanting aan de andere kant. Ook al was het zo, dat het streven naar kerkgroei bij het wezen van de kerk hoort, dan nog impliceert dit als zodanig niets voor de manier waarop dit gebeurt, en dus ook niet voor de vraag of de huidige manier van kerkplanting daartoe een goed middel is. Daar is een zelfstandige theologische argumentatie voor nodig.

 

Bovendien lijkt het mij te gemakkelijk om te zeggen dat kerkgroei tot het wezen van de Nieuwtestamentische gemeente behoort. We zullen in het Nieuwe Testament toch op zijn minst moeten onderscheiden tussen de Paulinische en de Johanneïsche stroming. Dat de eerste missionair gericht is, lijkt wel duidelijk. Maar de tweede, veel mystieker stroming van het Johanneïsche christendom, lijkt helemaal niet zo’n behoefte aan groei te hebben gehad, integendeel: ‘Wie onrecht doet, laat hij nog meer onrecht doen. En wie vuil is, laat hij nog vuiler worden’, staat er in het Johanneïsche geschrift Openbaring (22:1). Met andere woorden: dit is de tijd waarin God de wereld verzegelt met het oog op het oordeel. Hij geeft de wereld aan zichzelf over (Romeinen 1), Hij bevestigt haar in haar onwezen, haar kwaad en ongeloof. En zo verzegelt Hij de gemeente in haar tegengestelde gestalte, in haar gemeenschap met Christus.

 

Dat is taal die je vandaag de dag nergens hoort, maar ook deze afgescheiden wijze van leven is een legitieme vorm van christen-zijn. En wij moeten opnieuw de ogen dicht doen en nadenken over wat wij vandaag voor gestalte willen aannemen. Helaas vormt het onderzoek van Alrik Vos daaraan nog geen bijdrage.

 

Dit onderzoek is gedaan in (als ik het zo zeggen mag) afgescheiden kerken. Ik ben zelf Hervormd opgegroeid, nu lid van de Protestantse Kerk. Het is misschien niet toevallig dat de denkbewegingen rond kerkplanting in deze kerken zich soms in tegengestelde richting bewegen. Beide soorten kerken verhouden zich daarin kritisch tot hun eigen verleden. De afgescheiden kerken hebben sinds de jaren ’60 veelal in een vorm van isolement geleefd, in de hoop en ook in de oprecht ervaren roeping om juist zo de schat van het Evangelie te bewaren. Sinds kort staan echter de ramen naar de wereld wijd open, en dat wordt ervaren als belangrijke verworvenheid.

In de Protestantse kerk is het omgekeerd. Daar staat sinds de jaren ’60 de deur naar de wereld wijd open, met als resultaat dat er vooral mensen naar buiten gewandeld zijn. Als reactie daarop beseffen velen binnen de traditionele ‘volkskerk’ nu juist dat de deur naar de wereld ook wel eens dicht mag, om gewoon bij Christus te zijn en daar het geheimenis te genieten dat de wereld niet verstaat. Alleen in de mystieke verbondenheid met Christus kan de kerk de kracht ontvangen in deze wereld te volharden. Als er mensen zijn die zich willen wagen aan allerlei vormen van gemeentestichting:  zegen gewenst! Maar laten zij ook leren van de mislukkingen van het verleden en omgekeerd ook hen zegenen die Christus zoeken in de afzondering.

Het verschil tussen de ‘afgescheiden’ en de Hervormde manier van denken meen ik ook te bespeuren in het gemak waarmee de kerkplanting aanvaard wordt. Onderhuids valt in de scriptie van Alrik Vos een manier van denken te bespeuren, die zich niet zoveel zorgen maakt om bestaande kerkelijke instituten. De twee grote volkskerken van ons land (RKK en PKN) hebben echter nog steeds een ‘landelijke dekking’ als het gaat om hun gemeenten. Er is bij mijn weten geen vierkante meter in Nederland te vinden, die niet deel uitmaakt van een RK-parochie of een PKN-gemeente. Dat maakt dat kerkplanting voor mensen uit deze volkskerken een heel andere betekenis heeft. Je denkt dan veel eerder na over de vraag, hoe de verhouding is tussen kerkplanting en kerkelijk instituut, en oecumene. Is kerkplanting niet heel snel een vorm van concurrentie? Moeten we dat wel willen? Is het niet veel beter om te zoeken naar vitalisering van bestaande gemeenten? Is het niet belangrijker om te streven naar oecumene? Zit onder de ideeën van kerkplanting toch niet ten diepste een congregationalistische manier van denken? Heeft God ons dan niet willen zegenen door de ‘planting’ van de volkskerk? Voor mij zijn deze vragen wel zo belangrijk, dat ik weinig heil zie in kerkplantingen van een afzonderlijk kerkgenootschap. Als er al van gemeentestichting sprake moet zijn, zouden we dit alleen moeten willen als oecumene van christenen, als samenwerking tussen protestanten in alle soorten en maten en katholieken. “In de huidige constellatie lopen we ernstig het risico dat elke protestantse denominatie onder het mom van ‘missionair werk’ gewoon het eigen kerkelijke wereldje cultiveert; of dat nu het vrijgemaakt-gereformeerde, christelijk-gereformeerde, evangelische of hervormd-gereformeerde wereldje is. Allemaal kunnen we pogen ons eigen kerkelijke subcultuurtje weer interessant te maken door er iets van een gemeentestichtingsproject aan te verbinden.” (W. Dekker, Marginaal en missionair, 163)

 

Ik zie de opkomst van de gemeentestichting ook als een escape uit de verlegenheid rondom ons eigen kerk-zijn, en als een legitimatie om maar niet bezig te hoeven zijn met de vernieuwing van de bestaande gemeenten. Als we nieuwkomers kunnen doorverwijzen naar een nieuwe gemeente, hoeft de oude gemeente niet te veranderen. Want dat bleek in het verleden verschrikkelijk moeilijk. Nieuwkomers konden geen aansluiting vinden bij bestaande gemeenten, die niet de souplesse en beweeglijkheid konden opbrengen die daarvoor vereist is. De opkomst van gemeentestichting bewijst dus in ieder geval dit: hoe verstard wij zijn.

Die verstarring lossen we echter niet op door nieuwe gemeenten te stichten. Die lossen we überhaupt niet op met missionair werk. Ook die verstarring lossen we alleen op door de luiken naar de wereld een moment dicht te doen, door de ogen dicht te doen, en te beseffen wie Christus voor ons is. Als we dat beseffen, sterft al onze kerkelijke onnozelheid en ziekelijke hang naar het oude vanzelf.

Dit artikel is dus geen pleidooi voor conservatisme. Het is een pleidooi voor vernieuwing. Maar werkelijke vernieuwing is geen vernieuwing van vormen. Welke vormen we in de kerk hanteren – in de liturgie bijvoorbeeld – zal mij uiteindelijk worst wezen. Het probleem van het westerse christendom zit veel dieper. Het is toe aan een vernieuwing van het hart, die in de mystiek van de binnenkamer beginnen moet, in het schouwen van de Opgestane zoals Johannes Hem schouwde in de volstrekte afzondering op Patmos. Vernieuwing begint niet bij tellen en meten. Daar heeft God een broertje dood aan. Het begint niet bij goede daden of creatieve plannen. Het begint bij gesloten ogen om goed te kunnen denken. Vernieuwing begint bij de herinnering aan de blijdschap in de hemel als er één zondaar is die zich bekeert. En bij de herinnering aan het wonderlijke feit dat je zelf ook zo’n bekeerling kunt zijn en zo’n bron van vreugde voor God.

(Gepubliceerd in tijdschrift ‘Opbouw’ (NGK))

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s