Gunning opnieuw gelezen

GUNNING OPNIEUW GELEZEN

I.

In zijn boek ‘Tegenwoordigheid van geest als Europese uitdaging’[1] analyseert H.W. de Knijff de historische gegroeide splitsing tussen de harde objectwereld en de zachte subjectwereld. Wij leven enerzijds in een wereld die bepaald is door wetenschap en techniek. Daar gaat het om harde kennis. De massa aan ‘data’ kan het subject zich echter niet meer toeëigenen. Het leeft veeleer in een eigen binnenwereld, waar religie en andere liefhebberijen de toon aangeven. Voor het christelijk geloof is dit een dramatische ontwikkeling, maar – zo De Knijff – ook voor de cultuur. Het geloof verliest de voor hem cruciale betrekking op de werkelijkheid, en er ontstaat een geestloze cultuur.

II.

Toen Gunning op 32-jarige leeftijd het boekje ‘Het kruis des verlossers’ schreef, was hij eigenlijk al met ditzelfde probleem bezig, maar dan in de christologie.[2] De kern van de ‘ethische theologie’ is precies de poging om de groeiende kloof tussen christendom en moderniteit op te heffen. En deze kloof hangt sterk samen met bovengenoemde scheiding van subject en object. De moderniteit gaat er met het object en de rationaliteit vandoor, en het christendom blijft met een irrationeel subject achter.

Gunning ziet deze ontwikkeling ook gaande in de christologie. Dan kan de splitsing op de noemer gebracht worden van: de Christus voor ons en de Christus in ons. Bij het eerste gaat het om de plaatsvervanging, bij het tweede om de toerekening (rechtvaardiging). Dat betekent dat het hier nog niet gaat over de splitsing tussen de ‘historische Jezus’ van de ‘wetenschap’ en de ‘kerugmatische’ of ‘dogmatische’ Christus van de kerkelijke theologie. Toch hebben we hier als het ware al met een voorvorm daarvan te maken. De Christus voor ons is Degene die wij objectiveren kunnen, met wie wij als zodanig nog niets te maken hebben. Gunning ziet hem vooral in het gewaad van de orthodoxie als een Christus, van wie we wel weten dat Hij voor onze zonden (in onze plaats) gestorven is, maar van wie niet duidelijk is wat dit voor ons leven zou betekenen. Gunning heeft de moderne mens op het oog, die vervreemd raakt van deze Christus voor ons. Het is zijn bedoeling om de leer van de verlossing door Christus weer te geven op een manier die het klassieke en moderne christendom verzoent. Hij poogt dit te doen door de eenheid van de Christus voor ons en in ons weer tot stand te brengen. Als we zien dat de Christus voor ons de oorsprong is van de Christus in ons die ons leven zo omzet dat onze diepste verlangens bevredigd worden, dan blijft de eenheid van christendom en cultuur in stand en hebben wij tegelijk een beter begrip van wie God is.

Gunning meent daartoe te moeten inzetten bij de Christus in ons. Ook al is de uiterlijke volgorde van Het kruis des verlossers klassiek (eerst de behandeling van de Christus voor ons, dan van de Christus in ons), de feitelijke gang gaat omgekeerd. Dat geldt vanuit de geloofservaring: ‘Alleen Christus in ons leert ons den Christus buiten en voor ons verstaan.’  De Christus buiten ons en voor ons is in die zin een abstractie van de eerste. Vanuit de eerste kom je nooit bij de tweede. Alleen vanuit de werkelijkheid kom je tot de mogelijkheid daarvan.

Gunning kan dan ook het woord ‘mystiek’ in positieve zin gebruiken. Het betekent bij hem vooral dat de waarheid niet langs objectieve, wetenschappelijke weg te vinden is, maar alleen in een ontmoeting van persoon tot persoon. De ‘persoonlijkheid’ is de pion waarmee Gunning het in zijn tijd opkomende naturalisme schaakmat zet. Gunning zocht de wortels van dit naturalisme en kwam uit bij Spinoza; met diens denken zette hij zich diepgaand uiteen. Die (naturalistische) wetenschap komt wel uit bij juistheden, maar niet bij de waarheid. De waarheid is ‘ethisch’: zij realiseert zich in de persoonlijke ontmoeting van Christus met de gelovige. Als Christus niet in ons geboren wordt, als Hij niet de Christus-in-ons wordt, maar de Christus buiten ons blijft, als historische of metafysische grootheid, dan zijn wij verloren.

Voor Gunnings besef gaat het naturalisme hier een verbinding aan met de vermeende orthodoxie, die zich beroept op de verzoeningsleer van Anselmus en de verwerking daarvan in de Heidelbergse catechismus. In de samenvattende interpretatie van Anselmus’ leer in de zondagen 2-6 van de catechismus lijkt nogal afstandelijk over de waarheid van het kruis gesproken te worden. Net zo ‘juist’ als de wetenschappelijke kennis, maar ook net zo ‘onwaar’. Gunning spreekt dan van een ‘dogmatieke geest’ en verzet zich daartegen. De dogmatische en naturalistische geest zijn in wezen dezelfde, want zij objectiveren allebei. Het moet komen van de Christus voor ons tot de Christus in ons, van een historisch of metafysisch geloof tot een waar zaligmakend geloof dat weet heeft van de reële gemeenschap met Christus. Deze gemeenschap is het punt van waaruit Gunning steeds opnieuw denkt, en van waaruit hij andere posities binnen en buiten de kerk analyseert en kritiseert. De waarheid wordt door de christelijke gemeente concreet gekend en ervaren in deze gemeenschap met Christus.

In deze gemeenschap met Christus wordt verstaan dat het kruis niet alleen een historisch feit is, maar ook ‘een supra-historisch beginsel’. ‘Zelfvernedering’ is het kernwoord in de christologie, en daarom ook in de godsleer. 1 Petrus 1: 20 wordt door Gunning aangehaald om aan te tonen dat ‘het bloed van het Lam’ niet alleen een historische, maar ook een eeuwig goddelijke wet, ja dat het een hemelse werkelijkheid is, voordat het een aardse realisering krijgt. In Christus geeft God niet enkele, of alle gaven, maar zichzelf. Zichzelf geven is ware en hoogste liefde (32). Zo kan Gunning ook het lied ‘O groote nood, God is dood!’ positief aanhalen. Zó overwint God de tegenstand, door zichzelf onder het beginsel te plaatsen van de zelfverloochening: ‘Alleen wie zijn leven verliezen zal, zal het behouden.’ Zo verdiept de relatie tussen God en mens zich, komt zij pas tot haar volle ontplooiing, ja zo verdiept ook Gods liefde voor de mens zich. Gunning aarzelt niet het nog krasser zeggen: ‘het [is] Gode door Christus’ zoenofferande eerst mogelijk geworden ons lief te hebben’ (41) en op de vraag of God dan bloed wilde zien antwoordt hij dan ook zonder aarzelen: ‘ja, God moest bloed zien.’ In de context van het geheel moet dit betekenen: alleen door Christus’ offer kan God zijn oorspronkelijke liefde tot de mens doorzetten.

Omdat het kruis als zelfverloochening deel heeft aan het God-zijn van God, kan het een supra-historische betekenis hebben. Het is dan niet alleen het beginsel van de christologie, maar ook van het ware mens zijn. Als Gunning bedenkt wat de doorwerking van het kruis (beter gezegd: de Gekruisigde) als supra-historisch beginsel in ons betekent, deinst hij er niet voor terug de categorie van de herhaling ook hierop te betrekken: ‘Alles wat eens op Golgotha geschied is, moet zich in onze harten herhalen.’ Dat is naar de maat van de klassieke theologie gemeten een gewaagde zegswijze. Van Ruler zou spreken van een vermenging van het christologisch en pneumatologisch gezichtspunt. Wat christologisch geldt, kan zich niet herhalen. Kerst, Goede Vrijdag en Pasen herhalen zich niet, zij kunnen alleen in het gedenken geëerd worden; alleen Pinksteren herhaalt zich. Er is het ‘voor eens en voorgoed’ van de heilsfeiten, die juist níet herhaald hoeven te worden. Christus is in Bethlehem geboren, en de wedergeboorte e.d. zijn een andere categorie.

Gunning betrekt beide op elkaar. Men zou in plaats van ‘de Christus in ons’ natuurlijk ook kunnen spreken van ‘het werk van de Heilige Geest’. Toch zou dat het dualisme waar Gunning tegen strijdt niet opheffen. Het gaat er voor hem juist om dat Christus één is, en dat wij Hem delen, opnieuw kruisigen, als wij wel over Hem spreken als de Christus voor ons, maar niet als de Christus in ons. De Geest is niets anders dan de werking van de levende Heer in ons leven. Dan is de categorie van de herhaling inderdaad bruikbaar, als men het soteriologische element eruit weg snijdt. Óns Golgotha bewerkt geen verlossing, maar onze verlossing is wel dat Christus’ Golgotha zich in ons gaat herhalen. Alleen vanuit deze herhaling kan de oorsprong begrepen worden. Wat chronologisch later kwam, is voor onze kennis het eerste: ‘alleen uit uwe eigen ervaring kunt gij de beteekenis van Jezus’ lijden en sterven verstaan.’

Gunning meent met de zelfverloochening een beginsel te hebben gevonden waarmee God, de wetenschap, de kerk en het individu in één grote greep begrepen zijn en een eenheid ontvangen. Die eenheid was zijn passie. Tegenover de beginnende scheuren in christendom en cultuur zoekt hij redenen om te mogen geloven dat wij met elkaar opgenomen zijn in een organische groei naar voltooiing. Daar stond Gunning – en waar staan wij?

III.

Kenmerkend voor Gunnings boek ‘Het kruis des Verlossers’ is dat het als motto een citaat heeft van de mysticus Angelus Silesius: ‘Al was Christus duizend maal in Bethlehem geboren, maar niet in u, dan bent u verloren.’ Een woord dat tot op de dag van vandaag in bevindelijk gereformeerde kringen geregeld aangehaald wordt. Waarschijnlijk weet niet iedereen goed wie men dan citeert, want de mystiek van Silesius ging nog wel een stapje verder:

‘Ich weiß, daß ohne mich Gott nicht ein Nu kann leben;

Werd’ ich zunicht, er muß von Not den Geist aufgeben.’[3]

Silesius geeft de zelfstandigheid van God dus prijs. Zover gaat Gunning duidelijk niet. Maar het motto geeft wel aan waar voor hem het zwaartepunt ligt: bij de Christus in ons. Alleen vanuit die werkelijkheid in ons is de Christus buiten ons te verstaan; en deze oorsprong geeft ook de grens aan. Christologie mag geen speculatie worden. Zij moet ten dienste staan van de waarheid die inwerkt in ons leven. Concreet betekent dat een concentratie op de ware menswording. Wij zijn mens om waarlijk persoon te worden, en dat worden we door de zelfverloochening.

Gunning kan op deze manier niet alleen een kerkelijke, maar ook een culturele slag slaan. Hij meent met de idee van de persoonlijkheid zowel op te komen voor de realiteit van het geloof, als ook voor de humaniteit. Tegenover de reductie van de mens tot een wezen dat gedachten uitscheidt zoals de nieren urine, én tegenover het Nietzscheaanse streven naar zelfverwerkelijking op kosten van de ander (een zelfverwerkelijking die Gunning ook bij Kuyper cum suis aan het werk zag) stelt Gunning de zelfverloochening. Deze zelfverloochening is echter niet de ontkenning van de humaniteit, maar haar wortel. De zelfverloochening is het ontstaan van de ware persoonlijkheid en in zoverre de ware zelfverwerkelijking. Gunning is zich daarbij ervan bewust, hoe moeilijk dit is. De zelfverloochening is geen program, de mens kan het niet leren en is haar zich nauwelijks bewust. Zij realiseert zich veeleer als het onbewuste geluk van een spelend kind.

Wegens de belangrijke plaats van het begrip persoonlijkheid, kan men zich afvragen of Gunnings theologie wel een theologie van het kruis is.[4] Het kruis is niet het einddoel; het is veeleer moment, doorgang, zowel voor God-in-Christus als voor de mens. Toch is het daarin dan juist ook een supra-historisch beginsel. Beginsel (Grieks: archè; vergelijk voor het nieuwtestamentische gebruik Mk 1:1 en Joh 1:1) is meer dan begin. Een begin gaat voorbij; een beginsel niet. Het kan in chronologische zin wel voorbij gaan, maar als principe, als werking blijft het de geschiedenis bepalen. In de persoonlijkheid blijft het kruis het werkzame principe. Dat geldt voor Gunning zowel christologisch als antropologisch. Christus blijft ook als de Opgestane de Gekruisigde, en de werking van de Opgestane is dan Hij in ons het beginsel van het kruis, van de zelfverlooching plant. Verlossing is niet dat God en wij even door de zure appel van het lijden heen moeten bijten, maar dat God ons een andere zijnswijze leert dan onze natuurlijke. In plaats van objectivering komt toeëigening, in plaats van  zelfverheffing zelfverloochening. Onze menselijkheid gaat door de vleeswording deelnemen aan Gods neerdaling.

IV.

Het kruis des verlossers is het werk van een 32-jarige jongeling. Gunning is het wel blijven herschrijven en liet het herdrukken. In zijn ouderdom schreef hij echter:

‘zoo ik weder over het Kruis des Verlossers schreef, zou ik het anders doen.’ Hij zou nu ‘meer gewicht [leggen] op het boven mij vaststaande, op den Christus vóór mij. Niet omdat ‘Christus in mij’ minder voor mij waarde hebben zou, maar omdat ik beter dan vroeger inzie hoe ‘Christus vóór mij’ reeds alles in zich sluit wat in mij geschiedt en nog voltooid zal worden.’ (116)

Inmiddels zijn er weer vele jaren voorbij. De splitsing tussen het objectieve en het subjectieve heeft zich alleen maar versterkt. De posities zijn versplinterd. Er is allang geen sprake meer van slechts twee stromingen in de cultuur, een klassiek en een modern christendom. De samenleving is veel pluraler, de opvattingen veel diverser. Dat maakt een reactie nog veel moeilijker dan in de tijd van Gunning. Toch is de huidige situatie wel te zien als een gevolg van een beweging die toen al gaande was. Wat er nog aan ‘objectiviteit’ in de christologie is overgebleven, is allang niet meer de ‘Christus voor ons’. Het is de historische Jezus; en die is volgens velen niet te achterhalen. Wij zijn de objecten kwijtgeraakt. In die zin is er alleen maar ‘Christus in ons’. Zo bezien heeft de opmerking van de oude Gunning misschien meer actualiteit dan die van de jonge. Maar hoe komen wij terug bij het besef dat ‘’Christus vóór mij’ reeds alles in zich sluit wat in mij geschiedt en nog voltooid zal worden’?

V.

Gunning kon de ‘persoonlijkheid’ inzetten als herkenbaar ideaal. Deze inzet veronderstelt echter zelf de negentiende eeuwse, grootburgerlijke cultuur. Die is verloren gegaan, volgens Barth cum suis kapot geschoten in de oorlogen en volgens de postmodernen eenvoudig een fictie. Wij lijden er ook niet meer onder. Laat ieder zijn god, en ieder zijn christus maar hebben. Daaronder schuilt de sceptische ‘wijsheid’ dat echte verlossing toch niet bestaat. De postmoderne mens is de ultieme scepticus, maar met een vrolijk gezicht. Wij zoeken god, maar weten al dat wij hem nooit zullen vinden. Het zoeken voelt echter goed. Wat is er dan nog te zeggen? Gunning schrijft:

‘Onder de macht der begoocheling, welke meent te kunnen eten van den honger en te kunnen drinken van den dorst, onder de macht van deze zelfverblinding verdwijnt de ootmoed, de heilzame onrust, de droefheid naar God, de hijgende smart.’

Daarmee lijkt hij trefzeker een nood van onze tijd aan te wijzen. Wij menen te kunnen eten van de honger. Het zoeken van God is ons liever dan het vinden of dienen van Hem. De religie is ons liever dan God zelf. Pas na de dood van God kunnen we echt onbekommerd religieus zijn. In die context is religie inderdaad een vorm van zelfverwerkelijking. In die context lijkt het niet goed te werken om de zelfverloochening in te brengen als ultieme zelfverwerkelijking. Het kan in ieder geval niet gebeuren zonder uitdrukkelijker dan Gunning deed te wijzen op de pijn die Christus in ons doet. Als Golgotha zich in ons herhalen moet, zoals Gunning zegt, dan lijkt me dat wel een theologisch verantwoorde manier van zeggen, maar dan moet de pijn van Golgotha zich ook herhalen. Als het kruis niet alleen een begin, maar ook beginsel is, dan doet geloven in God ook zeer. In de droefheid naar God laat God zich vinden. Ook over de vorming van de persoonlijkheid zal dan scherper, kritischer gesproken moeten worden dan Gunning deed. Dat lijkt hij zelf ook gezien te hebben toen hij op oudere leeftijd zei dat hij de ‘Christus voor ons’ meer wilde benadrukken. Met de dood voor ogen krijgen wij de waarheid ook meer voor ogen; de waarheid dat onze persoonlijkheid niet aan deze zijde van de dood gerealiseerd kan worden – ook niet met God als hulpmiddel – , maar aan gene zijde van de dood te vinden is. Als wij als Mozes aan de Jordaan staan en het beloofde land aan gene zijde zien liggen, zien wij dáár, aan de voor ons onbereikbare kant van de werkelijkheid, ook onszelf.

Éen van de meest vreemde en schone Schriftplaatsen verwijst daarnaar. In Kolossenzen 3:4 staat: “Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid.” Wij geloven niet alleen in Christus’ wederkomst, maar ook in die van onszelf. Vanaf de Overkant zullen wij onszelf tegemoet komen. Zo zullen wij onszelf zien als de persoon die we nu slechts in de verborgenheid bij God zijn. Geloven is de droefheid in de richting van onze wederkomst. Dat accent ontbreekt bij Gunning niet geheel, maar moet in onze tijd nog veel duidelijker aangezet worden dan toen.

[1] Zoetermeer: Boekencentrum 2013. Eerder in dit tijdschrift besproken door Wessel ten Boom (42/4, 2013).

[2] N.a.v. de uitgave van het verzameld werk van J.H. Gunning, in drie delen bij Boekencentrum in Zoetermeer. Het eerste deel verscheen in 2012 en bevat teksten uit de periode 1856-1878; het tweede verscheen in 2014 en bevat teksten uit de periode 1879-1905. Het derde en laatste deel moet nog verschijnen en zal een aantal culturele teksten bevatten, waaronder Gunnings gesprek met Spinoza. Ik refereer hier met name aan het bekende boek ‘Het kruis des verlossers’. In een volgend nummer schrijf ik over de actualiteit van de theologie van Gunning.

[3] Angelus Silesius, Der cherubinische Wandersmann, Zürich 1979, 35. Het motto dat Gunning gebruikte daar op pag. 39.

[4] A. de Lange ontkent dit, J.H. Gunning jr. (1829-1905). Een leven in zelfverloochening, deel 1, Kampen: Kok 1995, 235.