2016 / K.H.Miskotte / Verzameld werk 14

De mystiek hangt al een tijdje in de lucht. Mensen die zich niet meer thuisvoelen in de kerk, voelen zich in onze tijd vaak ook niet meer thuis bij het atheïsme. Beide overtuigingen komen hen te rationalistisch voor. Zij zoeken een geloofsbeleving waarin veel ruimte is voor eigen invulling en voor het gevoel. Daar is in het hectische leven wel behoefte aan, ook als er geen behoefte is aan de deelname aan een godsdienstige gemeenschap. Vandaar dat de mystiek het goed doet, ook wel de christelijke. Zowel binnen als buiten de kerken lezen mensen Eckhardt, Johannes van het Kruis en Teresa van Avila.

Heeft de protestantse traditie hierin ook wat te melden? Vanouds is het protestantisme een stuk armer aan mystiek dan de rooms-katholieke. Na de Reformatie is het protestantisme al snel in wat rationalistisch vaarwater gekomen. Het sterk ontwikkelde zondebesef en de gerichtheid op het aardse leven hebben de mystiek ook niet veel kansen gelaten. Toch is dat natuurlijk niet het hele verhaal. Er is binnen het protestantisme ook een piëtistische stroming, die in Nederland sinds de zeventiende eeuw en tot nu toe doorwerkt in de zogenaamde ‘bevindelijke’ kringen en kerken. In die bevindelijke stroming werd vanouds ook aangesloten bij de middeleeuwse mystiek, zoals blijkt uit de enorme populariteit van Thomas á Kempis ‘Navolging van Christus’ en ook wel de geschriften van Bernard van Clairvaux. In de hoofdstroom van het moderne protestantisme, die meer aansluiting bij de cultuur zocht, heeft dit gedachtegoed echter niet doorgewerkt. En toen dit midden van de kerken de theologie van Karl Barth ging omarmen, kwam ‘mystiek’ een tijdlang helemaal in het verdomhoekje terecht. ‘Mystiek’ werd door Barth en de zijnen geassocieerd met ‘religie’ en gesteld tegenover ‘geloof’. In de mystiek zoekt de mens een weg naar God, via zichzelf, via zijn ervaring, maar dit is in feite verzet tegen God, want de ware God is degene die in Christus tot ons komt, en tot de wereld, en die ons dan ook uit laat gaan in de wereld.

Kornelis Heiko Miskotte was als bekend een leerling van Barth. Toch wordt hij vaak opgenomen in het lijstje ‘protestantse mystici’. En terecht. Hoe zit dat dan eigenlijk, en zouden we vandaag wat aan de mystieke teksten van Miskotte kunnen hebben? Er is gelegenheid opnieuw over die vraag na te denken, nu er weer een nieuw deel aan het Verzameld Werk van Miskotte is toegevoegd, getiteld: ‘Mystiek en bevinding’. Werd bij de verschijning van deel 1 (1981) nog gerekend met acht delen, dit is inmiddels deel 14, en het einde is nog niet in zicht. Neem daarbij dat binnenkort eindelijk een biografie van Miskotte uitkomt (van de hand van Herman de Liagre Böhl), en concludeer dat er nog voldoende aandacht voor Miskotte is.

Toch is die aandacht vergeleken met eerder sterk afgenomen. Wie leest zijn werk nog? Niet zo heel veel mensen meer. Niet alleen de inhoud, maar ook de zeer barokke, abundante stijl met veel bijvoeglijke naamwoorden, lange zinnen, accenten en leestekens stuit veel hedendaagse lezers, ook hoger geschoolden tegen de borst. Als hij nog gelezen wordt, dan vermoedelijk nu niet primair door het progressieve, maar meer het conservatieve deel van de kerken, het deel dat Miskotte eerder in het ketterbankje plaatste.

Mogelijk vindt juist dit meer conservatieve deel van de kerken iets van haar gading in dit deel over mystiek en bevinding, omdat dit resoneert tegen de achtergrond van haar eigen traditie. De Miskotte-lezers van het eerste uur daarentegen zullen misschien wat vreemd tegenover deze kant van Miskotte staan. Zij zullen wellicht zich de lichte schok herinneren, die Bert ter Schegget teweeg bracht toen hij begin jaren 1990 begon te spreken over Miskotte als bevindelijk theoloog.[1] Dat was nieuw, omdat Miskotte tot dat moment vooral in Barthiaanse zin geïnterpreteerd was. De cesuur die Barth getrokken had, leek duidelijk en normatief. Niet terug achter Barth! Wanneer je Miskotte als bevindelijk theoloog gaat lezen, wil je dan niet terug achter Barth, die de mystiek als ‘atheïstisch’ veroordeeld had? De mens is niet geroepen om de wereld te verlaten, maar om, God navolgend die in Christus tot de wereld is gekomen, ook zelf de wending naar die wereld te maken. Zo was Barth, en met hem Miskotte, ook verbonden geraakt met ethiek, politiek en socialisme.

Laten wij in het licht van dit alles de in deel 14 verzamelde teksten nog eens herlezen. Wat staat er in? Dit deel van het Verzameld Werk bestaat uit achttien verschillende teksten, van heel verschillende omvang en daterend uit de periode 1915-1916 (‘Dagboek van een student’) tot 1969 (De inleiding uit ‘Kennis en bevinding’). We hebben hier dus te maken met een doorsnede van teksten uit de gehele periode van Miskottes schrijverschap. Dit laat al zien hoezeer het mystieke voor Miskotte niet een fase van zijn leven heeft bepaald, maar zijn leven lang is meegegaan.

Het is naar mijn idee niet zo moeilijk de belangrijkste teksten uit deze verzameling te selecteren. Het gaat dan om ‘Van verborgen omgang’ (1924-1925) en ‘De weg van het gebed’ (1962). Een vroege tekst en een late tekst dus, aan de hand waarvan we ook iets van de ontwikkeling van Miskotte kunnen laten zien. (Overigens hebben de redacteuren ons een goede dienst bewezen door ook binnen dezelfde teksten steeds te laten zien, hoe deze van druk tot druk gewijzigd werden.)

‘Van verborgen omgang’ is een serie van negen artikelen, die Miskotte schreef in zijn eerste gemeente Kortgene. In Zeeland kwam Miskotte veel in aanraking met bevindelijk gereformeerden, binnen en buiten de Hervormde kerk. Zij lazen de ‘oudvaders’, zoals bijvoorbeeld de Zeeuw Smijtegelt. Zij vonden daar een spreken over de innerlijke geloofsweg, het leven met God, dat zij in de zondagse kerkdiensten soms misten. Miskotte leest in deze tijd zelf ook de oudvaders, en hij is zeker niet negatief over hen. Zij helpen ham als tegenwicht tegen de seculiere denkwijze, die hij niet alleen om hem heen maar minstens zo sterk in zichzelf waarneemt. Zij helpen hem ook zijn eigen Godservaring te verwoorden. Ook al kritiseert hij het denken binnen de Gereformeerde Gemeente, dat neigt naar ‘alverwerping’, hij roemt iemand als Smijtegelt als pastor en kenner van de ziel. Om in deze context nu als het ware te laten zien hoe hij zélf, anders maar toch verwant het leven God beleeft, schrijft hij de serie ‘Van verborgen omgang’, die hier en daar voor die tijd heel persoonlijk gekleurd is. Miskotte behandelt de verschillende aspecten van de verborgen omgang onder de noemers ‘vervreemding’, ‘verborgenheid’, ‘gebed’, ‘versterving’, ‘verrukking’, ‘verlating’, en ‘stilte’. Hieraan vooraf gaat echter een principieel theologische ‘inleiding’ en een zeer persoonlijk ‘getuigenis’. In de inleiding stelt Miskotte dat de verborgen omgang met God geschiedt door God zelf, onafhankelijk van ons gevoel.

“Zoals men zegt: het regent, het sneeuwt, het is mooi weer, afgezien van uw stemming, gezindheid en wil; zó is het in de ziel: de Omgang geschiedt, gebeurt, is; de Verborgene leeft, doet, verkeert met ons. Van de verborgen Omgang valt slechts een zwakke schaduw of spiegeling in het bewustzijn, in het gevoel en in de wil.”[2]

Miskotte legt dus sterk de nadruk op God als eigenlijk subject van de bevinding, en de verborgenheid hiervan voor de gelovige; maar dit zijn geen opmerkingen die buiten de bevindelijke (of wellicht zelfs mystieke) traditie vallen. Bepalend is dat Gods initiatief werkelijk iets wekt in de ziel, een eigen zielenleven. Dit is ook voor Miskotte het geval, zoals het op de inleiding volgende ‘getuigenis’ beschrijft. Daaruit geven we hier een langer citaat, waarin we meteen mooi de stijl van Miskotte leren kennen:

“Ik weet de tijd niet, dat ik God niet zocht. Wanneer was dat, een tijd zónder de gedachte aan Hem? Nee, waarlijk, ik weet het niet. […] En wel vond ik antwoord en zeker verscheen een lijn in mijn leven, maar God te hebben inwendig, dichter bij mij dan mijn hart, zie, dat vond ik niet. En dat was juist mijn droom: de eeuwigheid te voelen in elk moment van de tijd, alle willekeur te temmen en te ordenen, elk uur te besteden als een stuk van het volmaakte bestek dat God in eeuwigheid doet rijzen[3] – en zie, het mocht niet; hoewel het zo edel was gemeend, God wilde het niet. En mijn gekwelde hart, dat geofferd had de zoete vreugde om het licht en om de rozen en de smarten en triomfen van de deinende stemmingen, het hart dat geofferd had al zijn verrukkingen en stamelingen in de purperen nacht van de schoonheid en al de klaarheden mét de duisterheden van het denken, en al het zachte dolen van de schuchtere gevoelens om een geliefd hoofd en al de eisen en al de raadsels – geofferd – om enkel in één vervoerdheid voor God te zijn, om met Hem te verkeren dag aan dag – mijn gekwelde hart vond God niet en ik mocht van Zijn heerlijkheid niet zingen. Dit heeft mij in de vertwijfeling gebracht, in het volstrekte ontberen en er was een tijd dat ik niets meer voelde en niets meer wist dan het kloppen en hameren van het opstandig verlangen.

En toen, zo plotseling als de bliksem in een zwoele nacht voor de slapeloze verborgen velden open en bloot legt, heeft het als een groot licht in mij gestaan en het zal mij nimmermeer verlaten: je hebt je vroomheid nog niet geofferd, jij wilt de verborgen omgang beginnen, in jouw bewustzijn moet de oplossing zijn […] dit is er gebeurd, dat God mij tot in de diepten van mijn hart heeft geprent Zijn wonder: de omgang is, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde.”[4]

Hier wordt niet alleen geschreven over mystiek, dit is zelf een mystieke tekst, die bovendien sterk binnen de kaders van de Nadere Reformatie blijft. Ook een zinnetje als ‘je hebt je vroomheid nog niet geofferd’ zullen de bevindelijk gereformeerden herkennen. Ook zij kennen de verleiding hun geloofshouvast te zoeken in eigen ervaren, maar streven ernaar ook dit nog te offeren en het houvast alleen in het verlossend werk van Christus te zoeken.

Als we de rest van dit unieke, vroege geschrift van Miskotte volgen, dan valt ook de aansluiting bij de middeleeuwen (Ruusbroec) op. Er valt minder sterk de nadruk op (de ervaring van) eigen zondigheid. Dat is een verschil met de oudvaders. Echter, ‘het stuk van de ellende’ (om met de Heidelberger catechismus te spreken) speelt wel degelijk een cruciale rol. Deze verlorenheid is bij Miskotte echter niet alleen en niet primair de zondigheid (en al helemaal niet de burgerlijke opvatting hiervan), maar primair de ervaring van Gods afwezigheid. Daarin herkende Miskotte zich in een worsteling met God, in aanvechting. Hij greep veel naar Luther, Pascal, Kierkegaard en Dostojewski. Hij verstond Kafka van binnen uit. Daar zetelde voor hem de godsvervreemding, die in de Nadere Reformatie meer gevoeld wordt in de morele zondigheid en de verleiding van het wereldse. Het betekent echter wel dat ook voor Miskotte het christendom een verlossingsreligie is, en geen doe-religie. De verlossing wordt beleefd in de eigen omgang met God, en van daaruit wordt gezocht naar dienstbaarheid aan de wereld. De kern is echter de verlossing door Jezus Christus, die niet alleen beaamd, maar ook in de ervaring gezocht wordt.

De weg van het gebed

Ook Miskottes boek ‘De weg van het gebed’ is opgenomen in dit deel van het Verzameld Werk. Miskotte schrijft nu niet meer over de verborgen omgang, waarvan het gebed slechts een uiting is, maar over het gebed. Hij gaat wel uit van een zekere gebedscrisis, maar laat het boek zeker niet opgaan in een behandeling hiervan of in tips om deze crisis te lijf te gaan. Hij wil als een fenomenoloog beschrijven wat het gebed is, hoe het in zijn verschillende wezenlijke gestalten verschijnt. Toch: het gebed is een duidelijk voorstelbare praktijk, daarin iets anders dan de verborgen omgang. Het boekje heeft in die zin een nuchterder inslag dan het soms haast romantische stuk uit 1915-1916. Er wordt gebeden, hier en overal, daar gaat Miskotte van uit, en hij vraagt naar de essentie van die praktijk.

Eén van de accenten die hij dan legt, is dat het gebed steeds verbonden moet zijn met het handelen, bijvoorbeeld wanneer wij bidden om ons dagelijks brood:

“Wie bidt voor ‘ons’ dagelijks brood heeft al belijdenis gedaan van de broederschap van de mensen in de deelname aan de goederen van het leven en kán dat niet gemeend hebben als hij niet zijn dienende plaats zoekt, daar waar aan de sociale gerechtigheid nog iets, of veel ontbreekt.”[5]

Desanne van Brederode, die een lezing hield bij de presentatie van VW 14, vertelde dat dit feit, dat in de bevinding van Miskotte de wereld nooit uit beeld verdwijnt haar bijzonder aansprak.[6] Er is geen tegenstelling tussen innerlijk en uiterlijk of tussen eeuwigheid en tijd; bij ware mystiek gaat het juist om een inéén van deze twee, ze voortdurend samen beleven en doorleven. Voor Van Brederode is dit een aantrekkelijker perspectief dan de hedendaagse mystiek, die te individualistisch en methodistisch of zelfs egoïstisch is.

Dit accent is bij Miskotte in de jaren 1960 wel aanwezig, maar in zijn Kortgeense periode niet. Daar is het gebed een onderdeel van de verborgen omgang met God, en is de kern van het gebed de vraag om te mogen blijven in de verborgenheid van God.[7] Daar is ook ruimte om in die verborgen omgang een moment echt met de rug naar de wereld te gaan staan. De verborgen omgang is een omgang van God met de ziel, waarin de wereld voor een moment niet meedoet. Ik vraag mij of er in dit opzicht niet een tegoed is van de jonge Miskotte ten opzichte van de oudere. In onze tijd wordt ons innerlijk volkomen door de buitenwereld gekoloniseerd. In die context lijkt het me legitiem om bewust weer ruimte te creëren voor een eigen innerlijke ruimte. Het pleidooi van Miskotte in ‘De weg van het gebed’ (om het gebed in te kaderen in het zich-bevinden-in-de-wereld) hielp toen vermoedelijk wel, omdat er (althans in sommige delen van de kerk) nog tevéél innerlijkheid was en te weinig bekommernis om de wereld; maar het is de vraag of in onze tijd waarin we juist de binnenwereld kwijt zijn, de vroege Miskotte niet het meest te zeggen heeft. Heden ten dage moeten we eerder zeggen: er is ook een legitiem moment van zich terugtrekken uit de wereld. Jezus zocht de eenzame plaatsen om te bidden. De zondag is een dag apart gezet, afgezonderd, om achter een muur die van de wereld scheidt ons aangezicht te richten op God. In een helder beeld: als wij bidden, doen wij de ogen dicht. Het woord ‘mystiek’ hangt niet voor niets samen met het Griekse werkwoord ‘muein’, dat ‘sluiten’ betekent. Om tot de waarheid te komen, sluit de mysticus de ogen voor de buitenwereld. Maar we mogen wel zeggen: dat geldt niet alleen voor de mysticus, dat geldt ook voor ieder die bidt. In de symboolhandeling van het sluiten van de ogen zit alles. Om God te zien moet je je ogen niet open doen, maar dicht doen. Het is de bedoeling dat hij ze daarna weer open doet, maar de zin van het religieuze leven ligt niet in het verwerkelijken van dat waar om gebeden is (volgens Miskotte in de kern het Rijk Gods). De verborgen omgang heeft ook betekenis in zichzelf. Anders is het gevaar dat ook de mystiek nog in het kader van zelfontplooiing en streven terechtkomt. Dit functionele denken is in de moderniteit, versneld sinds de jaren zestig, dominant geworden in de kerken, het meest vermoedelijk in de protestantse. Ik denk dat Miskotte in de jaren zestig ook enigszins door dit denken bevangen is geraakt. Natuurlijk, als wij bidden, ‘geef ons heden ons dagelijks brood’, dan moeten we ook bedenken hoe we zelf voor brood voor de armen kunnen zorgen. Maar als wij de mystiek en het gebed helemaal inkaderen in de ethiek of het diaconaat of het missionaire of welke vorm van handelen ook, is dat een oneigenlijke reductie. Bij christelijke mystiek gaat het om passiviteit.

Daarmee kom ik op het geschrift, dat misschien het derde hoofdgerecht VW 14 mag heten. Dat is ‘In ruimte gezet’. Dit boekje gaat over ‘de zin van de zondag’ zoals de ondertitel zegt. In 1941, midden in de oorlog dus, waagt Miskotte het hier te schrijven over het geloof als ‘gezonde lijdelijkheid’ en ‘hogere onverschilligheid’. Hij haalt Psalm 4 aan: “Ik zal in vrede neerliggen en slapen, want Gij alleen, o Heere, zult mij doen zeker wonen”. De slaap is hét beeld van menselijke passiviteit en daarin goddelijke activiteit. Slapend kom je thuis bij God. Miskotte pleit dus voor een leven van heilige passiviteit (dat we leren vanuit de zondag). Hij schrijft:

“Er is een waken-laten over ons waken – dat is de gezegende slaap, de diepe, sterkende dronk, de lafenis. […] zo ligt er in het geloof-zelf een wezenlijk vermogen tot een hogere onverschilligheid. Het geloof is te waanzinnig om nog waanzinnig te worden; het heeft zich de dingen te zeer aangetrokken om nu niet de moed te hebben zich bij wijlen te onttrekken aan ‘alles’.“[8]

Het moet ons hier opvallen, dat Miskotte niet schrijft dat wij ons aan alles mogen onttrekken, omdat wij ons de dingen niet aantrekken. Nee, het geloof heeft zich de dingen zéér aangetrokken, veel meer dan het ongeloof. Maar juist daarom weet het ook dat ‘alles’ niet alles is. Er is meer dan alles, en dat is God. Hem te beminnen doet men juist omdát men zich alles zo heeft aangetrokken, en omdat men weet dat Hij zich over alles wil ontfermen. Maar dan verliest het geloof ook de krampachtige idee dat het zelf de wereld zou moeten veranderen. God is er om de wereld te veranderen, en daarom mag het geloof de ogen sluiten in een gezónde lijdelijkheid – gezond omdat zij niet voortkomt uit egoïsme of pessimisme, maar uit geloof.

Concluderend zeg ik dat, wanneer we ‘mystiek’ opvatten als het hartstochtelijk streven naar vereniging van de ziel met God, dit inderdaad op Miskotte (ook de vroege) niet zonder meer van toepassing is. Wanneer we onder ‘bevinding’ verstaan: de eigen innerlijke ervaring van het verbond met de HEER – dan is dat veel meer van toepassing op héél Miskottes werk. En deze bevinding is dan een bepaalde vorm van mystiek: geen versmeltingsmystiek, waarin de eenheid met God bestaat in de opheffing, zelfs oplossing van de eigenheden van God en de ziel – maar ontmoetingsmystiek die uit is op een betrekking, waarin persoonlijk iets van een verbondsrelatie beleefd wordt. Daarin blijft het tegenover van God en de ziel. Miskottes mystieke teksten vallen niet onder de versmeltingsmystiek, maar sommige wel onder de ontmoetingsmystiek, waarbij in het begin van zijn schrijverschap ook de wereld als ‘derde’ soms wegvalt, terwijl deze zich in zijn latere werk steeds ertussen blijft mengen. De echte mysticus zal zeggen, dat daardoor de Godsontmoeting toch steeds gestoord wordt, en zich afvragen of de wereld niets soms losgelaten mag worden – terwijl toch van ontmóetingsmystiek sprake blijft.

Dit alles betekent dat Miskotte voor ons niet direct een gemakkelijke gespreksgenoot zal zijn, maar toch voldoende affiniteit moet hebben om als gesprekspartner te kunnen dienen, zowel binnen als buiten de kerken. Laten we hopen dat dit deel van het Verzameld Werk ook die uitwerking heeft.

[1] G.H. ter Schegget, Indachtig KHM, in: ‘Kornelis Heiko Miskotte. Brug tussen cultuur en theologie’, 11vv  en ‘De bevinding bij K.H. Miskotte’, in: H.W. de Knijff e.a. (red.), Horen en zien, 43-69. Willem van der Meiden geeft aan zich toen niet in Ter Scheggets beschrijving en verwerking te herkennen, maar nu wel. (‘Miskottes Godsontmoeting’, IdW 2016, 39-42.)

[2]

[3] Dit is een citaat uit de psalmberijming van 1773, psalm 89:1, een in bevindelijke kerken veel gezongen vers: “Ik weet, hoe ’t vast gebouw van Uwe gunstbewijzen, / Naar Uw gemaakt bestek, in eeuwigheid zal rijzen;” De uitgevers hebben dit niet vermeld in deze uitgave van het VW.

[4] VW 14, 64.

[5] VW 14, 249

[6]

[7] VW 14, 70.

[8] VW 14, 159

[gepubliceerd in tijdschrift Ophef]