Naar een andere viering van het Heilig Avondmaal

‘Doe dit tot Mijn gedachtenis.’ (1 Kor. 11:24)

Steeds minder kan ik mij voorstellen dat het de bedoeling van Jezus geweest zou zijn, dat wij (althans in veel gemeenten) niet meer dan vier keer per jaar het heilig Avondmaal vieren. Als Hij zegt ‘doe dit tot Mijn gedachtenis’, dan ligt het toch eerder in deze lijn om elke zondag het Avondmaal te vieren. Wij noemen dat al gauw Rooms, maar dan vergeten we dat het de eerste eeuwen van het christendom gebruikelijk was om elke zondag het Avondmaal te vieren. Dat was dus nog voordat de kerk (door Paus en bisschoppen die misbruik maakten van hun macht) in verval raakte.

Wij leven in een tijd waarin nog steeds een soort concurrentie bestaat tussen de preek en het heilig Avondmaal. Je kunt in een kerk komen, waar elke zondag het Avondmaal gevierd wordt, maar dan duurt de preek meestal niet langer dan twaalf minuten en die heeft dan inhoudelijk weinig om het lijf. Het zijn vaak wat uitlegkundige opmerkingen of wat vrijblijvende adviezen, maar echte verkondiging van zonde en genade is het niet. Anderzijds kun je ook in een kerk komen, waar elke zondag een stevige preek wordt gehouden, maar waar het Avondmaal slechts enkele keren per jaar gevierd wordt. Daardoor leeft dit sacrament voor velen ook niet echt. Het lijkt een soort overbodige toevoeging aan het aanbod van de kerk. We kunnen eigenlijk ook wel zonder, zo is vaak de onuitgesproken gedachte.

Ik vind deze tegenstelling tussen preekkerken en Avondmaalskerken jammer. We doen onszelf daarmee te kort. We zouden beide moeten combineren. Elke zondag een preek van een halfuur dus. Bij minder kan de preek moeilijk diepte krijgen, en bij meer vervalt de dominee al gauw in zinloze herhaling. Maar óók elke zondag Christus ontvangen in de tekenen van brood en wijn, Zijn lichaam en Zijn bloed.

De eerste christenen, die elke week het heilig Avondmaal vierden, deden dat ook anders dan wij. Zij combineerden deze heilige maaltijd ter gedachtenis aan het sterven van Christus met een complete maaltijd, waarin ieder iets meenam en men zo samen deelde tot ieder verzadigd was. Men noemde dit de ‘liefdemaaltijd’. Ook Paulus kent dit gebruik (1 Kor. 11). Later heeft men de liefdemaaltijd losgemaakt van de viering van het sacrament. Dat is eigenlijk jammer. Daarmee is immers de relatie die wij persoonlijk tot God hebben sterk losgemaakt van de relatie die we als leden van Christus’ lichaam met elkaar hebben. Daardoor is het idee ontstaan, dat je vooral voor jezelf en voor je individuele geloofsbeleving aan het Avondmaal gaat. Dit is nooit de bedoeling geweest.

We zouden dus niet alleen een stevige preek én de viering van het Avondmaal elke week moeten combineren, maar daarbij zouden we ook elkaar moeten ontmoeten in een ‘gewone’ maaltijd, om te ervaren dat we één gemeente zijn. ‘Eén is uw Meester, en u bent allen broeders en zusters’, zegt Jezus.

Ja, dat betekent een heel wat langere dienst dan de nu gebruikelijke vijf kwartier. Laten we zeggen: een samenkomst van drie uur, van tien tot één, met eerst een kerkdienst, dan de viering van het Avondmaal, en dan een gezamenlijke broodmaaltijd.

Ik weet het, ‘tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren’ (J.C. Bloem). Ik noem er een paar.

Hoe gaan we dan om met de voorbereiding op het heilig Avondmaal, waar we nu een aparte zondag voor inruimen? Die aparte voorbereiding komt niet zozeer te vervallen, die wordt eerder verscherpt. Elke week opnieuw moeten wij ons voorbereiden op de ontmoeting met God en met elkaar. Elke week opnieuw vraagt dat bezinning en verzoening. Juist als we elke week aan Tafel gaan, zullen we dat meer beseffen.

Hoe gaan we om met hen die niet aan het Avondmaal wensen te gaan? Dat bestond niet in de eerste christelijke gemeente, maar nu wel. Om dit probleem op te lossen, is in de kerkgeschiedenis is een lange tijd gebruik geweest om de Avondmaalsviering echt apart na de Woordverkondiging te doen. Na de preek en de voorbede geeft de dominee de zegen. Dan kunnen degenen die niet willen deelnemen aan het Avondmaal naar huis gaan. Wie wel blijft, doet ook mee aan het Avondmaal. In sommige streken bestaat dit gebruik nog, ik heb het zelf in Duitsland meegemaakt. Zo wordt voorkomen dat een deel van de gemeente de Avondmaalszondagen mijdt, zoals nu helaas het geval is.

Hoe gaan we dan om met het Avondmaalsfomulier? Het klassieke gereformeerde formulier is voor deze praktijk inderdaad niet geschikt. In plaats daarvan zou een heel kort formulier gebruikt moeten worden, waarin het meest noodzakelijke kernachtig geformuleerd wordt.

Hoe gaan we dan om met degenen die niet aan mogen gaan, omdat ze nog geen belijdenis hebben gedaan? Naar mijn mening zou de leeftijd van het belijdenis doen verlaagd kunnen worden naar 12 jaar. Dus niet aan het einde, maar aan het begin van de catechisaties. Twaalf is de leeftijd waarop joodse kinderen ‘zoon of dochter der wet’ worden (vergelijk Jezus in Lukas 2) en daarmee geestelijk volwassen. Het is ook ongeveer de leeftijd waarop Luther en Calvijn de mensen belijdenis lieten doen. Kinderen jonger dan twaalf kunnen niet meedoen aan het Avondmaal, maar natuurlijk wel aan de liefdemaaltijd daarna.

Hoe gaan we dan om met de tweede dienst? We moeten eerlijk constateren dat in talloze plaatsen in Nederland de tweede dienst al niet meer bestaat. Voor deze gemeenten zal een nieuwe beleving van de zondag, met een samenkomst van tien tot één, een goede impuls kunnen geven. De zondag wordt veel meer Dag des Heeren. Waar de tweede dienst wel bestaat, moet die zeker niet worden afgeschaft. In de avond kan er een korte samenkomst gehouden worden. Dat daar alleen de liefhebbers komen, is geen probleem.

 

Zo zullen er ongetwijfeld nog meer ‘wetten en praktische bezwaren’ zijn die maken, dat deze droom voorlopig geen werkelijkheid zal worden. Wat te doen met het traditionele koffiedrinken bij oma na kerktijd? Wat te doen in heel grote gemeenten? Enzovoorts. Maar als we zien dat dit ideaal misschien meer is wat Jezus bedoelde, zullen we die bezwaren wel kunnen overwinnen. Ik geloof dat, als de ontkerkelijking in Nederland nog verder voortschrijdt, God ons als vanzelf dichter bij deze droom zal brengen.

 

W.M.Dekker

Mastenbroek

(licht gewijzigde versie van een meditatie in ‘Ons Kerkblad’, oktober 2013)