Over de mystiek (van K.H. Miskotte en Desanne van Brederode)

Gisteren, 5 november, was de presentatie van het 14e deel van het verzameld werk van de Hervormde theoloog K.H. Miskotte, die leefde van 1894 tot 1976 en een belangrijke rol heeft gespeeld in cultuur, kerk en theologie. Dit deel verzamelt zijn teksten over mystiek en bevinding, deterend uit de periode 1915 tot 1969 – dit alleen al laat zien hoezeer dit thema en vooral ook deze zijnswijze een rode draad in zijn leven was.

Desanne van Brederode hield een mooie lezing over de mystiek bij Miskotte. Volgens gaat het bij Miskotte’s mystiek (en Desanne van Brederode volgt hem daarin) het niet om de twee zielen van Faust (Zwei Seelen in meine Brust), om een tegenstelling tussen innerlijk en uiterlijk of tussen eeuwigheid en tijd; bij ware mystiek gaat het juist om een inéén van deze twee, ze voortdurend samen beleven en doorleven, waarbij de pool van de eeuwigheid ook sterk naar voren komt in de Schrift. Mijn gisteren uitgesproken respons op haar lezing hieronder.

“Ik denk dat dit een tamelijk treffende karakterisering is van de bevinding van Miskotte en ik herken ook lijnen uit het werk van Desanne van Brederode, die al in haar roman ‘Ave verum corpus’ gezocht heeft naar een soort van aardse, heel lichamelijke en dan ook erotische mystiek.

Ik begrijp de inzet ook tegenover de manier waarop in onze tijd de mystiek ter sprake komt. Daar wordt het inderdaad snel individualistisch en methodistisch, egoïstisch, zoals Van Brederode verwoordt.

Toch heb ik wel een vraag, namelijk deze: is er bij Miskotte niet ook ruimte voor die echte mystiek als: met je rug naar de wereld gaan staan om je zo tot God te wenden? En zit daar ook niet een tegoed? Ik werk dat uit in drie opmerkingen.

Eerste opmerking. Het probleem met de huidige herleving van mystiek is volgens Van Brederode vooral het individualistische ervan. Voor mij is het ook dat niet altijd duidelijk is op wie de mystiek zich richt. Miskotte is ongetwijfeld daarin een klassiek christelijk theoloog, dat Hij weet tot wie hij zich richt. Dat is zoals bekend verbonden met allerlei kritiek op traditionele godsvoorstellingen, maar hij kent God bij zijn Naam. Daarom is de kern van de mystiek voor Miskotte het gebed. En de zondag, dat wil zeggen: niet alleen rond het Woord, maar ook in de gemeente vindt die mystieke ontmoeting plaats. Ik zie dat niet zo bij Van Brederode. Ook de manier waarop zij over de Schrift als bron van mystiek spreekt doet mij veel solo-religieuzer aan dan bij Miskotte.

Tweede opmerking. Als mystiek gaat om de vereniging van het aardse en hemelse, van bidden en werken, dan heeft dat een tegoed ten opzichte van een mystiek die ervaringen zoekt die juist niet te maken hebben met ons bevinden in de wereld. Tegelijk, in onze tijd wordt ons innerlijk volkomen door de buitenwereld gekoloniseerd. In die context lijkt het me legitiem om bewust weer ruimte te creëren voor een eigen innerlijke ruimte. Het pleidooi van Miskotte en Van Brederode helpt dus wel in een tijd waarin er teveel innerlijkheid is, maar niet in onze tijd waarin we juist de binnenwereld kwijt zijn. Heden ten dage moeten we eerder zeggen: er is ook een legitiem moment van zich terugtrekken uit de wereld. Jezus zocht de eenzame plaatsen om te bidden. De zondag is een dag apart gezet, afgezonderd, om achter een muur die van de wereld scheidt ons aangezicht te richten op God. In een helder beeld: als wij bidden, doen wij de ogen dicht. In die symboolhandeling zit alles. Om God te zien moet je je ogen niet open doen, maar dicht doen.

Derde opmerking. Als mystiek draait om het verenigen van bidden en werken, dan is het gevaar dat ook de mystiek nog in het kader van zelfontplooiing en streven terechtkomt. Om een ander citaat van Faust (dan dat van Brederode) aan te halen: Aan het einde wordt Faust toch gered, door de engelen, die dan zeggen: “Wer strebend sich bemüht, den können wir erlösen”. Dat is typisch modern. Miskotte is in de jaren zestig misschien ook enigszins door dit denken bevangen geraakt. Natuurlijk, als wij bidden, ‘geef ons heden ons dagelijks brood’, dan moeten we ook bedenken hoe we voor brood voor de armen kunnen zorgen. Maar als wij de mystiek en het gebed helemaal inkaderen in de ethiek of het diaconaat of het missionaire of welke vorm van handelen ook, is dat een oneigenlijke reductie. Bij christelijke mystiek gaat het om passiviteit. Miskotte weet dat ook wel, want bijvoorbeeld in een klein geschriftje uit 1941, getiteld ‘In ruimte gezet. Overdenkingen over de zin van de zondag’ – ook opgenomen in dit deel van VW – waagt hij het – midden in de oorlog dus – te schrijven over het geloof als ‘gezonde lijdelijkheid’ en ‘hogere onverschilligheid’. Hij haalt Psalm 4 aan: “Ik zal in vrede neerliggen en slapen, want Gij alleen, o Heere, zult mij doen zeker wonen”. De slaap is hét beeld van menselijke passiviteit en daarin goddelijke activiteit. Slapend kom je thuis bij God. Miskotte pleit dus voor een leven van heilige passiviteit. Citaat: ‘er is een waken-laten over ons waken – dat is de gezegende slaap […] zoo ligt er in het geloof-zelf een wezenlijk vermogen tot een hogere onverschilligheid.’ (111-112).

Dus: moet er niet ook ruimte zijn voor mystiek als bewust met je rug naar de wereld gaan staan om in een gezonde lijdelijkheid je over te geven aan de God, die zich in de Schriften openbaart?”