1996 / R.E. Friedman / De verdwijning van God

Richard Elliot Friedman, De verdwijning van God, Een goddelijk mysterie, Ten Have, Baarn, 1996, ISBN 90 259 4669 0, verkoopprijs 49,90.

De auteur van het boek, Richard Elliot Friedman, is hoogleraar Hebreeuwse taal en literatuur in San Diego, Californië. Hij beschrijft `de verdwijning van God’ als een mysterie van drie delen. In het eerste mysterie behandelt hij het verdwijnen van God in de Hebreeuwse bijbel. Als we de Hebreeuwse bijbel volgen, ontdekken we dat God geleidelijk aan steeds minder verschijnt aan de mens en ook steeds minder spreekt. In de hof spreekt Hij nog met Adam en Eva, in de Kronieken-boeken is Hij vergeleken daarmee bijna verdwenen. Tegelijk verschuift het goddelijk-menselijk evenwicht: de verantwoordelijkheid voor het leven op aarde verschuift geleidelijk van God naar de mens. De mens lijkt meer en meer volwassen te worden, daartoe in staat gesteld door God zelf. De verdwijning is zelfs het noodzakelijke gevolg van de relatie, de worsteling tussen God en mens. God trekt zich steeds meer terug ten behoeve van de menselijke vrijheid. Wel blijft de mogelijkheid van een goddelijk-menselijke hereniging open.

De erfenis van het tijdperk van de Hebreeuwse bijbel werd overgenomen door het judaïsme en het christendom. Het judaïsme is volgens Friedman een consistente volgende stap in de bijbelse ontwikkelingen. Zo geeft bijvoorbeeld de doctrine van de twee Tora’s – de mondelinge en de schriftelijke – de menselijke verantwoordelijkheid een nog grotere plaats. En het christendom leert dat God in Jezus enerzijds dichter bij de mensen komt dan ooit, maar anderzijds Zich ook meer dan ooit verbergt: God in de gedaante van een mens. De kruisiging van Jezus vormt een hoogtepunt in het goddelijk-menselijk drama.

Het tweede mysterie behandelt de God-is-dood-theorie van Nietzsche. De verdwijning van God wordt hier expliciet: Hij verkondigde de dood van God. Nietzsche schijnt beseft te hebben dat het idee God te verliezen waanzin impliceert: het is een terugkeer naar de chaosmachten, die God bedwongen had met de schepping. Het heeft twee grote consequenties voor de maatschappij: de basis voor de ethiek is weg en mensen weten geen raad meer met hun angsten. Pas in de twintigste eeuw zijn we de verdwijning of `dood’ van God zo bewust en intens gaan voelen. Vermoedelijk komt dat vooral door de triomf van de wetenschap en de technologie. Duidelijker dan ooit tevoren, zitten we met de twee problemen die Nietzsche voorzag.

Het derde mysterie behandelt de verhouding tussen natuurwetenschap en geloof. Friedman vertelt dat volgens de natuurkunde ruimte en tijd een gesloten oppervlakte zonder enige grens vormen. Het heelal is er eenvoudigweg. Vandaar dat hij ervoor pleit God niet langer te zien als Iemand los van het universum. Een godsbeeld waar we nog wel mee uit de voeten kunnen in deze tijd, is dat van de Kabbala. Dit systeem blijkt grote overeenkomsten te vertonen met het wetenschappelijk model van de Big Bang. In de Kabbala vindt de `oerknal’, de schepping, plaats in God zelf. Alles wat wij kennen drukt de goddelijke persoonlijkheid uit. Wij kennen God dan ook alleen uit zijn schepping. God is in de kosmos en de kosmos is in God. De reden dat deze twee concepten – Big Bang en Kabbala – zoveel gemeenschappelijks hebben, is dat de manier waarop het universum werd gevormd, deel uitmaakt van onze eigen samenstelling en beleving. Elk stukje van iedereen was aanwezig toen de Big Bang plaatsvond, letterlijk.

Het bewustzijn is het domein waarin het kosmische proces op het niveau van het denken komt. De kwantumfysica en het onzekerheidsprincipe, die een essentieel onderdeel van de natuurkunde uitmaken, lijken erop te wijzen dat ons bewustzijn fundamenteel met het universum verbonden is. In de Kabbala speelt het menselijk bewustzijn een beslissende rol in het proces van de terugkeer van alles tot het Ene waaruit alles voortkwam. Zo kan de mens een beslissende rol spelen in de bestemming van het universum. Het is de taak van de mensen het universum te herstellen in de originele harmonie.

Het raakvlak van de kosmologie met de theologie betekent dat elke vooruitgang in het werk van natuurkundigen en astronomen potentieel onze zoektocht naar de aard van God stimuleert. Welke God zullen we op deze zoektocht dan aantreffen? Friedman:

`Het kan best geen persoonlijke God zijn. In het licht van de reeds gedane ontdekkingen over de oorsprong van de kosmos, kunnen wij verwachten dat, wat wij ook aantreffen, het overal zal zijn, overal functionerend; het zal in ons zijn, en wij zullen erin zijn, zoals dit wordt beschouwd in de Big Bang en de Kabbala.’ (p. 277)

Het zou een hereniging met God zijn. Deze hereniging vindt plaats op het moment dat het proces van volwassenwording voltooid is. Het is onze taak om waardig genoeg te worden om met de godheid herenigd te worden. Ons gedrag heeft gevolgen voor de bestemming van het universum, zoals de Kabbala leert. Wij staan op het punt ons te herenigen met het goddelijke, maar eveneens om planetaire catastrofes over ons heen te roepen. Het komt nu meer dan ooit aan op de juiste keuzes. Dit werkelijkheidsmodel biedt ons volgens Friedman tevens de mogelijkheid de twee problemen die Nietzsche heeft voorzien – ontbreken van een basis van de moraal en niet meer om kunnen gaan met onze fundamentele angsten – op te lossen.

`Velen vinden het bijbelse concept van God kinderachtig. Wellicht was dat destijds het niveau waarop de godheid kon worden gekend en naderen wij nu het punt waarop wij in staat zijn om hier op een hoger niveau mee om te gaan. (…) Nu doemt de mogelijkheid op om iets te leren over de werkelijke natuur van het goddelijke.’

Waarde-oordeel

Friedman wijst ons in `Mysterie I’ op een aspect van de bijbel dat zeker de aandacht verdient. Het werkt als eye-opener. Echter, om dit aspect te laten uitgroeien tot hèt thema van de bijbel, is niet terecht. Dat God met de aartsvaders anders omgaat dan met de Israëlieten in de koningentijd, is overduidelijk. Maar of dat werkelijk te maken heeft met een terugtrekking van God, is maar de vraag. Kan het niet zo zijn, dat het veel meer te maken heeft met een verandering op literair niveau? En: als de Israëlieten de verhalen over de aartsvaders vertellen, willen ze dan wel alleen vertellen hoe het vroeger was, of willen ze ook aanduiden hoe zij in hun tijd God ervaren? Bovendien: Het hele boek der psalmen staat bol van Godservaringen, en dit zijn geen puur individuele ervaringen, maar in deze liederen heeft het hele volk Israël zich de tijden door herkend.

De manier waarop Friedman de opkomst van het christendom plaatst in de lijn van de verdwijning van God, is mijns inziens ook veel te kort door de bocht. De dood van Jezus is geen fase in het volwassenwordingsproces van de mensheid – een proces dat God zelf zou ondersteunen! – maar openbaart veel meer hoe groot de menselijke opstand tegen God is. Bovendien is God in Jezus de mensen werkelijk nabij gekomen, en luidt dat werkelijk een nieuwe tijd in. `Het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen’, dat wil niet zeggen dat de mensen nu zo mondig beginnen te worden dat zij meer en meer `waardig’ aan het worden zijn om de godheid te ontmoeten, maar dat zegt iets over de fundamentele verandering die geschiedt met de komst van Jezus, van God uit.

Friedman is uiteindelijk een vooruitgangsdenker. De menselijke mondigheid waardeert hij bijzonder. Kwalijk is echter, dat hij probeert te doen alsof God zelf dit proces van volwassenwor­ding zou stimuleren, en dat hij deze ontwikkeling probeert terug te lezen in de bijbel.

Al lezende in het boek van Friedman wordt steeds duidelijker, in welke God wij nog moeten geloven. Het is een God die in feite zozeer met zijn schepping samenvalt, dat God en mens geen werkelijk tegenover meer zijn. Een onpersoonlijke grond achter de kosmos, zonder duidelijke eigenschappen en zonder duidelijke wil. Een geheel andere God dan Degene die in de bijbel spreekt. Friedman noemt ons godsbeeld van een hoger niveau dan dat van de bijbel. De God van de bijbel lijkt mij echter heel wat hoger te staan dan de God van Friedman. En het is zelfs de vraag of de laatste het nog wel waard is om in te geloven. Friedman weet niet duidelijk te maken waarom wij in deze God zouden moeten geloven, als Hij zou bestaan. Bovendien: waar is deze God nog voor nodig?

Kortom, het feit dat Friedman in dit boek een poging heeft gedaan om het geloof ook voor mensen van deze tijd aantrekkelijk te houden, is te waarderen. Het systeem waar hij uiteindelijk op uitkomt is echter zeer hypothetisch; bovendien wordt God weggeredeneerd. Alleen omdat Friedman blijkbaar zelf nog behoefte heeft aan een God, houdt hij het bestaan ervan nog vast.

(1997)