Recensie Groot / De Boer, Religie zonder God

Theo de Boer en Ger Groot, Religie zonder God: een dialoog. Amsterdam 2013.

Dit boek gaat in op wat je dé hedendaagse trend rond religie zou kunnen noemen: religie zonder God. Mensen voelen en noemen zich wel religieus, maar God speelt daarin eigenlijk geen rol. Dit is een manier van denken die tot voor kort eigenlijk ondenkbaar was. Toen was het zo: of je bent religieus, en dan heb je iets met God; of je bent atheïst, en dan heb je niks met God. Kenmerkend voor onze tijd is dat er een soort atheïstische religiositeit ontstaat. Mensen hebben spijt van hun afscheid van de religie, maar geen spijt van hun afscheid van God. God kan niet, maar religieus zijn is wel prettig.

Deze positie heeft een voorloper in de ‘God-is-dood-theologie’ van de jaren 60-70. Die was toen echter nog veel meer door het christendom bepaald. Men wilde wel wat met Jezus, maar niet meer met God. God werd geassocieerd met metafysica, en de metafysica is voorbij. God kan niet meer, maar Jezus wel.

In onze tijd leek het even zo dat dit binnen het christendom zou omdraaien. Juist met Jezus kregen velen moeite, maar aan God wilden ze vasthouden. Dit zou je de klassieke vrijzinnigheid kunnen noemen.

De nieuwe vrijzinnigheid wil echter ook het begrip God loslaten. Het woord God doet nog veel te veel denken aan het christendom. Juist spirituele mensen vermijden in onze tijd dus het woord God. Waarbij ze het nog steeds associëren met het metafysische hoogste Wezen.

Theo de Boer denkt in de lijn van Levinas en Karl Barth. Hij tekent de ontwikkeling van de klassieke Verlichtingsgod naar een religie zonder God als hoogste Zijnde. Maar toch neemt de Boer geen afstand van God, eigenlijk alleen van een bepaald godsbegrip, namelijk dat van de metafysica. Wat God dan precies wel is, wordt minder duidelijk. De Boer denkt vanuit het Evangelie als verhaal met eigen kracht, als tekst, als Woord. Daarin toont hij zich de protestant in het debat. Op de vraag van Groot waarom we dan precies op de teksten van de Bijbel zouden vertrouwen, en niet op andere teksten, komt geen duidelijk antwoord.

Ger Groot zit dichter bij de echte herleving van religie zoals die momenteel plaatsvindt. Hij heeft niet alleen afscheid genomen van de Verlichtingsgod, maar überhaupt van God. Het lijkt in wezen op wat Hendrikse ‘geloven in een god die niet bestaat’ noemt; alleen heeft Groot vanuit zijn katholieke achtergrond veel meer oog voor de kracht van het ritueel. Groot verbaast zich erover dat de alom aanvaarde dood van God niet tot de dood van de religie heeft geleid. Blijkbaar zit er iets in religie, dat ons niet loslaat. Het heeft te maken met het onzegbare en onbeheersbare van het leven, waar we door het ritueel mee in het reine kunnen komen. Voor Groot is God dan ook uiteindelijk niet belangrijk. Hier komt een functioneel waarheidsbegrip en religiebegrip om de hoek kijken. Als religie prettig en behulpzaam is, dan gaan we er gewoon mee door, God of geen God.

Wellicht (maar wellicht ook niet) zitten veel kerkmensen nog in de positie: er is een hoogste Wezen. Dat is de positie die zowel Groot als De Boer verlaten hebben. Als je deze positie blijft aanhangen, is de vraag of je überhaupt nog in gesprek kunt komen met de buitenkerkelijke beleving van religie. Daar ligt voor het christendom een grote uitdaging. In het Nederlandse taalgebied is deze dialoog van Boer en Groot een van de beste recente inleidingen in deze problematiek.