Recensie Tomas Halik, Geduld met God

In 1978 werd de Tsjech Tomáš Halík op dertigjarige leeftijd heimelijk tot rooms-katholiek priester gewijd. Hij zette zich daarna in voor de ondergrondse kerk. Hij was de vertrouweling van de Tsjechische president Vaclav Havel. Tegenwoordig is hij hoogleraar aan de Karlsuniversiteit te Praag. Door paus Johannes Paulus II werd hij benoemd tot lid van de raad voor de dialoog met niet-gelovigen. Dit jaar ontving hij de Templeton Prijs (soms de ‘Nobelprijs voor Religie’ genoemd) vanwege de manier waarop hij de vrede en de dialoog tussen de verschillende levensbeschouwingen, inclusief het atheïsme zoekt. Onlangs verscheen voor het eerst een boek van hem in het Nederlands.[1] Tijd voor een kennismaking.

De ondertitel van ‘Geduld met God’ luidt: ‘De geschiedenis van Zacheüs vandaag’. Halík neemt de ontmoeting van Jezus met de tollenaar Zacheüs als een kader om zijn ideeën over de ontmoeting van het kerkelijke christendom met de ‘niet-gelovigen’ vandaag over te dragen. De kern van het boek is het verzet tegen zowel seculiere als religieuze absolute zekerheid. Twijfel is niet iets dat vermeden moet worden, maar is juist iets wat alle mensen verbindt. Alle mensen zijn ergens ‘Zacheüssen’: sceptisch geworden ten opzichte van religieuze waarheden, maar niettemin van achter hun bladerdak toch nog op zoek. Voor zulke mensen is juist het evangelie, dat alle mensen kan omarmen.

Het sterkste idee van het boek is dat je geloof zou kunnen omschrijven als ‘geduld met God’. De omschrijving is blijkens het motto voorin van de Koptische theoloog Adel Bestavros: ‘Geduld met anderen is liefde, geduld met zichzelf is hoop, geduld met God is geloof’. Halík gebruikt dit om te laten zien dat geloof en ongeloof niet zo’n simpele tegenstelling zijn als vaak verondersteld wordt. Fundamentalistische gelovigen en secularisten zijn het op dit punt van harte eens: je gelooft of je gelooft niet, zo simpel is dat. Halík ziet zulk fundamentalisme en secularisme als de grootste gevaren van onze tijd. Hij presenteert daarbij geloof als vasthouden aan God ook tegen weersprekende ervaringen en overtuigingen in. De programmatische eerste zin van het boek luidt dan ook: “Ik deel bijna alle overtuigingen van de atheïsten – behalve hun geloof, dat er geen God is.” Deze overtuiging dat het geloof het ongeloof heel goed verstaan en op een bepaald niveau ook bevestigen kan, is niet nieuw, maar was het wel waard geweest nog eens herhaald te worden, ook in de Nederlandse context, waarin ‘theïsten’ en ‘atheïsten’ nog steeds vaak in tamelijk zinloze ‘debatten’ tegenover elkaar staan. Inderdaad, waar het beide groepen aan ontbreekt is het besef dat geloof niet zozeer gaat over bepaalde overtuigingen, alswel over een manier van leven, waarin God de eerste is, hoewel je Hem lang niet altijd begrijpen kunt. Het is, om één voorbeeld te noemen, niet zo dat de atheïst meent dat de theodicee-vraag niet opgelost kan worden, terwijl de gelovige meent dat die wel opgelost kan worden. Beide menen dat hij níet opgelost kan worden, maar voor de een is dat een reden God gedag te zeggen, en voor de ander niet. Zo komen we inderdaad dichter bij wat de Bijbel geloof noemt.

Het is alleen een beetje jammer dat Halík deze waardevolle gedachte niet diepgaand doordenkt. Hij raakt steeds even aan een thema, maar gaat dan weer verder. Zo noemt hij ook een hoop Grote Namen – Augustinus, Luther, Pascal, Kierkegaard, Nietzsche, Chesterton, Bonhoeffer, Heidegger – maar het is lang niet altijd duidelijk welke gedachte hij nu precies van hen meeneemt, laat staan dat hij deze zelfstandig interpreteert. Het boek valt dus in intellectueel opzicht tegen. Het willen ‘omarmen’ (141 e.a.) van de verschillende levensbeschouwing vanuit katholiek standpunt wreekt zich hier wellicht. Dat geloof en ongeloof niet zo eenvoudig tegenover elkaar te stellen zijn, impliceert toch niet dat Nietzsche en Pascal ook zo’n beetje hetzelfde zouden moeten beweren. Je zou hopen dat Halík op dit punt soms iets kritischer zou lezen. Ook zou hij de implicaties van het idee dat geloof ‘geduld met God’ is meer kunnen doordenken. Het veronderstelt immers dat God iemand is met wie wij geduld moeten hebben. Dat is in eerste instantie niet positief. Als het waar is, dan is God niet zomaar aanwezig, Hij hult zich in zwijgen, Hij heeft een onbegrijpelijke, wellicht duistere kant. Maar wat zegt dat dan over de God van de Bijbel? Die kant wordt door Halík nauwelijks onderzocht. Sterker nog, het hoofdstuk dat het meest direct over God gaat (VII) spreekt op een panentheïstische wijze over Hem. Hoe dat verbonden kan worden met de centrale notie van het geduld met God, is mij niet duidelijk.

Opvallend voor deze synthetische denker is overigens dat één denker vanwege zijn ‘perverse verlossingsleer’ (165) zonder pardon wordt weggezet. Dat is Anselmus van Canterbury. Voor zijn verzoeningsleer heeft Halík geen goed woord over. In het verzoeningsdenken van Anselmus vindt het verzoeningsdenken van Halík blijkbaar zijn grens. Dat zou wel eens typerend kunnen zijn voor de ‘omarmende’ manier van denken die in onze tijd veelal populair is. Je moet je altijd afvragen: ‘wat wordt níet omarmd’? Dan blijkt er toch ineens een harde grens te zijn. Misschien kan dat dan de basis worden, om het geheel nog eens opnieuw te bezien. Misschien komen dan ook andere kanten van Jezus naar voren. Jezus riep de sceptische Zacheüs achter zijn bladerdak vandaan, om hem te omarmen, ontdekte Halik, en daarin zag hij zijn tijdgenoot. Maar was dat dan wel de hele Jezus?

Willem Maarten Dekker

[1]  Tomáš Halík, Geduld met God. Twijfel als brug tussen geloven en niet-geloven, Boekencentrum 2014.