Secularisatie: teken van Gods toorn (Interview)

Interview voor maandblad ‘De Oogst’, door Gertjan de Jong, verschenen in het nummer van januari 2016.

Secularisatie: teken van Gods toorn

‘Kerken die geen vindplaatsen van God zijn, kunnen net zo goed afgebroken worden. Kerkgebouwen die niet meer als Godshuis in gebruik zijn – en de komende jaren zal dat met honderden kerken gebeuren – moeten eigenlijk aan de natuurlijke afbraak prijsgegeven worden. Laat ze langzaam wegrotten, als tekenen van Gods toorn.’

Het is een indringende boodschap die predikant Willem Maarten Dekker brengt in zijn boek ‘Provocatie – Over de zin van God en geloof’. Vanuit zijn woning in Waddinxveen licht hij zijn visie op secularisatie toe. Hij uit zich soms in ferme taal. Maar hij komt zeker niet schreeuwerig of onbezonnen over. Je merkt: deze man leeft vanuit ontzag voor Gods Woord, vanuit de ‘verbogen omgang’ met Hem. Vanuit dat gezichtspunt wil hij ook het thema secularisatie benaderen. Niet slechts als theoloog of wetenschapper, maar als gelovige.

Is het niet erg boud om secularisatie als oordeel van God te zien? ‘Ik vind het nodig als correctie op hoe er meestal over secularisatie gesproken wordt. Normaal gesproken is secularisatie een sociologische theorie, gebaseerd op het afnemend ledenaantal van kerken. En je hebt ook een filosofische kijk op secularisatie. Dan is secularisatie meer het verdwijnen van het besef van het hogere en de eeuwigheid. Ik wil niet zeggen dat deze benaderingen niet kloppen, maar je moet secularisatie ook vanuit het geloof duiden. Dus vanuit de vraag: Hoe kijk je vanuit de relatie van God tot de wereld aan tegen secularisatie?’

‘Ik geloof dat God met alles op aarde te maken heeft, ofwel in genade of in oordeel. In dat licht kun je secularisatie denk ik niet anders zien dan als een oordeel. Ik denk dat dat geloofsperspectief op secularisatie noodzakelijk is, omdat anders ook de oplossingen tekortschieten. Want als er een sociologisch probleem is, dan moet er ook een sociologische oplossing zijn. Als er een filosofisch probleem is, dan moet er ook een filosofische oplossing zijn. Maar als er ook nog een ander probleem is, dan kun je daarmee duidelijk maken dat die andere oplossingen niet voldoen. Je creëert andere legitieme mogelijkheden van reageren. In de ballingschap van Israël zijn er bijvoorbeeld klaagliederen geschreven. Als je secularisatie puur sociologisch of filosofisch opvat dan is er geen reden om klaagliederen te schrijven. Maar vanuit het geloof gezien is dat een legitieme reactie.’

Niet verklaarbaar

Is secularisatie dan een oordeel over bepaalde zonden, of over ongeloof? ‘In een oordeel zit een aspect dat wij kunnen begrijpen en ook een aspect dat wij niet kunnen begrijpen. Dat was in de ballingschap van Israël ook zo. Er zit een aspect in dat te begrijpen is en dat, zoals de profeten zeggen, te maken heeft met de zonde. Maar waarom komt de ballingschap op dat moment en waarom houdt die ook na zeventig jaar weer op? Er zit ook iets in dat boven ons begrip uit gaat. De manier waarop God oordeelt in de Bijbel is niet altijd logisch. Soms wordt iets dat in onze ogen relatief onschuldig is heel zwaar bestraft, en andere keren is er iets dat heel zwaar is onze ogen, en dan reageert God heel lankmoedig en geduldig.’

‘Wij kunnen niet alles van God verklaren. Toen de watersnoodramp in 1953 plaatsvond werd dat nog heel breed in het christendom gezien al een oordeel van God. Maar dat betekende voor die mensen niet dat de Zeeuwen grotere zondaren waren dan de Groningers, dat slaat natuurlijk nergens op. Dus je kunt iets verstaan als een teken van God zonder dat je daarmee zegt dat je het helemaal begrijpt. Het is vooral de erkenning: wij hebben hierin wel met God te maken.’

‘Het heeft ook te maken met de gang van onze cultuur, waarin het menselijke handelen en het zich terugtrekken van God op een bepaalde manier aan elkaar beantwoorden. In zekere zin kun je moeilijk zeggen wat nou het eerste was en wat later volgde. Kennen wij God niet meer omdat Hij zich heeft teruggetrokken of heeft Hij zich teruggetrokken omdat wij Hem niet meer willen kennen?’

Overvolle moskee

Dekker heeft al jong ervaren wat de gevolgen zijn van secularisatie. ‘Ik heb op een reformatorische basisschool gezeten in Rotterdam, maar wel in een seculiere en deels ook islamitische omgeving. Het personeel op die school behoorde allemaal tot de gereformeerde gezindte, maar tachtig procent van de leerlingen was allochtoon. En in de kerk had ik eigenlijk niet of nauwelijks leeftijdsgenoten. We kregen met z’n drieën catechisatie. Als ik naar school fietste dan kwam ik langs een hele grote kerk in Rotterdam-West die toen net een moskee was geworden. Op vrijdagmiddag was die hele grote kerk te klein om alle moslims te herbergen. Die mannen lagen buiten de moskee op de stoep te knielen. Dus het idee dat christen-zijn niet normaal is, zit bij mij heel diep. En als God dan toch een realiteit voor je is, en Hij is ergens ook almachtig, dan ontkom je niet aan de conclusie dat Hij ook met secularisatie te maken heeft.’

Loop je zo niet het gevaar dat je te weinig oog hebt voor Gods tekenen van genade, die er toch ook zijn in de Westerse kerk? ‘Natuurlijk, die tekenen moet je wel zien. In de hemel is er blijdschap over één zondaar die zich bekeert. Je kunt je verwonderen en verheugen over die tekenen van Gods genade. Maar we moeten ook beseffen dat oordeel wat anders is dan een noodlot. Het lot waaraan wij onderworpen zijn is de wil van God, en omdat het de wil is van iemand die ons liefheeft, is het juist geen noodlot. Oordeel betekent niet dat de deuren naar Gods genade gesloten zijn.’

Maar de bekering van zondaren is niet iets dat wij in eigen hand hebben, benadrukt Dekker.

Hij is er daarom beducht voor om een ‘missionair program’ uit te rollen, om zo de secularisatie te lijf te gaan. ‘Er is geen truc of systeem om ervoor te zorgen dat zondaren zich gaan bekeren. Het gevaar is dat we het Evangelie gaan “vermarkten” en gaan aanpassen aan de menselijke behoeften. Ik denk dat de kerk in die zin heel menselijk over zichzelf is gaan denken, dat zij zichzelf is gaan opvatten als een soort bedrijf.’

‘Die ontwikkeling zie je sterk in de Protestantse Kerk in Nederland, waartoe ik zelf behoor. Wij zijn onszelf gaan opvatten als wereldlijk instituut met een product: het evangelie. Maar als het evangelie een product is, dan maak je het onderhevig aan de wetten van vraag en aanbod. Je maakt de inhoud van wat je wil communiceren afhankelijk van hoe de mensen daarop reageren. Dan raakt de uniciteit van het Evangelie steeds meer op de achtergrond en wordt er uiteindelijk weinig bijzonders meer verkondigd. Dan gaat bijvoorbeeld sterk het medemenselijke, het humane, het progressieve, het linkse overheersen. De kerk moet zich dan profileren door bijvoorbeeld de Nederlandse Staat aan te klagen wegens haar gedrag jegens vluchtelingen. Alsof wij één of andere maatschappelijke organisatie zijn. Waarin onderscheid je dan van een soort linkse, progressieve actiegroep, daar heb je toch helemaal geen kerk voor nodig?’

Mediaspektakel

‘Een kerk die haar tienjarig bestaan viert als een soort mediaspektakel, vind ik potsierlijk en bijna Godslasterlijk. Bij de oprichting van de PKN werd benadrukt: “Wij zijn geen nieuwe kerk, wij zijn een voorzetting.” Dat was gericht tegen de Hersteld Hervormden, die stelden namelijk dat de PKN een nieuwe kerk was. En dan ga je als Protestantse Kerk tien jaar later toch je tienjarig bestaan vieren, waarmee je juist toegeeft dat je een eigen creatie bent. Een kerk die een eigen creatie is, dat is toch geen kerk? Hierin toont de Protestantse Kerk dat zij zichzelf is gaan beschouwen als een menselijke onderneming. En dan wordt je daar ook op afgerekend uiteraard, en dan is de zaak eigenlijk bij voorbaat al verloren. De kerk wordt zo een landelijke onderneming met plaatselijke filialen. En een dominee mag in zo’n filiaal als een soort manager implementeren wat in de landelijke kerk bedacht wordt.’

In dagblad Trouw stelde Dekker onlangs: ‘De kerk heeft alle eeuwen door maar met één probleem en één concurrent te maken gehad, en dat is het ongeloof. Dat ongeloof heeft zij altijd proberen te overwinnen door het Woord. Dat is het enige dat de kerk te doen heeft, en dit pogen is het enige dat haar bestaan rechtvaardigt.’ Kerk zijn is volgens Dekker een kwestie van lange adem: ‘De kerk leeft van het vertrouwen dat God die lange adem heeft. (…) Dat ontspant. Dus blijf gewoon je werk doen. Voor predikant betekent dat: verkondig het Woord. Voor ambtsdragers: geef bezonnen leiding. Voor de gemeente: oefen je in geloof, hoop en liefde. Voor beleidsmakers: vraag je af of je functie wel nodig is’ (Trouw, 18 oktober 2015).

Het verkondigen van Gods Woord is dus de belangrijkste opdracht voor de kerk? ‘Ja, dat denk ik wel ja. Zonder verantwoordelijkheid te nemen voor hoe er op dat Woord gereageerd wordt. Als Jezus Zijn gelijkenissen vertelt, lopen de mensen soms weg en soms vinden ze het prachtig. Je krijgt niet het idee dat Jezus zich daar verder veel van aantrekt. En dat doet Paulus ook. Die gaat de synagoge in en als ze hem daar wegsturen dan gaat hij naar de Areopagus in Athene, en als ze hem daar weer wegsturen, dan gaat hij weer naar de volgende plaats.’

Wat voor Dekker niet betekent dat je geen aansluiting moet zoeken bij de leefwereld van je toehoorders. ‘Je moet zeker creatief zijn, ik ben voor een creatieve kerk. Maar je moet die creativiteit inzetten om de oorspronkelijke kracht van het Evangelie in haar uniciteit te laten zien. Het wezen en het tegendraadse van Evangelie moet niet aangetast worden. Zelf verwijs ik in preken vaak naar popliedjes of moderne films. Maar je moet er dan wel een andere draai aan geven. Je moet niet alleen maar bevestigen wat een artiest of filmmaker zelf bedoeld heeft. Je moet zo’n popliedje of film eigenlijk annexeren, dat is precies wat Paulus doet als hij in Athene verwijst naar een tempel voor “de onbekende God”. Paulus zegt dan in Handelingen 17: “Die onbekende God, die u dient zonder dat u Hem kent, die verkondig ik u.” Daarmee worden de Atheners tegelijk bevestigd maar ook beschaamd. Paulus sluit niet slechts aan bij hun cultuur, hij overtroeft die.’

Zicht op de eeuwigheid

Volgens de predikant is het onvermijdelijk dat Gods Woord in onze cultuur op weerstand stuit. ‘Een keer werden mensen heel boos omdat ik een oordeelstekst uit Zefanja had gelezen. Dat is natuurlijk wel bizar, dat mensen boos worden vanwege de Schriftlezing! Ook bij evangelicale christenen merk je dat ze steeds meer moeite krijgen met bepaalde gedeelten uit de Bijbel. Ze vragen zich af: kunnen we dit nog wel lezen, of kunnen we dit nog wel aan onze kinderen vertellen? Eigenlijk beperk je het Evangelie dan tot wat jou aanspreekt. Terwijl het er juist om gaat om open te staan voor wat God wil zeggen tot ons. Dan moet je je niet afvragen: Wat vind ik fijn, wat bevestigt mijn denken, mijn voelen, mijn leven? Ik denk dat het vruchtbaarder is om te vragen: Wat spreekt mij tegen? Wat ergert mij? Wat vind ik eigenlijk onverdraaglijk?’

‘De invloed van secularisatie merk je ook in het verdwijnen van het eeuwigheidsbesef, zowel binnen als buiten de kerk. Gelovigen van zeg vijfhonderd jaar gelegen waren er sterk van doordrongen dat dit leven maar tijdelijk is en straks de eeuwigheid volgt. De eeuwigheid ging voor de tijd. Het is zeer de vraag is of wij dat levensbesef vandaag überhaupt nog kunnen verstaan. Zo eerlijk moeten we denk ik zijn. Het zijn radicale moslims die ons daar nu weer op wijzen. Zij zijn bereid de martelaarsdood te sterven, natuurlijk op een verschrikkelijke manier, maar zij laten daarmee wel zien dat voor hen de werkelijkheid van het paradijs, van Allah, een grotere werkelijkheid is dan de werkelijkheid van dit leven. Dat geweld is heel antichristelijk, maar het martelaarschap en het besef dat je de tijd kunt opgeven omdat de eeuwigheid er is, zat van oorsprong juist in het christendom.’

‘Mensen die ziek zijn gaan natuurlijk wel denken over de eeuwigheid, maar zelfs dan merk dat die oriëntatie op het wereldlijke eigenlijk tot het einde dominant blijft. In dat licht zie ik ook de aandacht voor gebedsgenezing. Waarom was er vroeger geen aandacht voor gebedsgenezing? Dat heeft allerlei redenen, maar dat heeft ook gewoon deze reden: als de eeuwigheid zwaarder weegt dan de tijd en je weet dat je toch een keer moet sterven, dan zit je je je niet steeds zo te bekommeren om je gezondheid. Daarin is het evangelische christendom veel meer modern dan klassiek. Met die hele aandacht voor gebedsgenezing en dat God hier en nu wonderen kan doen bevestigen ze juist dat het om dit leven gaat, om het leven hier op aarde.’

‘Het is bijna onmogelijk om aan die cultuur te ontkomen. Het zit heel diep. Wij zijn toch wel heel erg geneigd om het geloof te zien als toevoeging: het moet het leven een bepaalde verdieping geven, of vervulling, je moet er hier op aarde beter van worden. Die hele oriëntatie dat het in het geloof gaat om dit leven, is in de jaren zestig in de maatschappij en in het christendom gekomen. De welvaart kwam op, het leven werd veel leuker en gezelliger, toen zijn christenen gaan zeggen: Het gaat eigenlijk ook om dit leven en om genieten. Voor een deel is dat een goede correctie geweest, maar we lopen wel het gevaar dat we de eeuwigheid uit het oog verliezen; het Nieuwtestamentische besef dat ons burgerschap in de hemelen is.’

Onvoorspelbaar

‘Het aantal gedoopte mensen in Europa is ontzaglijk afgenomen sinds de jaren zestig. Dat is een heel basaal en meetbaar feit. En ik denk dat dat de komende jaren verder doorzet. Ik verwacht dat de Rooms-katholieke kerk hier voor een heel groot deel gaat verdwijnen – dat proces is al volop aan de gang natuurlijk. Daar waar het levende geloof is, zal de kerk wel blijven. Ik denk dat dat levende geloof vooral in het reformatorische en het evangelische christendom te vinden is. Al vrees ik dat het christendom in Nederland steeds meer beperkt zal worden tot de “Biblebelt”. Dat zie je nu al. Er zijn bepaalde plaatsen waar het christendom heel groot is, waar zelfs nieuwe kerken gebouwd worden. Dat lijkt dan groei, maar dat is eigenlijk een soort herstructurering. Christenen zoeken elkaar op, ze klonteren samen. Procentueel gezien is er in Nederland sprake van een enorme neergang van het christelijk geloof.’

‘Voor eigenlijk alle gebieden buiten de Biblebelt kun je je hart wel vasthouden. Wat blijft er daar nog over van de kerk? Maar je weet het nooit, de toekomst is open en onvoorspelbaar. Er kunnen ook op maatschappelijk, economisch en politiek gebied dingen gebeuren waardoor de vraag naar God toch weer sterker wordt. Het christelijk geloof is toch een geloof dat zich moet bewijzen in de crisis. Denk aan Psalm 23: “De Heer is mijn herder.” Wanneer blijkt dat, dat die Herder er echt is? In dat dal van diepe duisternis. Tijden van crisis zijn voor het christendom vaak het beste geweest. Menselijke religie houdt in een diepe crisis geen stand. Dat wil niet zeggen dat we dan moeten hopen op een crisis of oorlog, maar ik denk wel dat God zich in moeilijke tijden opnieuw aan ons kan openbaren, op een dieper niveau. Welvaart zorgt vaak toch voor vervlakking. De mooiste liederen uit het Liedboek van de Kerken stammen uit de tijd van dertigjarige oorlog. De pest en de dood waarden rond, het was verschrikkelijk, maar toen zijn er liederen gemaakt die we nu nog zingen.’

Hoe hou je het als predikant vol in een land dat in raptempo seculariseert? ‘Waddinxveen is een dorp waar het christendom nog wel floreert. Niet zonder problemen, maar er is wel veel geloof aanwezig hier. De kerk zit vol, er zijn veel kinderen en jongeren. Dat is natuurlijk een atmosfeer waarin als predikant wel te werken is. Maar mijn persoonlijke houvast ligt heel erg in de Bijbel. Ik ben heel dankbaar dat ik als predikant de Bijbel mag, zelfs moet bestuderen om het Woord te verkondigen. Als ik geestelijk iets ervaar – nieuwe kracht of een nieuw perspectief – dan is dat voor mij heel erg verbonden met de voorbereiding van een preek, meer dan met het houden van een preek. Tijdens de voorbereiding doe je de Bijbel open om daarin als iets nieuws te horen of te ontdekken, om God te horen spreken door de Bijbel heen.

Gods Woord is voor mij de bron van leven, daardoor hou ik het vol.’

 

Kader: Dr. Willem Maarten Dekker (1976) studeerde theologie in Utrecht en Tübingen. Sinds 2014 is hij predikant van de Hervormde wijkgemeente ‘De Morgenster’ te Waddinxveen en auteur van onder andere ‘Provocatie – Over de zin van God en geloof’. Voor meer info zie http://www.willemmaartendekker.com.