The times, they are a-changing (Areopagus)

Areopagus, studiedag, 28 oktober 2016

The times they are a-changing

De titel voor deze dag is ‘The times, they are a-changing’, van Nobelprijswinnaar Bob Dylan. Areopagus heeft dus duidelijk een neus voor de tijd waarin wij leven, want zij kozen eerst de titel en daarna kreeg Bob Dylan er de nobelprijs voor. Zijn liedjes waren ooit vernieuwend, en zijn nu klassiek. Dat is exact wat ook met het christendom gebeurd is. Ooit was het vernieuwend, nu is het klassiek. Daar is niets aan te doen. Vernieuwend worden we niet meer, het is onmogelijk opnieuw zo nieuw te worden als we ooit waren. Maar klassiek is ook mooi. En dat is mijns inziens ook exact wat de kerk moet willen zijn: klassiek. Drager van de klassieke westerse beschaving. Het christendom hoeft niet opnieuw te worden uitgevonden, we hoeven ook niet opnieuw te beginnen zoals de slogan vanuit de PKN en de GZB tegenwoordig luidt, “een kerk begint opnieuw”, nee, de kerk begint helemaal niet opnieuw. De kerk is het fundament van ongeveer alles wat in ons land waar, goed en schoon is, en in dat bewustzijn moet zij de klassieke gestalte van het goede leven willen zijn.

Klassiek is iets anders dan ouderwets of achterhaald of oubollig. De dom van Utrecht is klassiek. De broekrok is oubollig. De broekrok is zelfs vroeger nooit iets geweest. Het dorp waar ik predikant ben, Waddinxveen, werd door Youp van ’t Hek ooit meesterlijk getypeerd als broekrokcity. De woordcombinatie is meesterlijk. Het typeert de poging om net niet meer ouderwets te zijn. Geen rok, maar een broekrok. Geen dorp, maar een city. Maar juist die poging onthult nog pijnlijker de breuk met de omliggende wereld. De kerk moet dus geen broekrokcity zijn, maar klassiek te midden van een wereld in verval.

De wereld is wel in verval, maar of zij vandaag ook sterk verandert, weet ik niet. Ik denk dat de ervaring, dat er vandaag veel verandert, vooral of zelfs bijna uitsluitend aanwezig is in de rechterhelft van het protestantisme. De CGK, de Vrijgemaakten, de GB, het reformatorisch onderwijs, de CU, het RD en ND etcetera. Dat komt omdat deze kring tot voor kort in een cultureel isolement verkeerde. Die kring wordt eigenlijk nu ineens wakker en schrikt dat de wereld veranderd is. Je merkt dat ook aan de theologische belangstelling voor bijvoorbeeld Bonhoeffer. In het overgrote deel van kerk en theologie is die alweer vergeten, maar in deze kringen begint men hem nu ineens te ontdekken, precies weer vanwege de secularisatie.

Ik denk dat het de taak van de predikant is om een ruimer perspectief in te nemen. Dingen meer in hun historische context te kunnen zien en daardoor ook te kunnen relativeren. Ik denk dat historisch gesproken de tijden vandaag helemaal niet zo veranderen. Veel minder dan tussen pakweg 1850 en 1970. Toen zijn er echt dingen veranderd in het Nederlandse christendom en in de Nederlandse cultuur. Wat wij vandaag meemaken, is geen verandering, maar de oogst van die verandering. We leven in die zin niet in een apocalyptische, maar in een post-apocalyptische tijd. Er is een aardige TV-serie, The Leftovers, die daar over gaat. Die speelt na wat het NT ‘de opname’ noemt, en gaat over de ‘Leftovers’, de achtergeblevenen. Dat verklaart ook de verveling in onze tijd. Alles is al gebeurd.

Om onze tijd te begrijpen, kun je in die zin veel beter denkers uit de negentiende eeuw lezen dan hedendaagse denkers. Vandaag vindt de democratisering plaats van een werkelijkheidsopvatting die toen is uitgedacht. Daar hebben de ouders die nu zien dat hun kind niet meer naar de kerk wil natuurlijk niks aan. Maar een theoloog moet het wel weten om de dingen te kunnen begrijpen en zo ook voor zichzelf te relativeren.  

Als je dit namelijk niet weet, dan blijf je denken dat er relatief eenvoudige mogelijkheden zijn om die ontwikkeling te keren. Die zijn er echter niet. De een zoekt het in de liturgie, de ander in de oecumene, de derde in meer ruimte voor de jeugd, de vierde in een sterker pastoraat, de vijfde in nieuwe kerkstructuren, de zesde in meer PR, de zevende in liberalere theologische opvattingen of praktijken. Maar het gaat allemaal niet werken.

De achtste zoekt het in betere preken. In die traditie staat Areopagus misschien ook. Het is de traditie waarin men vroeger zei, de nood van de kerk is de nood van de prediking. Maar ook betere preken gaan niet werken. Ook die bereiken slechts de kleine minderheid die nog naar de kerk gaat, en van hen ook alleen degenen die oren aan hun hoofd hebben. Maar de meeste mensen hebben geen oren aan hun hoofd. Die zijn ze al honderd jaar geleden verloren. Daar kunnen ze zelf ook niks aan doen, ik verwijt ze niks, maar het is een feit.

In die zin snap ik de tendens om eenvoudiger te gaan preken wel, en ook om iets catechetischer te gaan preken. Het is ook heel goed mogelijk om de dingen in heldere taal en ik korte zinnen te zeggen. Iets anders is het, dat het accent ook verlegd zou moeten worden naar meer themapreken, waarin dan missionaire of apologetische thema’s aan de orde komen of thema’s die te maken hebben met de levensheiliging of het zogenaamde dagelijkse leven. Ik denk dat dat om twee redenen een verkeerde keuze is. De formele reden is, dat deze manier van preken wegloopt bij de Bijbel. Wat bepreekt wordt, is eigenlijk niet meer een Bijbelgedeelte, maar een thema. Aan zulke preken is altijd te merken dat de prediker de Bijbel eigenlijk helemaal niet nodig heeft om zijn boodschap te brengen, en net zo goed of zelfs beter een ander gedeelte had kunnen kiezen. Het maakt de predikant in exegetisch opzicht dus ook lui. Preken wordt zo steeds meer het brengen van een mening. De preek moet echter juist het unieke van dat éne bijbelgedeelte naar voren brengen, van wat daar staat, en wat eigenlijk alléén daar staat. In de gemeente waar ik sta, hebben mensen sterk het idee gekregen dat in elk Bijbelgedeelte hetzelfde staat. In denk dat dat ook in liberalere kringen het geval is. Dat komt omdat in elke preek het altijd op hetzelfde neerkwam. In de ene kring was het dan altijd Jezus’ dood voor de zonde, en in de andere kring Jezus, de mens voor anderen. Dan komt de prediking de mensen op het laatst de neus uit. Ik kan dat heel goed begrijpen. Maar het themapreken zal dat niet oplossen. Dan komt de Bijbel zo mogelijk nog verder van de mensen af te staan, terwijl de preek juist de mensen zou moeten helpen om te Bijbel te verstaan en dat ze daardoor ook zin krijgen om zelf de Bijbel te lezen.

De huidige tendens om via meer thematische prediking de heiliging meer aan de orde te stellen komt zover ik kan zien niet voort uit een doordachte theologie, maar is een ad hoc reactie van een tot nu toe gesloten gemeenschap, die ineens ontdekt dat het water door de dijk komt. Daar moet je al predikant niet aan mee willen doen. Baseer je keuzes op een eigen, doordachte toeëigening van de traditie. Daarin ging het nooit om het accent op heiliging, maar om het zijn in Christus, en daarom ook om verkiezing en rechtvaardiging. Dat zijn de grote thema’s van de reformatie, verkiezing bij de gereformeerden en rechtvaardiging bij de lutheranen, en de Leuenberger Konkordie heeft heel goed gezien dat het in die twee eigenlijk om hetzelfde draait, namelijk dat de mens buiten zichzelf geplaatst wordt, dat hij onteigend wordt, dat hij neergezet wordt in de werkelijkheid van het handelen van God, omdat dat de enige grond is waar je staan kunt. Daar gaat het ook vandaag in de prediking om.

En leg het verder vooral niet teveel vast. Het is ook prima om te preken vanuit het besef: ik weet het niet. Bonhoeffer heeft daar een heel aardige preek over, dat hij in de crisis van Duitsland zegt: iedereen zegt maar, dat hij het weet, en de een zegt, dat het zo moet, en de ander zo, maar in de kerk zeggen: wij weten het niet, en dat dan als een gebed tot God. In die zin is de richting van de preek nog belangrijker dan de inhoud. Dat zij geschiedt in eerbied voor God, voor de Bijbel, en dus ook in een buigen voor Hem, die zijn eigen gang gaat. Onze zwakte, dat wij het niet weten, kan dan ook een kracht worden, als wij steeds opnieuw bij het begin willen beginnen en de Schriften alsof wij nog geen idee hebben wat daar zou kunnen staan en hoe ons dat zal kunnen helpen.

Daar zit de gemeente uiteindelijk ook meer op te wachten. De vraag om zogenaamde praktische preken is vooral een vraag om preken waarin mensen het gevoel krijgen dat het ernst is, dat het er op aan komt, dat er een ziel te verliezen is als je je het Evangelie niet toeëigent. En laat de mensen verder vrij. Iedereen is vrij het Evangelie te verwerpen of aan te nemen. Als dat niet meer doorklinkt in je preek, ben je drammerig bezig, en dat is wel het ergste dat er kan gebeuren. Laat de mensen vrij. Stel hen in de vrijheid, door hen aan het denken te zetten. Smeer de preek niet dicht, niet links en rechts, maar open luikjes in de hoofden van mensen, zodat ze naar buiten gaan kijken.

Dat lukt alleen als je vreselijk kritisch bent naar jezelf. Leg de lat dus hoog. Hoger dan waar je bij kunt. Je kunt beter zorgen dat er je hele leven geen enkele preek is waar je zelf tevreden over bent, dan dat je er gemakkelijk over gaat doen. Want dan blijf je zoeken, in de voorbereiding zoeken naar iets dat nog nooit zó gezegd is. Zoals het met de Bijbel is, is het dus ook met de preek. Er staat nergens in de Bijbel twee keer hetzelfde. Nergens. Op elke bladzijde staat iets anders, iets dat werkelijk anders is. Daarom is de bijbel ook zo dik. Paulus heeft zoveel brieven geschreven, omdat geen enkele echt gelukt is. Het moest steeds weer anders. Idem dito met de evangeliën. Mattheüs las Markus, maar dacht: zo deugt het niet, het moet anders. En Lukas dacht dat weer van Mattheüs, en toen kwam Johannes en die dacht dat alle drie niet deugden. Steeds moest het anders, en steeds staat er iets anders. Daar moet je ook naar zoeken in de preekvoorbereiding. Weiger het cliché. Verdom het gewoon. Beter een preek van drie minuten dan een preek van 30 minuten waarin oude clichés worden opgelepeld. Nog beter een preek van 30 minuten waar een eigen, nieuwe gedachte in zit, komend vanuit de eeuwigheid en inslaand in de tijd. Niet opkomend uit de tijd, maar inslaand in de tijd.

De kerk staat op deze niet-wetende manier als vertegenwoordiger van de klassieke christelijke beschaving in een wereld die eigenlijk losgeslagen is van haar wortels en er ook niet meer in gelooft dat haar eigen wortels haar nog voeden kunnen. De preek moet echter blijven uitstralen, dat wij daar nog wel in geloven, geloven in de continuïteit, in dat de God van onze vaderen ook de God van onze kinderen is, en dat we daar godsgruwelijk hard ons best voor moeten doen, om die verbinding met wat voorgegeven is, weer te vinden. “Was du ererbt von Deinen Vätern hast, erwirb es, um es zu besitzen.” Johann Wolfgang von Goethe. Ik heb niet de indruk dat men vandaag nog erg zijn best doet zich het goede van de christelijke traditie toe te eigenen. Ook niet in de kerk zelf. Men vindt dat dat teveel moeite kost. Je merkt het niet alleen bij je catechisanten en gemeenteleden, maar ook bij theologen en predikanten. De evangelische beweging is wel vroom, maar uiterst onhistorisch, in feite ongeïnteresseerd. Men weet niet eens wat men zich zou kunnen verwerven.

Prediking geschiedt altijd in het besef dat je niet de eerste prediker bent, en ook niet de laatste zult zijn. Dat bindt je aan iets dat vele malen groter is dan wat daar gebeurt, dan die gemeenschap van mensen die voor je neus zitten. Het verheft je in de grote ruimte van de katholieke kerk en het stelt je ook voor Gods aangezicht. Daarom moet je bij het voorbereiden van de preek ook meer denken aan Augustinus en aan God, dan aan de gemeente voor je neus. Het is belangrijker wat Paulus, Augustinus en Luther van je preek vinden, dan wat je er van vindt of wat de mensen ervan vinden. Uiteindelijk is het belangrijkste of God je preek graag hoort, of dat Hij zegt wat Hij van de feesten in Israël, namelijk dat ze Hem zijn neus uitkomen. In die preek in zelf in ieder geval alsof ik in het laatste oordeel sta. Dat maakt dat je je best blijft doen, dat het echt ergens over gaat, en dat je nederig blijft. “God is het die mij oordeelt.” Dat besef maakt je vrij tegenover de mensen en nederig voor God.