Vrouw in het ambt. Naar een trinitarische benadering.

I.

Moeten we het nog hebben over de ‘kwestie’ van ‘de vrouw in het ambt’?

Als we ons met deze vraag richten tot de Nederlandse protestanten, zullen velen deze vraag ontkennend beantwoorden. Deze kwestie wordt als achterhaald beschouwd. Meer dan honderd jaar staan er in Nederland immers al vrouwen op de kansel. De doopsgezinde Anna Zernike werd in 1911 de eerste vrouwelijke predikant. Het doopsgezinde voorbeeld werd in de loop van de twintigste eeuw gevolgd door onder andere de remonstranten (1918), lutheranen (1929), hervormden (1957 – in 1950 verscheen al het uitvoerige rapport ‘De vrouw in het ambt’, waarin aan de synode geadviseerd werd de vrouw tot alle ambten toe te laten), gereformeerden (1969) en de Nederlands gereformeerden (2007). We zien daarin een langzame verschuiving van acceptatie van de vrouw in het ambt, die begon in de ‘vrijzinnigheid’ en nu steeds meer opschuift richting de ‘orthodoxie’. Ook is een verschuiving te bemerken van eerst de acceptatie van vrouwelijke diakenen en ouderlingen, naar later een formele acceptatie van vrouwelijke predikanten, terwijl men deze toch liever nog niet op de kansel van de eigen gemeente ziet, naar tenslotte het moment dat men ook vrouwelijke predikanten in de eigen gemeente laat voorgaan. Dit proces verloopt al decennia lang op dezelfde manier. Ook de uitwisseling van argumenten verloopt steeds hetzelfde, het is een herhaling van zetten met uiteindelijk steeds dezelfde uitkomst. Het kan niet ontkend worden dat hierbij zeker niet alleen de Schriftuitleg, maar ook de maatschappelijke veranderingen grote invloed hadden op de ambtstheologie. De maatschappelijke emancipatie van protestanten begon in het liberale deel van de kerk, en daar kwam dan ook het eerste de verandering in ambtstheologie naar voren. Inmiddels is de emancipatie van de gereformeerde gezindte, de vervluchtiging van deze laatste zuil en haar toenadering tot de maatschappelijke realiteit volop gaande. Het is dan ook niet verwonderlijk dat nu ook in deze kring de discussie over de vrouw in het ambt gevoerd wordt. Momenteel is zij gaande in de Gereformeerde kerken vrijgemaakt. Ook steeds meer ambtsdragers die zich rekenen tot de Gereformeerde Bond staan anders tegenover de kwestie dan vroeger. Het valt te verwachten dat ook binnen andere kerken van de gereformeerde gezindte vroeg of laat de discussie gaat spelen, zoals zij in politieke kring nu ook doorgebroken is in de SGP (toelating passief kiesrecht voor vrouwen).

Het is dan ook niet vreemd dat veel protestanten de vrouw in het ambt als een vanzelfsprekendheid en een verworvenheid beschouwen. Alleen de vraag naar de legitimiteit ervan opnieuw stellen, lijkt reeds te getuigen van een reactionaire geest. Waarom een achterhaalde discussie opnieuw openen?

II.

Daar komt nog een punt bij. Zoals bij zoveel theologische discussies kan men zich afvragen hoe theologisch ze uiteindelijk zijn. Heeft de standpuntbepaling niet vaak meer te maken met de eigen nabijheid tot het te bespreken verschijnsel, dan met zuiver theologische argumentaties? Het zou niet moeilijk zijn dat aan te tonen in de discussie rond homosexualiteit. Wie homo’s in eigen familiekring, vriendenkring of kerkelijke gemeente kent, oordeelt anders dan wie hen niet kent. Vandaar dat de acceptatie van samenlevende homo’s in christelijke kring snel toeneemt. Zo ging het daarvoor al rond de acceptatie van echtscheiding,  zo gaat het vaak ook rond de acceptatie van de vrouw in het ambt. Het leven gaat aan de leer vooraf.

Ook ik heb mijn eigen geschiedenis rond dit thema. In september 1995 ging ik theologie studeren in Utrecht en werd lid van de Gereformeerde Theologen Studenten Vereniging ‘Voetius’. Vooral studenten uit de kring van de ‘Gereformeerde Bond’ waren hiervan lid. Op deze vereniging werden onder meer ‘preekvergaderingen’ gehouden. Een oudere theologiestudent had een preek geschreven, en deze werd dan op een avond gehouden en besproken. Echter, in de statuten was opgenomen dat de vrouwelijke leden van Voetius geen ‘preekwerkstuk’ mochten maken. Zij konden wel een soort van meditatie schrijven, bestemd voor een niet-ambtelijke bijeenkomst zoals een evangelisatiedienst, een avondsluiting etcetera, maar het mocht geen preek heten.

Gaandeweg gingen steeds meer leden zich ongemakkelijk voelen bij deze regel. De vrouwelijke leden deden immers exact dezelfde studie, hadden vaak duidelijk evenveel of meer talent dan hun mannelijke collega’s, en sommigen maakten er ook geen geheim van dat zij eventueel predikant zouden willen worden. Bovendien leken hun ingeleverde meditaties bijzonder veel op een gewone preek. Waarom dan nog dit onderscheid?

In mijn jaren als theologiestudent werd tweemaal over de betreffende regel in de statuten gestemd. De eerste keer was in mijn tweede studiejaar meen ik. Eraan vooraf ging een debatavond over de vrouw in het ambt. Ik werd gevraagd om iets te zeggen dat pleitte voor de vrouw in het ambt. Blijkbaar had men het idee dat ik tot de progressieve richting van Voetius behoorde. Hoe dan ook, tweemaal werd het voorstel dat ook de vrouwen een ‘preekwerkstuk’ mochten maken in stemming gebracht, en tweemaal werd het verworpen. Echter, een paar jaar na mijn afstuderen in 2002, werd het voorstel vrij geruisloos aanvaard. Een van de vele voorbeelden hoe de orthodoxie vaak niet meer doet dan de meer liberale richting van de kerk volgen, alleen op een afstand van ongeveer een generatie.

Er is meer in mijn eigen geschiedenis rond dit thema. Ik heb het voorrecht uit een predikantenfamilie te stammen. Daar zitten ook vrouwelijke theologen en predikanten bij. Mijn eigen zus is gemeentepredikant. Mijn eigen vrouw is theoloog. Enkele vriendinnen van ons zijn predikant. Mijn positiekeuze in deze kwestie lijkt daarmee wel duidelijk.

Nogmaals: moeten we het nog hebben over de ‘kwestie’ van de ‘vrouw in het ambt’?

III.

Ja, het lijkt me toch zinvol om het er nog eens over te hebben. Theologische vragen zijn immers geen vragen die alleen aan Nederlandse protestanten van de 21e eeuw gericht zijn. Theologische vragen worden gesteld en behandeld binnen de ‘kerk van alle tijden en plaatsen’. Wanneer wij in Europa nu langzaamaan ‘wereldburgers’ beginnen te worden, dan is het goed om te beseffen dat christenen per definitie altijd ‘wereldchristenen’ zijn geweest en nog zijn. Ondanks de vele kerkgenootschappen die feitelijk bestaan, is er theologisch maar één kerk. Daarbij horen naast verlichte Nederlanders mensen van alle landen, volken en talen. Daar horen bovendien niet alleen de levenden bij, maar ook de doden. In de kerk hebben ook de doden recht op vrijheid van meningsuiting.

In dit bredere kader bezien, is de vraag naar de theologische legitimiteit van de vrouw in het ambt niet achterhaald. Binnen de kerk van alle tijden en plaatsen vormen de kerkgenootschappen en gemeenten die de vrouw in de ambten toestaan een kleine minderheid. Dat geldt niet alleen historisch gezien, het geldt ook nog wat betreft de hedendaagse oecumene. Binnen de hoofdstromen van het christendom – Oosters-orthodoxe kerken, Rooms-katholieke kerk, Anglicaanse kerk, Lutherse kerken, Gereformeerde kerken en Pinksterkerken – is eigenlijk alleen binnen de gereformeerde en lutherse tak de vrouw in het ambt relatief breed geaccepteerd. Binnen de Anglicaanse tak wordt er zeer fel over gedebatteerd. Binnen de de andere drie stromen is het eigenlijk niet geaccepteerd. Het getuigenis van de oecumene en de algemene christelijke traditie pleit dus tegen. Dat is een belangrijk argument om de discussie over de vrouw in het ambt niet te sluiten, maar open te houden.

Het moet dan ook een vraag zijn, hoe zwaar deze kwestie moet wegen. Men moet ook in de theologie en de kerk de argumenten niet alleen tellen, maar ook wegen. Als wij in onze tijd pleitbezorger van de oecumene willen zijn, moeten we ons ervan bewust zijn dat in het gesprek tussen protestanten en katholieken de vrouw in het ambt nog steeds een groot breekpunt is. Hoeveel is ons dat waard? Men kan dan in ieder geval moeilijk een soort van pleidooi voeren om terug te keren tot de ‘moederkerk’ en tegelijk aan de kwestie van de vrouw in het ambt nauwelijks woorden vuil willen maken.[1]

IV.

Nu kan men stellen, dat juist vanuit de protestantse traditie met deze wolk van getuigen tegen de vrouw in het ambt eigenlijk geen rekening gehouden hoeft te worden. Betekent het sola Scriptura niet dat alléén de Schrift als argument gebruikt kan worden in theologische debatten? Het antwoord daarover is eenvoudig: nee, dat is niet de betekenis van het sola Scriptura. Historisch gesproken is dit Schriftprincipe nooit bedoeld en ook niet gebruikt om de traditie en de oecumene te negeren, maar om het punt te noemen, van waaruit, wanneer er vragen zijn over de theologische legitimiteit van bepaalde geloofsvoorstellingen en gebruiken, uiteindelijk de knoop moet worden doorgehakt. De Reformatie heeft de christelijke traditie willen ontdoen van aankoeksels die de mensen het zicht op Jezus Christus als Heer en Verlosser ontnamen. Aangezien de vermeende vooruitgang bestaat in het herstel van het oorspronkelijke, kan men de Reformatie net zo goed een progressieve als een reactionaire beweging noemen. Het theologisch relativeren van de traditie impliceert dan niet een ongevoeligheid voor bestaande gberuiken en gewoonten, integendeel: zij krijgen het voordeel van de twijfel. De houding jegens de kerkelijke traditie is die van een: ja, tenzij.

De Reformatie heeft dan ook ten aanzien van de traditie van de vrouw in het ambt geen veranderingen willen doorvoeren. Dat lag buiten haar gezichtsveld en de kerk leek zich hier te bewegen in continuïteit met de Schrift. Pas de ‘historische revolutie’ in de achttiende en negentiende eeuw gaf de kerk het besef van distantie ten opzichte van de Bijbelse tijd en cultuur. Vervolgens veranderde in de twinitigste eeuw de maatschappelijke positie van van de vrouw. Daarmee waren de twee voorwaarden geschapen die het ter discussie stellen van het ambt pas mogelijk maakten.

V.

De vraag komt nu op: Is het dan mogelijk inhoudelijk nog een eigen bijdrage aan dit zich al zo lang voortslepende debat te leveren? Misschien toch wel. Veel debatten over deze kwestie verlopen nog steeds langs biblicistische lijnen. Voor- en tegenstanders van de vrouw in het ambt hebben hun eigen Bijbelteksten. Voorstanders wijzen op Gal. 3:28, Rom. 12, 1 Kor. 12. Daarnaast wijzen ze op de voorbeelden van vrouwen die in de Bijbel een bijzondere taak vervullen: Debora, Mirjam, Hulda, de vrouwelijke getuigen van Jezus’ opstanding, Priscilla, Euodia en Syntyche, de dochters van Filippus, Febe en Junia. Degenen die tegen de vrouw in het ambt zijn, beroepen zich op Gen. 2 en 3, 1 Kor 11:7-9, 1 Kor. 14:34-35, 1 Tim 2:11-13, Ef. 5:22v, Kol. 3:18, Tit. 2:5, 1 Petr. 3:1.

Veel belangrijker dan deze losse teksten is echter de theologische grondstructuur die eronder ligt. Als men daar naar kijkt, kunnen de passages in drie groepen worden ingedeeld. Er zijn de passages, die aanleiding geven het vraagstuk te benaderen vanuit God de Vader en de schepping. Dit zijn Gen. 2 en 3, 1 Kor. 11:7-9, 1 Kor. 14:34-35, 1 Tim. 2:11-13, Tit. 2:5, 1 Petr. 3:1.

Daarnaast zijn er de teksten die aanleiding geven het vraagstuk te benaderen vanuit God de Zoon en de verlossing: Gal. 3:28, Kol. 3:18 en Ef. 5:22v

Tenslotte zijn er de teksten die ons ertoe kunnen brengen het dilemma te benaderen vanuit de Heilige Geest en de voleinding: Rom. 12, 1 Kor. 12. Hier kunnen we ook de oudtestamentische teksten noemen die spreken over profetessen in Israël (Mirjam, Debora, Hulda, Noadja) en de nieuwtestamentische die spreken over vrouwen die belangrijke functies hebben in de gemeente (Phebe, Rom. 16:1; Aquila en Priscilla, Rom. 16:3; de vier dochters van Philippus, ‘profetessen’, Hand. 21:9)

(Bijbels-)theologisch kan men dus drie wegen gaan. Men kan denken vanuit God de Vader en de schepping; vanuit Christus en de verzoening; en vanuit de heilige Geest en zijn gaven. Het probleem met veel huidige benaderingen, is dat ze vanuit één perspectief denken en de andere van hun kracht ontdoen. Het is de kunst aan alle drie de perspectieven recht te doen.

VI.

Het eerste perspectief, denkend vanuit God de Vader en de schepping, domineert tot aan de Verlichting of zelfs tot aan de Tweede Wereldoorlog in vrijwel de gehele christenheid. Nu is het nog het perspectief van de tegenstanders van de vrouw in het ambt. Het thema wordt benaderd vanuit de oorsprongsbedoeling van God met de wereld, man en vrouw. Daarbij speelt dan de vermeende ordening in de schepping een cruciale rol. Volgens deze orde heeft de vrouw haar eigen plaats en taak die wezenlijk anders is dan die van de man. De roeping van de vrouw ligt in het gezin. De Reformatie heeft dit niet gerelativeerd maar, wellicht onbewust, nog versterkt door het kloosterleven min of meer af te schaffen. Had de vrouw in de Rooms-katholieke kerk nog de mogelijkheid de scheppingsorde te relativeren door de volledige toewijding aan God, in het protestantisme met zijn ‘bevestiging van het gewone leven’ heeft de vrouw die mogelijkheid niet meer. Haar roeping ligt in het gezin.

Vanuit de scheppingstheologische lijn lijkt de openstelling van het ambt voor vrouwen dus onmogelijk.

VII.

De winst van het debat rond de vrouw in het ambt sinds met name het einde van de Tweede Wereldoorlog is vooral dat zichtbaar is geworden, dat het theologisch legitiem is om vanuit twee andere perspectieven naar de kwestie te kijken. In de eerste plaats is dit het christologisch perspectief (hetgeen niet verward moet worden met een perspectief vanuit de historische Jezus, die als bekend weliswaar een kring van vrouwen om zich heen had, vanaf het begin van zijn openbare optreden tot bij het kruis en de opstanding, maar die toch de orde van de samenleving ook bevestigde door twaalf mannen als discipelen uit te kiezen; iets dat voor de rooms-katholieke theologie nog steeds een beslissend argument is tegen de vrouw als priester.)

Jezus Christus heeft met zijn dood en opstanding de scheppingsorde niet enkel bevestigd of hersteld, maar ook gerelativeerd en in die zin gekritiseerd. Men kan zich hier beroepen op Paulus, die schrijft: ‘In Christus is noch man, noch vrouw’ (Gal. 3:28). De volledige tekst is: ‘In Christus is noch man noch vrouw, noch slaaf, noch vrije, noch Jood noch Griek.’ Het is evident dat Paulus daarmee niet de wereldlijke verschillen tussen deze groepen heeft willen ontkennen. In de wereld was en bleef er fundamenteel verschil, en bleef de ‘scheppingsorde’ in stand. Joden worden geen Grieken, noch omgekeerd, en ook hun functies veranderen niet. Echter: in de gemeente tellen deze differenties niet. Theologisch hebben ze geen waarde en daarom kunnen er theologisch ook geen consequenties uit getrokken worden. Het Lutherse onderscheid tussen het leven in relatie tot Christus (coram Christo) en het leven in relatie tot de wereld (coram mundo) is hier verhelderend. Coram mundo blijven de differenties in stand, maar coram Christo niet.

Daarmee heeft Paulus echter wel de deur op een kier gezet naar een verandering in wereldlijke zin. Gelijkheid van man en vrouw coram mundo is in Galaten niet geïmpliceerd, maar wordt door deze stellingname ook niet uitgesloten.

Wat dat betreft is de parallel met de ordening van heer en slaaf (Gal. 3:28) veelzeggend. Zoals bekend heeft Paulus de slavernij niet willen afschaffen. Hij vermaant de heer en de slaaf om zich ten opzichte van elkaar christelijk te gedragen, en relativeert hun rangorde fundamenteel door er op te wijzen dat zij beiden Christus als Heer hebben. Een maatschappelijke omwenteling richting de afschaffing van de slavernij heeft Paulus echter niet nagestreefd en het christendom na hem ook niet. Dat de verhouding coram Christo gerelativeerd was, was voldoende. De afschaffing van de slavernij wordt door het Nieuwe Testament niet geïmpliceerd. Echter, ook hier wordt de deur ertoe wel open gezet.

Zo ligt vanuit de christologische lijn de mogelijkheid er om de vrouw in het ambt toe te staan. Dit zou dan allereerst moeten gebeuren in de kerkelijke gemeente, omdat daar de opheffing van de differentie het sterkst beleefd wordt. Dat is precies omgekeerd aan hoe het nu historisch gegaan is. Historisch heeft eerst de maatschappelijke emancipatie van vrouwen plaatsgevonden, zodat vrouwen in de politiek en de maatschappij alle mogelijke taken op zich gingen nemen, om dan uiteindelijk ook  in de kerk de ambten te kunnen vervullen. Dit heeft de kerk met een sfeer van conservatisme omgeven, die met Paulus in strijd is. Áls vanuit de relativering van de scheppingsorde coram Christo de deur naar verandering coram mundo opengezet is, dan zou de kerk daarin het voortouw hebben moeten nemen.

Er is evenwel nog een andere belangrijke passage die denkt langs christologische lijnen. Dit is Efeze 5:22v. Hier wordt nu eens niet op grond van de schepping, maar op grond van Gods openbaring in Christus een relatieve onderschikking van de vrouw ten opzichte van de man geproclameerd. Bij nauwkeuriger toezien gaat het echter zowel bij de man als bij de vrouw om de vrijwillige onderschikking van de liefde. Dit blijkt niet alleen uit het verband van v 21 en 22. Dat de man het hoofd van de vrouw is, moet daaruit blijken dat hij zichzelf voor haar overgeeft. Zijn verhevenheid bestaat dus in zijn zelfvernedering, zijn vrijwillige dienst en onderschikking. Zo bestaat de liefde van de vrouw ook uit het opgeven van zichzelf. Alleen wanneer man en vrouw zichzelf opgeven, kunnen zij werkelijk één vlees zijn. Zolang dat niet gebeurt, blijven zij twee individuen.

Ook uit deze passage blijkt, dat vanuit de christologische lijn niet zomaar duidelijk is dat vrouwen een ambt mogen bedienen. Anderzijds is ook hier duidelijk dat Paulus de bestaande hellenistische cultuur niet volgt, maar fundamenteel christologisch kritiseert. Daarmee heeft hij wel een dynamiet onder de maatschappelijke verhoudingen gelegd, dat aanleiding kon en moest geven opnieuw over de rol van de vrouw na te denken.

Vanuit de christologische lijn is de vrouw in het ambt dus niet geboden, maar ook niet per definitie onmogelijk.

VIII.

De derde manier waarop men naar deze kwestie kan kijken, is vanuit de Geest en zijn gaven. Op het Pinksterfeest wordt de profetie van Joël vervuld, dat de heilige Geest op zonen én dochters, dienstknechten én dienstmaagden zou worden uitgestort (Hand. 2).

De Geest ‘die aan ieder afzonderlijk uitdeelt zoals Hij wil’ (1 Kor 12:11) en aan alle leden van het lichaam genadegaven geschonken heeft, waaronder profeteren, onderwijzen en leidinggeven (Rom. 12:4-8). Daarbij is het geslacht niet van belang. Vanuit dit perspectief telt de differentie van man en vrouw dus niet. En opnieuw: dit is primair in de gemeente zo. Vanuit een pneumatologische benadering is er buiten de gemeente ruimte voor conservatisme, voor het blijven denken vanuit de gegeven orde, omdat de Geest heel anders in de wereld werkt dan in de kerk. Maar juist de kerk zou een voorhoede moeten zijn in het erkennen van de begaafdheid van de vrouw.

Vanuit de pneumatologische lijn lijkt de openstelling van het ambt voor vrouwen dus geboden.

IX.

De kerkgenootschappen die de vrouw uitsluiten van de ambten denken feitelijk exclusief vanuit de Vader en de Schepping, zonder te erkennen dat de Vader in de Zoon en de Geest Zichzelf en Zijn orde relativeert. De kerkgenootschappen die de ambten openstellen voor vrouwen, denken veelal exclusief vanuit de Geest, alsof de rol van de vrouw alleen maar met cultuur te maken heeft en niet ook met God en Zijn scheppingswil.

Bijbels-theologisch moet echter eerder gezegd worden dat we te maken hebben met drie elkaar deels tegensprekende lijnen. Het ligt in deze zaak dus ingewikkelder dan de voor- en tegenstanders van de vrouw in het ambt willen erkennen. Vanuit de Vader en de schepping is er eigenlijk geen plaats voor de vrouw in het ambt. Vanuit Christus en de verzoening is de scheppingsorde coram Christo opgeheven, hetgeen de mogelijkheid van een verandering coram mundo wel opent, maar een werkelijke verandering niet impliceert. Vanuit de Geest en de gaven daarentegen lijkt de openstelling van de ambten geboden.

X.

Wat moet dit in de praktijk van de christelijke kerk betekenen? Het betekent dat de kerk noch de uitsluiting, noch de openstelling van het ambt voor vrouwen theologisch illegitiem kan noemen. De ene kerk kan zonder problemen gemeenten verenigen die wel, en die niet de vrouw in het ambt kennen. Als God zelf er al niet voor terugdeinst om Zijn (scheppings)wil enerzijds te poneren en anderzijds te relativeren, dan moet de oecumene er ook niet voor terugdeinzen op dit punt verschillende wegen te gaan. Dat betekent weer dat de kwestie van de vrouw in het ambt nooit een kerkscheuring kan legitimeren en dat het een vereniging van reeds gescheiden kerken ook niet kan belemmeren. De uitsluiting van vrouwen uit het ambt is niet theologisch achterhaald, en de openstelling is niet ketters.

XI.

Deze relativering van het hier behandelde thema betekent echter niet, dat er niet iets preciezer gezegd kan worden wat theologisch geboden is. Al zijn beide praktijken theologisch legitiem, de ene keuze is wel beter te verdedigen dan de andere. Uitgangspunt voor de keuze die het meest recht doet aan alle drie de bovengenoemde lijnen is: de openstelling van het ambt voor vrouwen is theologisch legitiem, maar daarbij moet de scheppingsorde gehonoreerd worden. Het lijkt dan onontkoombaar dat er onderscheid gemaakt wordt tussen gehuwde en ongehuwde vrouwen als het gaat om de vervulling van de ambten.

Vrouwen die ongehuwd zijn, kunnen theologisch gesproken op geen enkele manier gehinderd zijn in het vervullen van kerkelijke ambten. Zij moeten diaken en ouderling kunnen zijn, predikant en priester, en ook bisschop of paus. Door alleen te blijven, ontsnappen zij als het ware aan de verplichting van de scheppingsorde, zoals ook nonnen dat altijd hebben kunnen doen. Het is onjuist geweest van het protestantisme dat deze ontsnapping aan de scheppingsorde in de praktijk werd uitgesloten. Dat betekent dat alle christelijke kerken de ambten zouden moeten openstellen voor ongehuwde vrouwen.

Als tegenstanders van de vrouw in het ambt eraan vasthouden dat voor vrouwen met een gezin iets anders geldt, dan is dat theologisch te verdedigen. Met hun keuze voor het gezin erkennen zij als het ware de scheppingsorde. Dat betekent dat hun eerste taak in het gezin ligt. Dat maakt de vervulling van een ambt onmogelijk, zo zou men kunnen stellen wanneer men langs scheppingstheologische lijn wenst te denken. Dit is bijbel-theologisch weliswaar eenzijdig, maar daarom nog niet verwerpelijk.

Daarbij is evenwel deze kanttekening op zijn plaats, dat deze tegenstanders van de vrouw in het ambt daarbij geen onderscheid zouden moeten maken tussen het werk dat vrouwen doen binnen en buiten de kerk. Als men vanuit de scheppingsorde wil denken, dan zou men dat ook consequent moeten doen. Het zou betekenen dat men al het betaalde werk door gehuwde vrouwen zou moeten afwijzen. Dit alles doorbreekt immers de scheppingsorde. Wanneer men het theologisch geboden acht vrouwen uit te sluiten van de kerkelijke ambten, dan moet men hen dus ook de wereldlijke ambten en banen ontzeggen. Dat betekent dat de tegenstelling die er op dit punt in de gereformeerde orthodoxie bestaat – de vrouw heeft alle mogelijke betaalde banen, maar in de kerk kan zij geen ambtsdrager zijn – op geen enkele manier theologisch te rechtvaardigen is. In dit opzicht moet men de SGP prijzen om de consequentie die zij tot voor kort op dit punt kon handhaven. Als er geen ruimte is voor de vrouw in het kerkelijk ambt, dan is dat omdat er geen ruimte is de vrouw in een verantwoordelijkheid buiten het gezin.

Dit denken vanuit de Vader en de schepping is enerzijds theologisch legitiem en anderzijds praktisch moeilijk met de andere denklijnen, die ook legitiem zijn, te verenigen. Daarom is het ook theologisch legitiem dat er kerken zijn die denken vanuit de lijnen van Christus en de Geest en derhalve de ambten ook voor gehuwde vrouwen openstellen.

Over ongehuwde vrouwen zou binnen de kerken dus geen discussie moeten bestaan. Voor hen staan de ambten open.

Voor gehuwde vrouwen geldt dat zowel hun insluiting als hun uitsluiting van de ambten theologisch legitiem is. Het is ook allebei theologisch eenzijdig. Daarom is er een uitdaging op dit punt aan beide kampen: hoe kunnen zij die de gehuwde vrouwen van de ambten uitsluiten toch meer recht doen aan de christologische en pneumatologische lijn, die ook in de Bijbel te vinden is? En hoe kunnen zij die de ambten opengesteld hebben voor gehuwde vrouwen meer recht doen aan de scheppingstheologische lijn, die blijkens de Schrift door de openbaring in Christus en de Geest wel gerelativeerd is, maar niet is afgeschaft? Beide groepen denken over deze aan hen te stellen vraag te weinig na.

Willem Maarten Dekker

Mastenbroek, oktober 2013

 

 


[1] Zoals A. van de Beek in ‘Lichaam en Geest van Christus. De theologie van de kerk en de Heilige Geest’ (Meinema 2012). Voor de bespreking van de vrouw in het ambt zie p. 271-273.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s