Zo kun je in gesprek gaan met niet-geïnteresseerde ongelovigen (interview)

‘Prima dat jij gelooft. Mij interesseert het niet.’ Dat is een veelvoorkomende reactie die christenen krijgen als ze een gesprek over God willen beginnen met een niet-gelovige. Wat drijft deze agnosten? En welke mogelijkheden zijn er om toch met hen in gesprek te gaan? Dr. Willem Maarten Dekker houdt op woensdag 16 december een college voor AKZ+ over de verdediging van het geloof tegenover mensen die je niet zelf aanvallen. CIP.nl spreekt de hervormde predikant uit Waddinxveen over het bereiken van de niet-geïnteresseerde medemens.

“Een agnost interesseert zich niet voor religie en godsdienst en bestrijdt deze dus ook niet. Hij vindt geloven een volstrekt onbelangrijk thema,” legt Dekker uit. “Net zoals ik zelf niets tegen cricket heb, omdat die sport me niet interesseert. Maar ik heb ook geen belangstelling om in te gaan tegen mensen die wel cricket spelen. Het lijkt erop dat een deel van West-Europa op dat standpunt staat als het gaat om godsdienst en religie.”
 
Waar komt die desinteresse in religie vandaan?

“Ik zie agnosme als een historisch verschijnsel. Als een uiting van teleurstelling in godsdienst, die de laatste honderden jaren is opgebouwd. Godsdienst belooft heil, vrede en toekomst, maar daar is weinig van terechtgekomen en mensen hebben geen vertrouwen dat dit er nog komt. In ons collectieve geheugen zit het idee dat godsdienst niet brengt wat het belooft. Denk aan de kruistochten, godsdienstoorlogen, maar ook persoonlijke ervaringen. Jezus is 2.000 jaar geleden naar de aarde gekomen, maar dat heeft de wereld niet veranderd. Kortom: de wereld is niet beter geworden door godsdienst en dat heeft geleid tot lethargie.”

Je zou toch juist verwachten dat mensen zich verzetten tegen religie als ze daarin teleurgesteld zijn?
“Als mensen de gevaarlijke kanten van religie zien, zoals nu bij de islam, geeft dat een impuls aan het atheïsme. Mensen zullen religie dan eerder willen bestrijden. Toch kijken ook veel mensen naar het christendom vanuit de gedachte dat de wereld er weliswaar niet beter van wordt, maar als anderen voor zichzelf, in hun privéleven, de illusie willen koesteren dat er een God is, laat ze dan lekker.”
Dekker heeft geen cijfers van het aantal Nederlanders dat agnost is. “Maar ik denk dat iedereen in zijn eigen omgeving wel mensen tegenkomt die een soort vriendelijke onverschilligheid tonen als je in gesprek probeert te gaan over het geloof. Ze vinden het jouw privéopvatting en zullen ook niet bestrijden dat jij dit mag geloven. Ondertussen blijven ze onverschillig en gaan ze door met hun leven. Het interesseert hen immers niet wat jij ze vertelt.”
Hoe kunnen christenen omgaan met mensen die zo tegenover het geloof staan?

“Apologetiek is gericht op de verdediging van het geloof. Maar je kunt jezelf alleen verdedigen als iemand je aanvalt. Klassieke atheïsten vallen het geloof aan, terwijl agnosten het juist niet bestrijden. In zekere zin zal je zelf de aanval moeten zoeken om contact te krijgen met een agnost. Je kunt je niet verdedigen omdat hij geen bezwaren heeft en daarom zal je zelf met bezwaren moeten komen, zodat hij wel moet reageren.”

Dat kan bijvoorbeeld door mensen te confronteren met vragen die agnosten relativeren of wegdrukken, legt Dekker uit. “Hoe lost een agnost het probleem van de dood of het probleem van het kwaad op? Veel niet-christenen zitten niet echt met de dood. Alles bestaat een poosje en vergaat dan weer, is het idee. Je hele wereldbeeld en je kijk op het mens-zijn krimpt dan tot een bijna dierlijke vorm. Een ongelovige zou moeten erkennen dat uiteindelijk de dood regeert. Dat zou tot nihilisme moeten leiden of tot wanhoop. Het hele bestaan is dan zinloos. Zo kun je mensen confronteren met die harde kant van hun bestaan.”
U noemde ook het probleem van het kwaad. Hoe kun je daarover in gesprek gaan met een agnost? Het kwaad in de wereld roept ook bij christenen veel vragen op.

“Het gaat dan niet zozeer om de vraag waar het kwaad vandaan komt, maar om de vraag hoe je omgaat met het kwaad. Als er geen God is, waar moet je naar toe met de dood, maar ook: waar moet je dan naartoe met je schuld? Als er geen God is, is er geen vergeving en blijven wij met onze schuld zitten. Dat is een basale christelijke overtuiging. Waar het christelijk geloof niet meer functioneert, wordt schuld gebagatelliseerd. ‘We maken allemaal fouten’ of ‘het zit in onze genen’, hoor je in een zogenoemde sorry-cultuur als de onze. Mensen zijn misschien niet geïnteresseerd in vragen over kwaad, schuld, dood en lijden, maar ze worden er wel mee geconfronteerd. Stel hen de vraag: hoe ga je daarmee om? Zijn jouw antwoorden echt meer bevredigend dan die van het geloof? Het is niet toevallig dat de kerk de enige plek ter wereld is waar je vergeving kunt ervaren.”

In de kerk
De invloed van het agnosme is ook zichtbaar in de kerk, stelt Dekker. “Ook onder mijn catechisanten leeft het idee dat het geloof iets voor je privéleven is. De klassieke apologetiek gaat uit van een rationeel mensbeeld en een rationele interesse. Ik merk dat veel jongeren niet geïnteresseerd zijn in discussies waarin je elkaar met voor- en tegenargumenten overtuigt. Je moet het geloof voelen, vinden ze. Iemand die het niet beleeft, die heeft het niet.
De Bijbel geeft antwoord op vragen die mensen het meeste kwellen: vragen van schuld en dood. Ook wij als christenen zijn geneigd de Bijbel te lezen voor onze privémomentjes van geluk. Daarmee creëer je ruimte voor het agnosme: ‘Fijn dat jij mooie momenten hebt als je uit de Bijbel leest.’ Het geloof gaat verder dan privé, het is iets voor de hele samenleving, voor onze cultuur en de mensen om ons heen.”
Wat kan de kerk doen tegen het agnosme dat volgens u min of meer de kerkmuren binnendringt?
“De kerk moet in ieder geval blijven vasthouden aan de overtuiging dat het belang van het geloof vele malen groter is dan alleen iets waardevols voor onze privé-ervaringen en -beleving. Geloof gaat over alles. Het is veel meer dan een privéopvatting, het bepaalt je hele visie. Als we dat besef kwijtraken, hebben we niks meer te vertellen.”
gepubliceerd op CIP.nl