Recent werd bij uitgeverij Atheneum Polak en Van Gennip een boekje uitgebracht met “Het mooiste uit de Bijbel”. Dat is een uitgave bedoeld voor mensen die geen kerkganger zijn, maar wel iets van de Bijbel willen weten, omdat dat tot de wereldliteratuur behoort in hun ogen. Het mooiste uit de Bijbel, wat zet je er dan in? In die uitgave staan vijf Bijbelboeken in zijn geheel. Dus geen fragmenten van alle boeken, maar vijf Bijbelboeken en één daarvan is het boek Job.
Dat heeft wel iets te zeggen. Het boek Job is in ieder geval voor mensen binnen en buiten de kerk nog steeds een ontzettend belangrijk geschrift als het gaat om een vraag waar we allemaal mee zitten. Namelijk de vraag naar het lijden. Waarom is er kwaad, waarom is er lijden, terwijl wij dat toch eigenlijk niet willen? Natuurlijk is er ook kwaad dat wij wel willen en dat wij ook doen. Maar als we denken aan wat ons bijvoorbeeld nu overkomt met corona, dat is eigenlijk iets dat niemand wil. Zo is er heel veel kwaad dat eigenlijk niemand wil. Je hoeft er ook niet gelovig voor te zijn om daar een keer bij stil te staan en over na te denken. In het boek Job wordt daar op een zeer diepgaande manier over nagedacht.
Job in de canon: de geschriften
In de Hebreeuwse Bijbel bestaat het Oude Testament uit drie delen: de tora, de profeten en de geschriften. Dan hoort het boek Job bij de geschriften. In de wet geeft God zijn woord. Dat is zijn gebod, maar niet alleen zijn gebod. Hij openbaart zich, Hij gaat met ons om en daarmee doet Hij ook een beroep op ons om daarop te antwoorden. Maar de wet vertelt ook al dat het misgaat in die verhouding, in dat verbond tussen God en Israël, God en de mensen. En dan komen als het ware de profeten die het woord van God nog een keer herhalen. En die wijzen op het falen, dus die wijzen op de zonde en herhalen het gebod. En dan komt in de geschriften het menselijke antwoord op datgene wat het volk Israël heeft ervaren. Dus niet zoals in de wet en in de profeten dat je kunt zeggen: “Zo zegt de Heere.” Nee, de geschriften zijn veel meer, “zo zegt de mens”, “zo zegt de gelovige mens”, zo antwoordt hij op wat hij gehoord heeft. In die geschriften is dus ook meer ruimte voor verschillende visies dan in de wet of in de profeten het geval is. In de geschriften zijn de mensen ook aan het nadenken over God.
En hier spreken verschillende geschriften soms ook elkaar tegen. Dat heeft vanaf het begin in de Bijbel gekund. Dat heeft men kunnen toelaten omdat men geweten heeft dat het woord van God dus een gemeenschap schept die gaat nadenken.
En toch is dat menselijke antwoord op een of andere manier zelf ook weer woord van God. Ook ons spreken, ons nadenken, in ieder geval dat vroegste reflecteren dat toen heeft plaatsgevonden is ook al iets waarvan God door het op te nemen in de canon als het ware zegt: “Zo wil ik het. Ik wil dat jullie zélf reflecteren op wat Ik gesproken heb”. Dat gebeurt in de geschriften, en zowel stem als tegenstem krijgen daarin plaats.
De oude wijsheid (Spreuken)
Vooral in de wijsheidsboeken wordt over Gods omgang met de wereld heel verschillend gedacht. In de oudere wijsheid die in het boek Spreuken verwoord wordt, is de gedachte heel sterk dat de wereld redelijk en logisch en begrijpelijk in elkaar zit. Daar staat bijvoorbeeld dat het eerste dat God schiep nog voordat hij het zichtbare schiep de wijsheid was (Spreuken 8). Dus voordat God de wereld, de kosmos, het zichtbare schiep, schiep hij de wijsheid. En middels die wijsheid schiep hij dan de wereld. Dat betekent simpel gezegd: alles wat bestaat is met wijsheid gemaakt en zit dus goed in elkaar. De wereld is geen chaos maar een orde. En die orde kunnen wij ook begrijpen. Dat geldt voor de natuurwetten: wij begrijpen de wet van de zwaartekracht en ervaren dat die het altijd doet, enzovoorts. Maar dat geldt ook moreel, in de wereld van de mensen. Dat betekent dat het kwade bestraft wordt en dat het goede beloond wordt. En dat God de garant daarvan is. En men gelooft dan ook dat dat werkelijk in dit leven zo is, dus niet alleen na de dood ofzo. Het boek Spreuken is vol van teksten die zeggen: wie goed doet goed ontmoet. En wie een kuil graaft voor een ander die valt er zelf in. Er gebeurt wel kwaad maar dat straft uiteindelijk zichzelf. Het zal de rechtvaardige wel gaan en de goddeloze die komt om. Die tegenstelling tussen rechtvaardige en goddeloze is ook de bepalende tegenstelling in die oude wijsheid. En daarmee worden mensen ook opgeroepen om God te vrezen. Want de Godvrezenden zal het goed gaan.
Maar tegen die oude wijsheid komt dan in de Bijbel zelf al protest. En een van die protesten is het boek Job. Het boek Job is een reactie binnen de Bijbel zelf op het idee dat deze wereld begrijpelijk en goed in elkaar zit. Dat wordt dan geïllustreerd aan de persoon van Job die Godvrezend was en die het inderdaad eerst ook wel ging, maar die dan alles kwijtraakt op een volkomen onbegrijpelijke en onredelijke manier. En zijn vrienden proberen vervolgens de oude wijsheid toch in stand te houden. Die zeggen: “ja, maar jij bent hooguit een onbegrijpelijke uitzondering, de theorie blijft staan, de theorie gaat voor de praktijk. Ook al snappen wij de praktijk even niet, de theorie moet kloppen.” En Job zegt: mijn situatie laat zien dat die hele theorie van die oude wijsheid niet klopt.
Job en de geschiedenis
Is het boek dan een historisch verhaal? Door wie is het geschreven? Nou, daar is met absolute zekerheid moeilijk iets van te zeggen. Er zijn mensen die proberen te verdedigen dat Job een historische persoon was. Zij situeren Job dan meestal in de tijd van de aartsvaders. In Ezechiël 14 wordt ook nog ene Job genoemd. Maar als je kijkt hoe de dialogen zijn opgebouwd in het boek Job, dan zie je vrij gauw dat je daar met een literair kunstwerk te maken hebt. En dat we toch veel meer moeten denken aan iemand die deel heeft uitgemaakt van de latere joodse wijsheid. Iemand die heel veel discussie hier als het ware op een literaire manier, in de vorm van een dialoog heeft samengevat. En dat moet dan, gezien het niveau van de tekst, zowel inhoudelijk als literair, dan wel veel later geweest zijn dan de tijd van de aartsvaders. De periode niet zo lang na de ballingschap lijkt het meest waarschijnlijk. Dat laat dan ook meteen zien hoe we de figuur van Job zouden kunnen interpreteren. Want wat is er in de ballingschap eigenlijk met het volk Israël gebeurd? In de ballingschap is het volk Israël alles kwijtgeraakt. Al zijn bezittingen, maar ook zou je kunnen zeggen zijn eigen kinderen. Zoals Job al zijn bezit en al zijn eigen kinderen verliest. Zo verloor Israël eerst zijn land, zijn tempel, zijn koninklijk paleis, en toen zijn kinderen, zijn toekomst als strijders in de oorlog. Maar een kind is natuurlijk ook een symbool voor de toekomst. Israël verloor zijn toekomst toen het volk in ballingschap werd gevoerd. Maar Israël kreeg na die ballingschap als het ware alles ook weer het dubbel terug van God. Dubbel in de zin van: de grote verrassing die dat was en de grote blijdschap die dat gaf. Die kun je verwoorden door te zeggen: zij kregen het dubbel terug.
Dus ik denk dat het hele boek Job in ieder geval óók een reflectie van Israël op de ballingschap is. Waarmee het natuurlijk niet daartoe beperkt is, want het blijft gaan over de grote vraag naar het kwaad en het lijden. Maar men heeft de eigen lijdenservaringen als startpunt genomen om over de eeuwige vraag van het lijden na te denken en daar vanuit het geloof iets beslissends over te zeggen.
De opbouw van het boek Job
Het boek Job bestaat uit drie stukken waarvan er twee bij elkaar horen. Het begint met de beschrijving van Job. “Er was eens een man Job in het land Uz”. Het land Uz kunnen we niet vinden op een landkaart. Samen met de formulering “er was eens”, die we ook uit Europese sprookjes kennen, laat dit begin ook al wel zien dat het verhaal niet historisch bedoeld is. Er was eens een meneer Job – en die Job wordt getekend als een vrome en een gelukkige. Maar dan verschijnt de Satan (die een van de zonen van God wordt genoemd) bij God, terug van zijn rondgaan om de aarde. God zelf vraagt dan of hij ook gelet heeft op zijn knecht Job die hem toch dient als geen ander. En dan suggereert de Satan dat Job dat alleen maar doet omdat hij door God gezegend wordt. Dat wordt de aanleiding voor de vraag die het uitgangspunt vormt van het boek: is er een geloof waarin wij God om niet dienen? Of is al het geloof eigenlijk alleen om wat we van God krijgen?
Dat is een confronterende vraag. Zou je God ook dienen als je er niks voor terug kreeg? Zou je God dienen als er geen hemel bestond? Zou je God dienen als dood toch echt dood was? En de Satan zegt: dat kan niet. De mens dient u niet om niet, maar alleen om wat u geeft. En God gaat dat duel aan, een duel met de Satan over het hoofd van Job zou je kunnen zeggen.
In twee rondes wordt Job dan alles afgenomen maar Job zelf blijft de vrome. Hij zegt “de Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam van de Heer zij geloofd”. Tegen zijn vrouw zegt hij: “Zouden wij het goede wel uit Gods hand aannemen en het kwade niet?“
Dat is het eerste deel en daarbij sluit eigenlijk meteen het slot aan. Het slot zegt dan dat Job alles dubbel terug kreeg. Dat begin en eind van het boek Job is in proza geschreven.
Je kunt alle hoofdstukken die ertussen liggen gewoon overslaan, dan is het nog een aansluitend verhaal. Veel wetenschappers zeggen daarom dat dit het oorspronkelijke verhaal is geweest: een legende waarin gezegd wordt dat een vroom mens alles werd afgenomen, maar ook uiteindelijk alles dubbel terug kreeg. Op die manier kan het een verhaal zijn geweest dat de oude wijsheid toch ondersteunt. Uitéindelijk klopt het toch: de goddeloze vergaat en de rechtvaardige wordt beloond. Wie in het lijden vasthoudt aan God wordt uiteindelijk beloond. Dan zou het kaderverhaal dus de oude wijsheid redden.
Maar dan staan er tussen dat begin en eind dat in proza geschreven is, al die dialogen die in poëzie geschreven zijn. En die daarmee al suggereren dat ze van een andere hand zijn. Het is dus al een hele vraag hoe dat kaderverhaal en de dialogen zich tot elkaar verhouden. Want in die dialogen waarin Job drie keer met drie, vier vrienden debatteert, krijgen we ook een ander portret van Job. Niet zozeer de duldende, de aanvaardende Job, maar veel meer een Job die strijdt. En die protesteert.
Welke inhoudelijke vragen zijn aan de orde?
Tot zover de meer exegetische en historische vragen. Nu meer naar de inhoud. Welke vragen zijn als je het meer systematisch bekijkt aan de orde in dit bijbelboek? Wel, in de eerste plaats de vraag naar God. Wie is God eigenlijk? Is Hij almachtig? Is Hij rechtvaardig? Is Hij goed? Of is Hij dat niet? Dat zijn voor een gelovige een schokkende vraag, maar het is wel een vraag die de Bijbel zelf hier stelt.
De tweede vraag is dan: hoe moeten wij mensen tegenover die God staan? Moeten wij inderdaad lijdzaam het kwade ondergaan en God er ook nog om prijzen? Zeggen “De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heren zij geloofd”? Of moeten wij veel meer protesteren tegen het lijden en aan onze onschuld vasthouden? Wat betekent mens zijn als het gaat om lijden?
De derde vraag is: is het leven, is de wereld begrijpelijk of niet? Ik heb gezegd, de oude wijsheid van Israël beweerde dat deze werkelijkheid uiteindelijk begrijpelijk in elkaar zit. Het is een orde. Is dat zo? Of is de wereld eigenlijk een chaos? En is het leven ook voor een gelovige helemaal niet te doorgronden? En als dat zo is, ja, wat is dan eigenlijk geloven? Dat zijn de drie vragen die in het boek Job aan de orde zijn.
Wie is God?
Nog even iets over de eerste vraag, namelijk wie is God? Is Hij wel almachtig en rechtvaardig en goed? Hoe zeer die vraag aan de orde is, zie je ook als je kijkt welke woorden er voor God worden gebruikt. We kennen de woorden ‘God’ en ‘HEERE’. Die worden de hele Bijbel door gebruikt en niet zelden worden ze ook samengevoegd tot ‘HEERE God’. Deze twee aanduidingen vinden we ook in het boek Job ook, maar ook nog een aantal andere. En ze hebben allemaal verschillende betekenissen. Wat heel erg opvalt is dat het woord ‘HEERE’ eigenlijk in de dialogen helemaal niet gebruikt wordt. Dus de God waar Job het met zijn vrienden over heeft wordt nergens ‘HEERE’ genoemd. En dan zijn al die discussies afgelopen in hoofdstuk 37 en dan in hoofdstuk 38 vers 1 staat er ineens: “De HEERE antwoordde Job uit een storm”. Dus het gesprek ging de hele tijd over God dit, God dat, God zus, God zo, is God zus?, is God zo?, en dan staat er: “De HEERE antwoordde”.
Als je dat nou heel kritisch, sceptisch wilt lezen, dan kun je zeggen, degene die Job ter verantwoording heeft gevraagd, is helemaal niet degene die geantwoord heeft. Job vraagt in die dialogen de hele tijd of God wil verschijnen en hem wil antwoorden. Maar degene die hem antwoordt, is de HEERE.
Kerkgangers zijn gewend meteen te zeggen dat die twee, God en HEERE, dezelfde zijn. En de Bijbel zelf zegt dat natuurlijk ook door heel vaak te spreken over ‘de HEERE God’. Maar we moeten goed zien dat van oorsprong het toch twee heel verschillende aanduidingen zijn. En dat die oorsprong blijft doorwerken.
Het woord ‘HEERE’ duidt op de Verbondsgod. De Naam wordt geopenbaard aan Mozes bij de brandende braambos en dan betekent die naam eigenlijk: Ik ben de God van het verbond. De God die met jullie omgaat in gebod en belofte. De God van het volk Israël die trouw is en trouw blijft. De betrouwbare. Dat betekent HEERE.
Het woord God, in het Hebreeuws Elohim, daarvan weten we eigenlijk niet eens of het wel God betekent. Het is eigenlijk een meervouw, en zou net zo goed met ‘goden’ kunnen worden vertaald, ook al is het enkelvoud ook mogelijk. Maar ook in het laatste geval is het een heel algemene aanduiding voor ‘de hoogste macht’. ‘De Schepper’, kun je dan ook zeggen. Degene die uiteindelijk de touwtjes in handen heeft. De allesbepalende werkelijkheid. Maar die verder eigenlijk geen gezicht heeft. Die niet spreekt, die niet met ons omgaat en meegaat. Die God wordt dan ook maar liefst 31 keer in het boek Job ‘de Almachtige’ genoemd. God is in ieder geval Almachtig. Alles komt van Hem, ook Jobs slagen. En die Almachtige God noemt Job dan ook twee keer zijn ‘tegenstander’.
En tegenover die tegenstander, die Almachtige God, vraagt Job dan drie keer om een ander die voor hem zou opkomen. Dat noemt hij de ‘losser’ of de ‘getuige’ of de ‘pleitbezorger’.
En daarnaast hebben we dan ook nog de figuur van de Satan, die een van de zonen van God wordt genoemd. Die bij God verschijnt alsof die gewoon net zo’n soort bode van God is als de hoogste engel.
Het boek Job stelt dus heel sterk de vraag: wie is God nou eigenlijk? Is Hij de Almachtige die de tegenstander van de mens is? Is hij zelfs vriendjes met de Satan? Of is Hij de betrouwbare, de HEERE? Is degene die uiteindelijk Job geantwoord heeft wel dezelfde als waar het hele boek over ging? Het zou natuurlijk dramatisch zijn om te moeten constateren dat dat niet zo is. Want dan heeft Job op geen enkele manier antwoord gekregen op zijn vragen.
U bent nu aan zet.