Rilke’s ‘Sonnetten aan Orpheus’

Deze bespreking wordt in verkorte vorm in ‘Liter’ gepubliceerd.

Rainer Maria Rilke, De sonnetten aan Orpheus, vertaald en van commentaar voorzien door Wessel ten Boom, Utrecht: uitgeverij IJzer 2019, 266 pag., € 25,- ISBN 9789086841820.

Ten Boom is emeritus predikant van de Protestantse kerk en heeft een veelzijdig oeuvre op zijn naam staan. Recent verscheen een bundel artikelen van zijn hand onder de titel ‘Leven in de waagschaal’ (Skandalon 2019). Daarin staan ook boeiende opstellen over literatoren als Vestdijk, Groenewegen en Nijhoff; en drie opstellen over Rilke. Hij is in zijn werk altijd bezig met de confrontatie van de openbaring en de moderne cultuur. Beleerd door Karl Barth blijft hij toch met Miskotte erkennen dat het heidense bloed in ons blijft stromen. Dat blijkt in het bijzonder in dit boek: een vertaling met commentaar van Rilkes ‘Sonnetten aan Orpheus’. Deze gedichten werden in 2016 nog in een nieuwe Nederlandse vertaling (van de hand van Bert Karel Schreurs) uitgebracht, maar toch zag uitgeverij IJzer er brood in om weer met een nieuwe vertaling te komen. Prettig is dat de Duitse en Nederlandse tekst naast elkaar staan afgedrukt, zodat de lezer goed mee kan denken. Ten Boom vertaalt naar mijn idee letterlijk waar het kan, en minder letterlijk waar het niet anders kan, of waar hij een mooie vondst gedaan heeft, zoals bij de frase ‘Ein für alle Male / ists Orpheus, wenn es singt’ (28). Blok en Jellema vertaalden daar “Want ten enenmale / is ’t Orpheus, in elk lied”, maar bij Ten Boom heet het “Want Orpheus’ snaar / is het die trilt in elk gezang” (29). Natuurlijk meestal is de vertaling meer letterlijk. “Aber noch ist uns das Dasein verzaubert; an hundert / Stellen ist es noch Ursprung. Ein Spielen von reinen / Kräften, die keiner berührt, der nicht kniet und bewundert.” Dit wordt bij Ten Boom: “Maar nog is voor ons het bestaan betoverd; op honderd / plaatsen nog oorsprong. Zuivere krachten spelen / een spel, waar niemand aan raakt die niet knielt en bewondert.” (92-93) Overigens vertaalt Ten Boom ‘Dasein’ hier met ‘bestaan’, terwijl hij het elders vertaalt met ‘daar-zijn’ (25), en aan deze zeer letterlijke vertaling ook zijn interpretatie verbindt (142). Als die interpretatie klopt, was concordant vertalen met ‘daar-zijn’ meer op zijn plaats geweest.

Deze uitgave heeft door het uitvoerige commentaar hoe dan ook veel toegevoegde waarde bij de Rilke-literatuur die al bestaat. Ten Boom becommentarieert elk van de 55 gedichten afzonderlijk en plaatst ze daarbij niet alleen in hun tijd en in de context van geheel Rilkes oeuvre, maar ook brengt hij Rilke in gesprek met filosofen en theologen.

De sonnetten aan Orpheus werden door de ‘late’ Rilke, in 1922, ‘aus einem Guss’ geschreven. Jaren van stilte gingen eraan vooraf. Toen hij weer schrijven kon, ervoer Rilke dat als een openbaring. Hij had een nieuwe toegang tot de werkelijkheid gevonden. Niet meer neoromantisch, niet meer christelijk en ook niet modern in de zin van Verlicht, overtuigd van de menselijke redelijke kracht. Maar vooral zoiets als ‘heidens’. Dat zit niet alleen in de vorm van deze sonnetten, die we blijkbaar moeten begrijpen als lof aan de Griekse god Orpheus, de kunstenaar die al musicerend zijn Euridice uit de onderwereld trachtte te halen – zonder succes. Leven, liefde, dood, offer en kunst zijn zijn thema’s. Rilke vertelt de mythe (die trouwens in verschillende varianten is overgeleverd, 151-154) niet na, maar refereert wel geregeld aan onderdelen ervan. Vooral verstaat hij Orpheus als goddelijke kracht die na en door zijn dood de hele werkelijkheid bezielt (28 e.a.). De mens die zich daarvoor open stelt, ervaart dit goddelijke, inspirerende in de wereld om hem heen. Goed heidens worden daarbij de grenzen tussen dier, mens en god vaag – zodat er niet meer sprake kan zijn van een nieuw horen naar een Stem buiten ons. Dit lijkt in het eerste gedicht wel zo te zijn, en Ten Boom ziet dan een parallel met Israëls geloof (20-21, 133vv); maar al snel blijkt de Stem tegelijk ons eigen innerlijk te zijn (133 e.a.). En de ene God vervalt weer in vele ‘Götter’ (32, 66 , 90, 120) met daar bovenop de schikgodinnen en het noodlot. Dit is een element dat tegenwoordig weer populair is, maar waar Ten Boom helaas niet afzonderlijk op ingaat: wat kunnen wij met de bejubelde terugkeer van het polytheïsme? Ik heb de indruk dat Ten Boom Rilke op dat punt nog sterk vanuit een christelijk, monotheïstisch kader leest.

Ten Boom vraagt dus niet alleen naar het hoe en waarom van deze poëzie, maar gaat ook met de auteur in gesprek over het wát. Deze typische ‘denkgedichten’ vragen daar ook om. Ten Boom ziet het (zowel Grieks- als Germaans-) heidense van Rilke (235 e.a.) en werkt dit vooral uit in een vergelijking tussen hem en Martin Heidegger (145-146, 148-150 e.a.), die openlijk de lof van de latere Rilke zong en in hem een zanger van het Zijn zag. Maar volgens Ten Boom is er bij Rilke meer aan de hand. Niet alleen had Rilke in tegenstelling tot Heidegger wél waardering voor het jodendom (al geeft hij er wel een typisch heidense interpretatie aan: het jodendom als een soort bloedverwantschap met Adonai, 182), maar hij is ook minder nostalgisch en zwaarmoedig. Er is meer geloof in het níeuwe, andere, dat niet persé samenvalt met het aloude. Ten Boom ziet ook verwantschap van Rilke met de vroege Karl Barth, die in zijn commentaar op de Romeinenbrief uit dezelfde periode (1919/1922) het ook verwachtte van een radicaal nieuwe, ‘ganz Andere’ God (144 e.a.). Hij maakt goed duidelijk dat zij in het afscheid van het traditionele christendom één zijn, maar kan niet verhullen dat zij in hun antwoord op de crisis heel verschillende wegen gaan. Het specifieke van de bijbelse God schittert bij Rilke door afwezigheid. Het gaat bij hem wel om het beleven van het goddelijke, maar niet om een persoonlijke verhouding tot een persoonlijke God, waarin dan ook schuld en verzoening een rol spelen. Dit ervaren van het goddelijke wordt dan ook door Rilke heel consequent uitgespeeld tegen geloven (brief uit 1921, geciteerd p. 181). Geen geloof in God, zijn Woord, zijn daden, máár ervaring van het goddelijke, binnen de grenzen van dit aardse bestaan. Daarmee is Rilke een vertolker van een tegenwoordig sterk aanwezig levensgevoel. Hij blijft, in de woorden van Miskotte de ‘lyricus die, mede door zijn denkkracht, ten volle vertolkt wat ons beweegt’ (159). Het is de verdienste van Ten Boom dat hij middels Rilke dit gesprek over heidendom en christendom voert – zonder daarbij Rilke de les te lezen. We krijgen het allemaal te lezen en zien zo het grote alternatief voor ons. Dat spreekt misschien het meest aan het slot, wanneer het steeds meer gaat over de dood. Bij Rilke oftewel bij Orpheus gaat het wel om nieuw leven, maar dan om cyclisch nieuw leven, zoals het in de natuur steeds weer lente wordt. Om opstanding uit de doden kan het niet gaan. Daarin is Rilke ons moderne mensen nabij, en daarin laat hij als in een negatief de uniciteit en de provocatie van het christelijk geloof zien. Wie weet dat deze bladzijden geschreven werden door een denker die zelf ernstig ziek is, krijgt de urgentie van dit alternatief nog meer voor ogen. Een uitgave die zowel voor liefhebbers van de (Duitse) literatuur als voor filosofen en theologen fascinerende en belangwekkende lectuur is.

 

Tranen, tranen (meditatie n.a.v. Jer. 9:1 en Rom. 12:15)

“Och, was mijn hoofd maar water en mijn oog een bron van tranen, ik zou dag en nacht wenen” (Jeremia 9:1)

“Ween met de wenenden” (Romeinen 12:15)

Waarom willen wij wel blij zijn met de blijden, maar vinden wij het zo moeilijk om te wenen met de wenenden? Of liever gezegd: wij willen niet eens blij zijn met de blijden. Het lukt ons niet, want dan komt er weer jalouzie en naijver doorheen: wat zij heeft, heb ik niet.

We willen hoogstens lachen met de lachers. “Als je lacht, lacht de wereld met je mee; maar als je huilt, huil je alleen” zegt een spreekwoord. Dat spreekwoord is ongeveer de hardste veroordeling van ons mensen die je je kunt indenken. Wij zijn alleen solidair aan de oppervlakte. In de diepte zijn we allemaal eenzaam.

Het evangelie wil ons dat allemaal afleren. Het leert ons blij te zijn met de blijden, de gezegenden, zonder jalouzie. De ander gunnend wat hij of zij ontvangt, beseffend dat wij niets hebben dat wij niet hebben ontvangen. Dan kom je van de lol in de vreugde, van de pret in de blijdschap, van de oppervlakte in de diepte, van de buitenkant in het hart. Het hart heeft veel vreugde, als het er maar ongegeneerd zou mogen zijn.

Het evangelie gaat nog verder als het van ons eist ook te wenen met de wenenden. Dat stuit ons tegen de borst. Al te vaak laten we de tranen van onszelf niet eens bij onszelf toe. Je verstopt het, dag in dag uit, jaar in jaar uit. Tot het barst, ineens, en stroomt, en niet meer stopt. Dan pas kan je genezing beginnen.

Maar dan nog de tranen van de ander durven zien en daarin nabij durven zijn. De wenende niet alleen laten met zijn tranen, maar daarin er gewoon zijn, niet angstig en niet oordelend. Dat is wat God kan en ook doet. ‘God zal alle tranen van de ogen afwissen’. Dat betekent: bij elk van ons persoonlijk zal Hij dat doen, niet bij allen tegelijk, als met een grote tovertruc, maar als een pastor die je éérst laat huilen en dán alles wegveegt en zegt: ‘Nu is het weg, nu is het goed. Ga in tot de gezegenden van de Vader.’

Als wij dat niet kunnen leren van het evangelie, om zo de ander in haar of zijn tranen nabij te zijn, wat leren wij dan wel? Wat maakt het dan eigenlijk uit dat er een christelijke gemeente is? Wie schiet daar wat mee op? Niemand, als wij dit niet leren, steeds opnieuw. Zie de tranen van de ander niet als iets waar je met een boog omheen moet lopen, en ook niet als iets waar meteen een zakdoek bij moet, wat opgelost moet worden, maar als iets waardoor jij ook kunt leren huilen. Dat wil Jezus je leren: huilen. Eerst zelf bij God, en dan met de ander.

(Hervormd Kerkblad Waddinxveen en Benthuizen, 81/18, 7 juni 2019)

 

 

 

Kinderlijk, niet kinderachtig (meditatie n.a.v. Matth. 18:3 en 1 Kor. 14:20)

Kinderlijk, niet kinderachtig

“Als u niet wordt als de kinderen, zult u het Koninkrijk niet binnengaan.” (Mattheüs 18:3)

“Broeders word geen kinderen in het denken, maar word in het denken volwassen.” (1 Kor. 14:20)

De eerste tekst die hierboven staat, kan zich binnen de huidige christenheid in een enorme populariteit verheugen. En dat is terecht. Dat wij moeten worden als de kinderen, is de samenvatting van de wet, en dat wij het mogen en kunnen worden, is de samenvatting van het evangelie. Wie dit gevat heeft, heeft alles gevat. De hemel is hem opengegaan.

De tweede tekst is zeer impopulair. Zelfs veel getrouwe Bijbellezers weten niet dat hij ook in hun Bijbel staat. Terwijl wij ook de eerste tekst pas goed begrijpen als wij de tweede erbij nemen – en omgekeerd.

Beide teksten lijken op gespannen voet met elkaar te staan. Maar dat is slechts schijn. Dat zou alleen zo zijn als Jezus met het eerste woord ons verstand zou willen kortwieken. Jezus heeft echter gezegd: “U zult de Here uw God liefhebben met héél uw verstand.” Het geloof is niet een manier om je verstand uit te schakelen; het is de ultieme manier om je verstand voluit te gebruiken. Jezus heeft met de eerste tekst niet negatief over het verstand willen spreken, maar ons willen leren dat nederigheid, ontvankelijkheid en vertrouwen nodig zijn om God te vinden.

We kunnen beide teksten bijeen houden als we met de dichter P.A. de Génestet onderscheiden tussen kinderlijkheid en kinderachtigheid. Hij dichtte: “Vrees God, maar vriend, wees niet vreesachtig; wees kinderlijk, niet kinderachtig.”

Kinderlijk is een geloof dat ontvankelijk is voor wat God belooft; kinderachtig is een geloof dat niet over die beloften durft na te denken. Kinderlijk is een geloof dat gewoon de wereld in gaat, omdat God ook daar is; kinderachtig is een geloof dat zich van de wereld afsluit – uit angst of omdat het bij God wil zijn. Kinderlijk is een geloof dat datgene wat het niet begrijpt simpelweg aan God overlaat; kinderachtig is een geloof dat alles in een systeem probeert te gieten. Kinderlijk is een geloof dat fouten durft te maken, in denken en leven; kinderachtig is een geloof dat uit angst fouten te maken nergens echt aan begint. Kinderlijk is een geloof dat dapper zondigt, in de wetenschap dat God graag vergeeft; kinderachtig is een geloof dat de Vader als een boekhouder van onze zonden beschouwt. Kinderlijk is een geloof dat nederig kan knielen voor God die altijd groter is; kinderachtig is een geloof dat ons – op wat voor manier dan ook – klein wil houden. Kinderlijk is een geloof dat God en alléén God vreest; kinderachtig is een geloof dat vreesachtig in de wereld staat. Kinderlijk is een geloof dat wezenlijk vertrouwen is; kinderachtig is een geloof dat niet durft te denken omdat het in wezen God niet vertrouwt. Kinderlijk is een geloof dat ook verlangen is, omdat God altijd nog meer in petto heeft; kinderachtig is een geloof dat denkt alles nu wel te weten.

Laten wij onszelf onderzoeken: is ons geloof kinderlijk of kinderachtig?

(Hervormd Kerkblad Waddinxveen en Benthuizen 81/17, 24 mei 2019)

Oh, oh! (column)

Vanuit mijn studeerkamer, van achter het glas observeer ik onze jongste zoon, die in de tuin scharrelt. ‘Scharrelen’ is inderdaad precies wat de dreumes doet. Hij gaat niet van hier naar daar, doelgericht, zoals homo faber doet, maar hij draait rondjes en laat zich leiden door wat hij ziet. Als Adam wijst hij alles aan en geeft alles wat leeft namen. Vogels heten bijvoorbeeld ‘piepie’, en die volgt hij voortdurend met zijn ogen. Hij huppelt achter een insect aan, voelt aan de blaadjes van de bomen, gaat zitten om een madeliefje van het leven te beroven. Het herinnert me aan het enthousiasme waarmee een van onze andere kinderen een kuikentje, net uit het ei gekropen, in de handen nam en doodkneep. Heerlijk, die gretigheid, die vervoering.

De hummel slaat nu met zijn handjes naar de bellen die zijn broer blaast, daarbij roepend: ‘oh, oh!’ Daar is zijn hart vol van, van die uitroep ‘oh!’ Onlangs gaven wij hem zijn eerste fietsje cadeau, een driewielertje met laadbak. Toen hij die kreeg, riep hij het weer: ‘oh, oh!’ Hij kon er bijna niet mee stoppen. En hetzelfde doet hij elke avond bij het eten. Of het nu Hollandse worteltjes zijn of Marokkaanse couscous, elke keer is hij weer even enthousiast. Alleen mogen wij hem niet voeren. Dan wendt hij boos zijn aangezicht af, keert ons de rug toe, tot wij hem gewoon bord en al geven, en hij met zijn handen mag eten. En dat mag hij, want wij bewonen, zoals algemeen bekend, ‘het huis zonder regels’. Dat zorgt ervoor dat je blijft roepen: ‘oh, oh!’ Sommige mensen stoppen met die klank na hun tweede levensjaar, om hem daarna in de huwelijksnacht nog één keer te herhalen, maar dan is het uit. Zonde, zonde. De essentie van het leven is dit: zorg dat je blijft roepen ‘oh, oh!’ Thierry Baudet is zo’n kind dat wil blijven roepen: ‘oh, oh!’ Dat verlangen roept blijkbaar veel herkenning op.

Van de eerste filosoof, Thales van Milete, wordt verteld dat hij een keer in een put viel, omdat hij naar boven, naar de sterren keek, en ‘oh, oh!’ riep van verbazing. Ja, dat zou mijn zoon ook zomaar kunnen overkomen. Het is lastig zowel te leven met de nuchterheid van de homo faber als met de verwondering van Thales, Immanuel Kant (die in ieder geval nog door twee dingen met ‘bewondering en ontzag’ vervuld werd: de sterrenhemel boven hem en de morele wet in hem), een Adam en Eva, een profeet en een apostel, of een Jezus, dat grote, grote kind. Omdat Jezus een groot kind was, noemen we Hem Gods Zoon. Oh, die vijgenboom, oh, die Judas, oh, dat zonnestraaltje op die stoeptegel, oh, oh, oh!

Ik heb nog maar twee jongens en twee meisjes. Ik denk dat ik maar doorga met het verwekken van kinderen, tot het eerste kleinkind zich aandient. Dan hoef ik die fase van de dreumes nooit te missen. Dan kan ik altijd blijven meedoen: ‘oh, oh!’

(De Nieuwe Koers mei 2019)

Als de wereld een lijk is (column)

“Jezus heeft gezegd: wie de wereld heeft gekend, heeft een lijk gevonden, en wie een lijk gevonden heeft, die wereld is hem niet waardig.” Die spreuk kwam ik tegen in het evangelie van Thomas, dat ik herlas met het oog op de catechisatie. Ik ben gezegend met tieners die veelal op een reformatorische school zitten en het verschil tussen Abner en Zacheüs inmiddels wel kennen. Van het evangelie van Thomas hadden ze nog niet gehoord. Dit gnostische geschrift werd in 1945 ontdekt en bevat 114 ‘geheime spreuken van Jezus’. We hebben samen nagedacht over de vraag waarom de verkondiging van dit evangelie niet bij Nieuwe Testament past. Geen onzinnige vraag in een tijd van de Dan Browns en hun eindeloze fantasie, dat de kerk ‘de ware Jezus’ aan de mensheid onthouden heeft.

Mij viel bij herlezing op hoe aantrekkelijk de gnostiek is. Gnostiek is: de mens is in wezen goed, goddelijk. ‘Verlossing’ bestaat erin je dit ontdekt. Als je ontdekt wie je zelf bent, wie je in je eigen goede kern bent, dan ben je al verlost. Daarom hoeft het koninkrijk van God van de gnostische Jezus ook niet meer te komen. Op de vraag van de discipelen naar de komst van het Rijk, antwoordt de Jezus van het evangelie van Thomas: “Wat jullie verwachten is al gekomen, maar jullie kennen het niet.”

               Een heerlijk evangelie. Wij zijn geen zondaren en hoeven dus ook niet verlost te worden. Het koninkrijk hoeven we niet meer te verwachten, want het is er al. En een Zaligmaker hebben we niet nodig; een leermeester is voldoende. En ook die leraar heb je alleen maar nodig totdat je het zelf begrijpt. Geen wonder dat het vandaag weer zo’n populair evangelie is, ook binnen het christendom. Waar wij ons verzetten tegen het dogma van des mensen ellende, en tegen de verzoening door het bloed van Christus alleen, waar wij God zoeken in onszelf – daar kijkt steeds de gnostiek mee.

               Maar we vergeten dan voor het gemak hoe de gnostiek tegen de wereld aankijkt. Dat staat in de spreuk waar ik mee begon. Voor de gnosticus is de wereld een lijk. Als hij ontdekt dat hij in zijn onzichtbare kern goddelijk is, dan ontdekt hij ook dat al het zichtbare slecht en verdorven is, een gevangenis, ja een stinkend lijk.

               Als de wereld in je denken al een lijk is, mag het ook wel een lijk worden. We hebben weer lijken zien liggen de afgelopen tijd. In Christ Church, in Utrecht. Degenen die denken dat zij iets goddelijks ontdekt hebben in zichzelf, mogen de mensen verachten en vermoorden. Wie ontdekt heeft dat hij een zondaar is, die telt zich bij de wereld, de ene, die hij liefheeft omdat God haar liefheeft. Het dogma van des mensen ellende is het meest hoopvolle bericht dat er is, en geeft de beste garantie voor een vreedzame wereld. Het idee van de goede of goddelijke mens daarentegen stapelt lijk op lijk.

(De Nieuwe Koers april 2019)

Bekering (column)

De bekering van oud-PVV-er Joram van Klaveren tot de islam houdt de gemoederen bezig, en dat is logisch. ‘Hoe bestaat het?’, vraagt menigeen zich af. Geert Wilders zei dat het net zoiets is als een vegetariër die in een slagerij gaat werken. Dat houdt je toch niet voor mogelijk?

Toch is deze verwondering bij nader inzien niet zo nodig. Het beroemdste voorbeeld van een bekering is immers die van Saulus. Onderweg naar Damascus ging hem het Licht op. Van anti-christelijke Farizeeër naar apostel van Jezus Christus – dat is net zoiets als van de PVV naar de islam. Saulus werd met tijdelijke blindheid geslagen, wilde niet meer leven, maar liet zich toen dopen en na een tijd van bezinning begon hij met een enorme missionaire drift de hele wereld rond te reizen. Want iedereen moest weten wie Heer is. We kunnen van Joram nog wat verwachten dus.

Godsdienstpsychologen hebben veel over die bekering van Paulus nagedacht. Zij zeggen: die bekering komt niet zo plotseling als het lijkt. Psychologisch wordt die lange tijd voorbereid, juist ook door zich af te zetten tegen datgene waardoor men – zoals in de bekering blijkt – hevig wordt aangetrokken. Het is net zoiets als het andere recente nieuws, namelijk de ‘bekering’ van David Matheson. Hij was voorvechter van gesprekstherapie waarmee homo’s te ‘genezen’ zouden zijn. Maar nu is hij zelf uit de kast gekomen. Je wordt verslagen door datgene waar je je altijd tegen verzette. En je verzette je er zo tegen, omdat het je eigenlijk al verslagen had.

Paulus kende het christendom al uit de jaren dat hij aan de voeten van Gamaliël zat. Hij leerde hun opvattingen als afwijkend en ontoelaatbaar verwerpen. Maar juist in de confrontatie met die nieuwe secte werd ook de twijfel in zijn hart gezaaid. Hij werd ontdekt aan zijn eigen onvermogen de wet te volbrengen. Hij werd ontdekt in zijn eigen haat, die niet alleen de vijand versloeg, maar ook hemzelf opvrat. Van die haat en leegte, van dat eindeloze gevoel niet goed genoeg te zijn bevrijdde de bekering hem.

Ook Van Klaverens bekering kwam niet opeens. De kiem werd gelegd toen hij actief was voor de PVV. Juist in zijn meest felle anti-islam-stukken zaaide hij zijn eigen bekering, zoals Matheson in zijn vurigste gebeden om genezing zijn eigen coming out voorbereidde. Dat is de psychologie van de bekering: je verzet je tegen datgene wat in jezelf leeft, tot je het niet meer kunt.

Het zou dus heel goed kunnen dat ook Geert Wilders zich nog tot de islam bekeert. Die kans is veel groter dan dat het Mark Rutte, Sybrand Buma of Jesse Klaver ‘overkomt’, juist omdat bekering je niet overkomt. Je bent er zelf bij.

(De Nieuwe Koers, maart 2019)

 

Willem Maarten Dekker

De Russische ziel (column)

De laatste tijd heb ik zes romans van Fjodor Michailovitsj Dostojevski gelezen. Lekker met de deur dicht. Het nieuws kan me gestolen worden; de hele wereld eigenlijk. Moet ik ook nog schrijven over de Nashville-verklaring? Nee toch zeker? Daar zit echt niemand op te wachten. Laat iedereen – homo, hetero of welke letter je uit het LHBTQt/mZ je ook wilt kiezen – Dostojevski lezen. Daar schieten we heel wat meer mee op.

               Als ik Dostojevski goed begrijp, zijn wij allemaal ziek. In zijn romans komt geen normaal mens voor. Het zijn allemaal ploerten, hoertjes, moordenaars, dronkaards, schyzofrenen, idioten, misantropen, zelfmoordenaars en borderliners, die zijn boeken vullen. En heiligen. Maar die heiligen zijn geen andere categorie; de heiligen worden genomen uit deze categorieën, en blijven wat ze waren: hoertje, moordenaar en zo meer. Als je ergens kunt leren wat het evangelie bedoelt met ‘de goede moordenaar’ (die ene die naast Jezus hing, je weet wel) en wat Luther bedoelt met de ‘goddeloze rechtvaardige’, dan is het wel bij Dostojevski.

               Dostojevski leert ons daarom een universeel mededogen. Omdat wij allen ziek en schuldig en reeds geoordeeld zijn, heeft niemand het recht de eerste steen naar de ander te werpen. Aan het slot van ‘De idioot’ zit de hoofdpersoon, vorst Myschkin, naast het lichaam van zijn geliefde Nastasja, die zojuist door haar partner Rogozjin vermoord is. Rogozjin zit er ook, en biecht de moord bij Myschkin op. Maar Myschkin slaat er niet op los. Integendeel, de moordenaar en het slachtoffer vallen naast elkaar in slaap, bijna in elkaars armen. Myschkin moet dat bekopen met krankzinnigheid. Maar, zo lijkt Dostojevski te willen zeggen: dat is altijd nog beter dan de ander veroordelen. Wie de mensen kent, kan alles begrijpen, ook het grootste kwaad.

               En nu het rare (als het raar is!): deze zelfde Dostojevski was een echte Rus. Hij vereerde alles wat Russisch was, de grond, de kerk, de ziel, de sneeuw en ook de modder. Hij verafschuwde daarentegen alles wat westers was en de Russische ziel te gronde dreigde te richten. In ‘Duivels’ laat hij een van de personages zeggen: ‘God is als het ware de synthetische persoonlijkheid van een natie.’ In dit nationalisme had hij het goed met Poetin kunnen vinden en ook met de patriarch van de Russisch-orthodoxe kerk, Kirill, die zich op dit moment boos maakt over de gewenste zelfstandigheid van de Oekraïense kerk.

               Bij Dostojevski zien we dus aan de ene kant een grenzenloos mededogen en aan de andere kant een ophemelen van ‘de Russische volksziel’. Is dat zelftegenstrijdig? Of is dat onze vergissing? Waarom zou het eigenlijk zelftegenstrijdig zijn? Waarom zou een christen niet kunnen leven in een universeel mededogen én tegelijk patriot zijn, zijn geboortegrond kussen, de ziel van zijn volk beminnen? Is het misschien onze kortzichtigheid dat wij de terugkeer van het volksgevoel meteen als onchristelijk wegzetten? Was Dostojevski een heiden?

(De Nieuwe Koers januari 2019)

 

Wie ben je? (meditatie n.a.v. Ruth 3:16)

“Toen kwam Ruth bij haar schoonmoeder, en die zei: ‘Wie ben je, mijn dochter?’ (Ruth 3:16)

Meditatie

 

Wie ben je?

 

“Wie ben je?” Die vraag klinkt twee keer in het derde hoofdstuk van het boekje Ruth. Beide keren wordt de vraag aan Ruth gesteld. Één keer door Boaz, in vers 9. En één keer door Naomi, in vers 16.

Wie ben je? Een vraag die we hopelijk allemaal wel eens aan onszelf stellen. Wie ben ik? Wie ben ik in de ogen van anderen? Wie ben ik in Gods oog?

Bij Boaz was het een logische vraag. In de nacht, in het donker, kietelt er iemand onder zijn voeten, en wakker schrikkend vraagt hij: wie ben je?

Later, als Naomi de vraag stelt, komt hij meer onverwacht. De vraag wordt gesteld als Ruth weer thuis komt, ’s morgens heel vroeg, bij Naomi. Ik stel me voor, Naomi heeft geen oog dichtgedaan, en zit in haar schommelstoel slechts wat te dommelen, als Ruth net voor het ochtendgloren thuiskomt. ‘En, mijn dochter, wie ben je?’

Wat een vraag he? Snappen we hem? Je kunt denken: wat is er met Naomi aan de hand? Begint ze te dementeren? Weet ze niet meer wie ze voor zich heeft: Ruth, haar schoondochter. Stelt ze daarom die domme vraag: Wie ben je?

Maar, nee, zo zullen we deze vraag van Naomi toch niet moeten begrijpen. Het is veel dieper bedoeld. Wie bén je, Ruth? Wie ben je geworden vannacht? Ben je de verstotene, of ben je de beminde? Ben je de misbruikte misschien? Of de verloofde?

Het was een riskant avontuur van Ruth geweest om Boaz als losser te benaderen, zo heimelijk op die dorsvloer, in die nacht.

Wat is een losser ook alweer? Iedere man in Israël had zijn losser. Dat was in de meeste gevallen je naaste bloedverwant: je vader of broer. Anders je oom of je neef.

Wanneer een man gedood werd, dan had de losser de plicht van de bloedwraak: hij moest ervoor zorgen dat de moordenaar zijn rechtvaardige straf ontving. Wanneer een man om schulden als slaaf verkocht werd, dan de rustte op de losser de taak om hem weer uit zijn slavernij vrij te kopen. Wanneer een man noodgedwongen een stuk land moest verkopen, dan moest de losser tussenbeide komen en zorgen dat het land in de familie bleef. En: stierf een man zonder kinderen, dan moest de losser de kinderloze weduwe trouwen. Deze laatste taak van de losser, is hier aan de orde. Overigens was alleen een directe broer van de overledene hiertoe verplicht. Een neef of oom kon dit eventueel wel doen, maar was tot zo’n zwagerhuwelijk niet verplicht.

 

Nu is er een kinderloze weduwe, en dat is Naomi. Maar Naomi is ook inmiddels te oud om nog kinderen te kunnen krijgen. Zelfs een directe losser heeft voor haar geen zin meer. Maar Ruth is er nog. Haar eerste zoon zou nog mogen gelden als zoon van Naomi en Elimelech. En dan zou de grote bitterheid die in het leven van Naomi gekomen is, genezen.

Naomi en Ruth gaan Boaz bewegen om zijn taak als losser te volbrengen. Daarbij gaat het er heel menselijk aan toe. Naomi treedt op als koppelaarster. Zij heeft Ruth goed in de ogen gekeken toen zij terugkwam van het aren rapen en goed op haar gelet toen zij sprak over Boaz. En ze denkt bij zichzelf: Boaz en Ruth passen wel bij elkaar. En op een handige manier gaat zij ze nu aan elkaar koppelen, zoals er nog steeds talloze stellen zijn die bij elkaar gekomen zijn doordat er een derde was die al mogelijkheden zag voordat ze ze zelf zagen en die ze aan elkaar gekoppeld heeft.

Het is nu zeven weken geleden dat Ruth terecht kwam op het land van Boaz. Toen was het paasfeest, het begin van de gersteoogst. Nu is het zeven weken later en de oogst is voorbij, het wordt Pinksteren, het feest van de volle oogst.

 

En als Ruth dan terugkomt van haar laatste werkdag op het veld van Boaz, vraagt Naomi: Ruth, wordt het nu geen tijd om te trouwen? En dan komt ze met haar plan. Een plan voor een toekomst voor zowel haarzelf als Ruth. Zij als kinderloze weduwe. En Ruth als moabitische in een joodse stad.

 

En toen? Is er die nacht nog wat gebeurd? Natuurlijk! Denk je misschien. Ruth is blijven slapen, jaja, dan weten we het wel. Wel, de tekst is pikant, in het Hebreeuws nog wel wat pikanter en dubbelzinniger dan de vertaling. Maar vrijen, nee, dat doen ze net niet. Boaz toont zich daarin een man, dat hij zich beheerst. Nog even. Maar er gebeurt wel iets beslissends. In één nacht besluiten ze voorgoed met elkaar verder te gaan. De volgende morgen al wordt het huwelijk geregeld.

Wie ben je? Welke grenzen ben je overgegaan, wat is er met je gebeurd? Als je die vraag aan iemand stelt, komt de geschiedenis van zijn leven. Vaak het eerst die paar beslissende momenten, die je leven hebben gestempeld. Die hebben je gemaakt tot wie je bent. Dat doodgeboren kind. Die scheiding. Die ziekte. Die trouwdag. Die dag van je bekering. Voor Ruth is dat beslissende moment het moment van die nacht. Toen ze liefde zocht en vond.

Wie ben je, Ruth? Wie ben je geworden vannacht? Ben je de verstotene, of ben je de beminde? Ben je de misbruikte misschien? Of de verloofde?

Dat is de vraag waar het om draait. Wie zijn wij? Wie zijn wij geworden? Een vraag over ons leven, over de hoogte en dieptepunten daarin. Maar ook een geloofsvraag. Wie zijn wij geworden in de ogen van Christus? Wat heeft de ontmoeting met Christus met ons gedaan? Christus is onze losser. Hoe heeft de ontmoeting met Hem ons leven veranderd?

We gaan er vaak van uit dat wij dezelfde blijven. Naomi niet. Wie ben je geworden? Het leven doet wat met je. Ik ben een ander mens geworden. Ze weet: hoe het ook gegaan is, na deze nacht is het nooit meer dezelfde.

Herkennen we dat? Na de ontmoeting met Christus niet meer dezelfde. Niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij. Ik ben nu doorgloeid van Hem. Hij bepaalt mijn denken en doen. Na de ontmoeting met hem, nadat ik het met Hem ben gaan wagen, ben ik voorgoed veranderd. Ik ben er nog niet, ik ben nog onderweg, maar de beslissende wissel is omgegaan. Nu zal alles goed komen. Wij leven ook met Christus tussen verloving en huwelijk.

(‘Als de ochtendstond nadert’, uitgave Hervormd Waddinxveen, 2019)

De Heer is mijn herder (preek Psalm 23)

Gemeente van Christus,

 

I.

Wat een belijdenis! De HEERE is mijn Herder. Korter en krachtiger kun je haast niet belijdenis doen. Zo belijdenis doen is een basis en een opdracht voor je hele leven. Het tekent zo met tijdloze kracht de relatie tussen de HEERE God en ons. Hoewel wij allang niet meer leven in een tijd van herders en schaapskudden, en die alleen nog kennen van een dagje uit naar de Drenthse heide of zo, hoewel wij leven in een stadscultuur en een computerwereld in plaats van het oude joodse nomadenbestaan – dit beeld van God als de Herder blijft ons eeuwig bij. In Drenthe en op de Veluwe wordt louter voor de toeristen het herdersbestaan nog even nagespeeld, maar meer dan naspelen is het eigenlijk niet, zelfs al is het nog wel een wat zwaarder leven dan van negen tot vijf achter de computer zitten. Maar uiteindelijk, als het donker wordt, of als de winter aanbreekt, gaat de herder toch weer lekker bij de centrale verwarming zitten.

En tóch blijft het beeld ons aanspreken, alle eeuwen door. Dat beeld dat de Bijbel doortrekt, van Abel de schaapherder tot aan de herders van Bethlehem, die ’s nachts bij hun kudden waren en overvallen werden door een groot licht. Dat beeld blijft ons raken. Tallozen zijn er mee begraven en op talloze grafstenen staat de tekst gebeiteld: ‘De Heere is mijn Herder’.

 

II.

Maar dat betekent natuurlijk niet dat het een belijdenis voor het sterfbed is. Misschien dat het voor deze ene gene wel zo lijkt. Een troostlied voor als je oud geworden bent, een beetje zoetig ook, maar niet voor als je jong bent. Nou, juist wel, zou ik zeggen. Zeker, ik heb psalm 23 ook al vaak gelezen aan een sterfbed en bij een begrafenis, maar het is een tekst voor het léven.

De kinderen van de jongste catechisatie, van groep 7 en 8, hebben een paar jaar geleden psalm 23 uit het hoofd geleerd en in de belijdenisdienst voor ons gezongen. Dat was heel mooi, en ik hoop dat je hem nog kent. Waarschijnlijk heb je ook leren bidden voor het slapen gaan: “Ik ga slapen, ik ben moe, ‘k sluit mijn beide oogjes toe.” Denk je bij jezelf ‘daar word ik nu wel wat oud voor’, terwijl je tegelijk bidden in éigen woorden soms moeilijk vind? Bid dan eens Psalm 23, als avondgebed.

Ja, aan het einde van het leven mag psalm 23 ook klinken, prachtig, maar het is een belijdenis juist ook voor het hele leven. Een leven waarin je tijd krijgt om het te zeggen en steeds meer te beamen. De Heere is mijn herder. Zo persoonlijk staat het er, net zoals jullie Julian en Rowan, Joëlle en Bastiaan vandaag zeggen: ik geloof.

 

III.

De psalmen hebben het ritme van het mensenhart. En ons mensenhart kunnen we leren afstemmen op de psalmen. Lees ze, blijf ze lezen voor jezelf, leef ermee, zing ze. Dan wordt je langzaamaan steeds meer geleid naar een diep besef van datgene wat de kern van deze psalm uitmaakt: de overtuiging “U bent bij mij”. Dat zinnetje staat precies in het midden van de psalm. En het vormt er ook de kern van. Zo U en ik leren zeggen, daar draait het om, dat is een belijdend leven. Zo rust vinden bij God, dat wenst deze psalm je toe.

 

IV.

Ja, deze psalm 23 ademt een grote rust. “De HEERE doet mij neerliggen in grazige weiden, Hij leidt mij zachtjes naar stille wateren.”

Bij die woorden zouden wij dus een romantisch beeld krijgen van de herder die met zijn kudde rustig over de grote stille heide gaat. Maar dat is niet het beeld waar we aan moeten denken. Een herder zijn, dat was in de tijd van de Bijbel een hard beroep. Heel hard werken. Een echt mannenwerk daarom ook. Over vrouwelijke herders lees je niet. Het was dagen van huis zijn en in de open lucht slapen, het was bij je kudde blijven in weer en wind en het was ook je kudde verdedigen tegen wilde dieren. Je moest sterk en gehard zijn en goed tegen het alleen zijn kunnen om herder te kunnen zijn, want de herder was vaak ook eenzaam. In de samenleving telden ze bovendien nauwelijks mee. Herders werden beschouwd als de laagste klasse van de samenleving, bijna als uitschot. Op een gegeven moment vraagt een rabbijn zich zelfs hoe het toch bestaat dat de HEERE God zich laat vergelijken met een hérder. Andere beelden zijn toch veel eervoller en daarom passender voor God. De HEERE is een koning bijvoorbeeld. Kijk, daar kun je wat mee, dat is ook eervol voor God. Hem een koning noemen.

Maar komt de koning bij je thuis? Nee, de koning komt niet bij thuis. Gaat de koning met je mee, je hele leven door? Nee. Dat doet zelfs koning Willem Alexander niet. Willem Alexander is een koning van niks vergeleken met de koningen van Israël. Die koning van toen was de legeraanvoerder, de opperrechter, de minister-president, alles in één persoon. En die komt dus helemaal niet bij je thuis.

God ís koning, zeker. Met die titel eren wij Hem, terecht. Maar Hij schaamt zich niet óók herder genoemd te worden. Want Hij komt ook graag bij je thuis. Hij komt graag in de stal. Hij komt zó graag in de stal, dat Hij er zelfs geboren werd. In Christus trekt de Koning graag als Herder met je mee het hele leven door. En zo laat Hij zich niet alleen graag koning noemen, maar ook herder, of die rabbijn dat nou begreep of niet.

 

De HEERE is mijn herder. Dat wil zeggen: Hij leidt mij. Hij beschermt mij. Hij zoekt mij als ik verdwaal. Hij troost mij als ik gewond ben. Hij kent mij en ik ken Hem. Ik haal zijn stem zo tussen alle andere stemmen uit. Zoals schapen dat kunnen. Jezus zegt: “Mijn schapen horen Mijn stem, en volgen Mij.” (Joh. 10) Zo is dat in het echt ook. Er is een verhaal uit de oudheid over twee kudden, van twee herders, die tegen het vallen van de avond aankwamen op dezelfde slaapplaats. En de kudden mengden zich, ze gingen dwars door elkaar liggen slapen. Hoe kwam dat nu de volgende dag weer goed, toen de herders elk met hun kudde hun eigen kant weer uit wilden? Heel simpel. Ze gingen allebei aan een kant staan en begonnen allebei te praten, te roepen. En op de klank van de stem liepen alle schapen precies naar hun eigen herder. Die schapen zijn niet zo dom als ze er uit zien.

En zo is het tussen God en ons ook. We zijn totaal verschillend, God en ik, zo verschillend als een dier en een mens, en toch begrijpen we elkaar. Wij begrijpen ongeveer net zoveel van God als een schaap van zijn herder, of als een hond van zijn baas, maar toch is dat genoeg om wérkelijk zijn stem tussen alle andere stemmen uit te kunnen horen, en om zó veilig te leven en getroost te sterven.

Hij is toch “de HEERE” voor ons, de God met een Naam. Dat is opvallend, toch? Er staat niet: “God is mijn herder”, maar: “de HEERE is mijn herder”. Daar wordt God bij zijn naam genoemd. Dat hoort ook bij het belijden. Voor wie God leert belijden, is Hij niet meer zomaar een hoger wezen, een God, zoals de wereld vraagt: “Zou er een God bestaan?”. Maar “een God”, dat boeit de dichter van deze psalm helemaal niks. Wat moet ik met “een God”? Er bestaan zoveel goden en machten. Baäl, Mammon, Zeus, Afrodite, Geld, Macht, Seks, mijn Ego, mijn Angst, de Dood, allemaal goden. Maar ééntje te midden van die allen, die is het, die is de ware, dat is Hij die de HEERE genoemd wordt, de Naam, de God van Abraham, Izaäk en Jakob, de God van Jezus. Díe is mijn herder, díe vertrouw ik, díe zorgt voor mij. Díe beschermt mij, díe zoekt mij op als ik verdwaal. “Uw Naam is ‘ik ben’ en ‘ik zal er zijn’.

 

VI.

Ja, díe God schaamt zich niet om onze herder te zijn. Om zijn koningsmantel uit te trekken en zijn werkkleren aan te doen. Deze Herder draagt geen zwarte toga en geen witte toga, die draagt helemaal geen toga of hermelijnen mantel als een koning. Jezus deed zijn hele leven met dezelfde jas, die had echt geen geld om elk voorjaar een nieuwe te kopen, zoals wij. En op het laatst, aan het kruis, hing hij daar naakt. Deze naakte, met alle mogelijke schaamte en schuld bedekte stervende man werd spottend koning genoemd, de koning der joden. En Hij is het – als herder. Als degene die zijn koningsmantel aflegde. In Christus schaamt God zich niet om onze Herder te zijn, de goede herder, die zijn werkkleren aandoet en met ons meeloopt.

 

Ja, in psalm 23 is iemand die hard werkt, maar wij zijn het niet. Het is de herder. De schapen mogen grazen, maar de herder is aan het werk. Hij is alert, voortdurend alert, Hij sluimert noch slaapt, Hij beschermt ons, Hij voedt ons, Hij geeft ons blijdschap.

 

VII.

Deze psalm bemoedigt ons erin om de Heere God zo te zien en zo te blijven zien. Ook jullie, Joëlle en Bastiaan en Julian en Rowan spoort hij daartoe aan. Julian, jij zegt het al in je getuigenis dat we gelezen hebben op de beamer: “Ik geloof dat de Heere God goed voor mij zorgt.” En ook: “Hij wandelt met mij mee mijn verdere leven.” Nou ja, dat is het. Zo doet hij dat, als jij straks weer naar Gouda gaat om daar te werken, de mensen te voorzien van koffie en een gebakje. Moet u ook eens doen, in Gouda naar Brownies en Downies gaan. Dan krijg je van Julian koffie en een gebakje en de eerste keer is het gratis, toch Julian? En Julian doet zijn uiterste best voor je, echt. En Julian, zoals jij voor de bezoekers voor Brownies en Downies zorgt, zo zorgt de Here God voor jou. Nee, niet elke dag een gebakje natuurlijk, dat is ook helemaal niet goed voor ons, maar Hij is er wel echt voor ons.

En ook voor de anderen geldt dat. Of je nu als Joëlle nog met een opleiding bezig bent, of als Bastiaan met je handen hele mooie dingen maakt, of als Rowan je handen uit de mouwen steekt op de zorgboerderij, Hij is er bij.

 

VIII.

“U bent met mij”. Ik zei al: dat zinnetje midden in de psalm, in vers 4, is eigenlijk de kern. En het opvallende is, dat dat zinnetje niet meer in de hij-vorm staat, maar in de u-vorm. Met andere woorden: daar spreekt de dichter niet meer óver God, maar daar spreekt hij tót God. Eerst sprak hij óver God. “De HEERE is mijn herder.” Hij doet dit, Hij doet dat. Dat is allemaal spreken óver God. Dat is niet verkeerd, maar je redt het er uiteindelijk niet mee in je leven. Uiteindelijk moet je zo ver komen, dat je ook tót God leert spreken. U, U bent het. Dan is het ook pas helemaal waar.

Ik las bij iemand (A.A. van Ruler) het volgende: “U bent bij mij. Je moet dat wel in de tweede persoon zeggen, rechtstreeks tot God, dus helemaal persoonlijk, in jezelf. Zo gauw je het in de derde persoon zegt, tot anderen of ook tot jezelf, spreken óver God, is het niet meer helemaal waar.” Ik denk dat dat zo is. Als ik nu zeg: ‘De HEERE is uw en jouw herder’, dan is dat maar een halve waarheid. Want het gaat hier om een waarheid die heel persoonlijk is en die dus ook alleen maar heel persoonlijk ontdekt kan worden en beleden. Daarom is het ook zo mooi en zo belangrijk om wel een keer tot zo’n punt te komen. Tot zo’n moment van een persoonlijke belijdenis, als wij vandaag horen. Anders zul je de kracht van die woorden nooit echt gaan merken.

 

IX.

Want kracht hebben de woorden nodig. Omdat deze belijdenis gezegd wordt midden in het leven. Wij kunnen bij de herder wel in de eerste plaats denken aan de romantiek van de Drenthse heide, maar dat is dus echt onze vergissing. Dat is niet waar het in de psalm om gaat. De psalm wordt niet gesproken bij de knusheid van de open haard of de centrale verwarming, maar vooral in een dal lezen wij, een dal vol schaduw van de dood zelfs. Rowan, jij zegt in je getuigenis: “Ik doe belijdenis omdat ik geloof dat de Here God van mij houdt. Hij helpt mij ook als ik het moeilijk heb!” Amen, precies, ook als ik het moeilijk heb, dat is het.

 

Nee, dus niet:

 

“Op de grote stille heide

Bloeien bloempjes lief en teer

Pralend in de zonnestralen

Als een bloemhof heinde en veer.”

 

Dat is romantiek, dat is geen bijbels realisme. Met déze Herder kom je ook wel eens op plekken waar je niet wilt wezen. Dan ga je net als Nel Benschop vragen:

 

“Waar zijn nu, Heere, die stille wateren

Waarheen U mij zacht leiden zal?

‘k Zie mijn geluk steeds meer verwateren –

Waar is uw stille, groene dal?

Waar is de beker, die U vol zou schenken?”

 

Soms is de heide helemaal niet schoon, niet mooi en lieflijk, maar gaat het door een kloof, een nacht. Zelfs een nacht van Gods zwijgen. Waarin je de stem van de herder niet meer hoort, en moet vertrouwen, bijna blind moet vertrouwen dat Hij toch niet ver is van een ieder van ons.

 

X.

Michel van der Plas zegt in een gedicht: “de Heer is mijn vérder”. En hij bedoelt: de Heer is altijd voor me uit. Ik zie Hem slechts van de achterkant. En door het geloof ervaar ik ook zoveel gemis. Door het geloof kan ik niet opgaan in het hier en nu, maar word ik er uit gehaald, leef ik van de hoop, van wat er nog niet is.

Daar zit wat in: door het geloof ga je juist zien dat je er nog niet bent, dat je leeft van een verlangen, van wat beloofd is en komt maar er nog niet is. Het rijk van God. Zo zegt Michel van der Plas het: De Heer is mijn vérder, Hij is mijn elders, Hij is mijn eenmaal. Eenmaal zullen wij Hem zien.

Wie zou dit niet herkennen? Zelfs psalm 23 kent er, ondanks alle innigheid en nabijheid, nog wel iets van, als wij ons de situatie van de kudde indenken. Dat in de eerste plaats: de Heer is nooit jouw herder alleen, maar Hij is herder van een kudde, en een relatie met Hem is dus ook nooit een privé-relatie, maar alleen als één van de kudde heb je een relatie met Hem. En in de tweede plaats: de Herder loopt vóór die kudde uit. Niet het drijven, maar wel bij het hoeden. Bij het hoeden loopt de Herder vooruit, en de kudde hóórt zijn stem, en volgt. Nee, God zit niet bij ons op schoot en wij niet bij Hem, ook niet in psalm 23.

De Herder loopt voorop, maar ook áchter de kudde loopt wat. Daar lopen twee honden. Die zorgen ervoor dat de kudde een beetje doorloopt. Hoe heten die honden? Dat horen we ook: “Heil en goedertierenheid”. “Heil en goedertierenheid zullen mij volgen” staat er toch? (vers 6).

Zo worden wij in het geloof omgéven op onze tocht. Omgéven door de Heer en zijn gaven. Voor ons de Herder, en achter ons zijn gaven: geluk en liefde. Die áchtervolgen je, zoals de honden de schapen.

 

Dus ja, Michel van der Plas heeft een punt, maar gelukkig: de Heer is niet alléén ons vérder. Hij omgeeft mij ook van voren en van achteren en Hij legt zijn Hand op mij, nu. (Ps. 139) En zo ontbreekt ons niets. Want waar God is, wordt zelfs de hel een hemel.

 

XI.

Ja, dit is een psalm en een belijdenis vol bemoediging, tot aan het einde toe. Dan begint de dichter zelfs te geloven dat hij nu altijd in het huis van God kan blijven (vers 6). Daarbij moest wil wel even aan jou denken, Julian. Jij gaat altijd pas als laatste weg uit de kerk, als het catechisatie is op donderdag. Jij doet het licht uit en de deur dicht. Want het is fijn om in de kerk te zijn, met iedereen om je heen. En op zondag blijf je ook vaak lang. Eerst nog even de koster helpen. Je wilt altijd wel blijven. Prachtig.

Maar ja, je moet toch een keer weer naar buiten, de kerk uit. Dat weet deze dichter ook wel natuurlijk. En daarom bedoelt hij hier met “het huis van de HEERE” ook niet de tempel. Hij bedoelt er hier de wéreld mee! Dat is eigenlijk heel bijzonder. Hij bedoelt: de hele wereld is Gods huis. Waar ik ook ga, ik ben nooit buiten Gods bereik en aanwezigheid.

En ook die bemoediging krijgen jullie nog mee. Je hebt nu belijdenis gedaan, in de kerk. Je bent een jaar intensief met het geloof bezig geweest. Nu komt er weer een andere tijd. Misschien een gewonere tijd. Misschien ook wel een mindere tijd. Maar ook in die tijd is Hij er bij. De hele wereld is Gods huis.

AMEN

(Belijdenisdienst Waddinxveen, 7 april 2019)

Samen uit, samen thuis (meditatie n.a.v. Hebreeën 11:40)

Samen uit, samen thuis

“opdat zij zonder ons niet tot de volmaaktheid zouden komen.” (Hebr. 11:40)

In Hebreeën 11 staat de keten van geloofsgetuigen. De schrijver wil laten zien wat geloven is. Daarvoor vestigt hij dan de aandacht op de grote figuren die hebben voorgeleefd wat geloven is. Geloven is onderweg zijn. Het is niet gearriveerd zijn, in een heerlijke toestand leven, de schaapjes op het droge hebben. Het is veel meer: aan een reis beginnen. En het doel van die reis bereik je je hele leven niet. Het doel bereiken we samen, tegelijk, aan het einde.

Ik moet bij die rij gelovigen door de tijden heen denken aan een tocht die ik maakte op vakantie. Wij zaten in de Alpen en ik liep met een gids naar een bergtop boven de 4000 meter. Zo’n tocht kun je niet alleen maken, want je komt in een gebied waar geen paden zijn. Je moet ijzers onder je schoenen om niet uit te glijden op de massa sneeuw en ijs. En vooral: je zit aan elkaar vast. Je bent allemaal aan elkaar verbonden met een touw. Als er dan iemand valt, richt de groep hem op. Zodat er niemand de sneeuwhelling afzeilt.

Maar zo’n touw heeft nog een belangrijk gevolg. Je kunt namelijk niet meer in je eigen tempo naar boven. Je bent tot elkaar veroordeeld. De sterken zijn ertoe veroordeeld samen met de zwakken op te trekken, en de zwakken kunnen zich niet afscheiden van de sterken. Je komt samen op de top, of je komt helemaal niet op de top.

Boven op de top heb je dan een uitzocht zoals je nog gezien hebt. Als de oude Mozes die de berg Nebo opklom en toen het hele beloofde land ineens kon zien. Zo konden wij aan de ene kant kijken tot de Mont Blanc, en aan de andere kant tot in Italië. Eén uitgestrekt en ongerept berggebied. Met daarover de witte sneeuw, het teken dat God ons mooie maar ook boze leven onder zijn vergeving wil bedekken.

Dat is het leven: samen naar de top reizen van waaruit je het beloofde land kunt zien, en dan sterven. Niemand is nog het beloofde land binnengegaan, schrijft de apostel, “opdat zij zonder ons niet tot de volmaaktheid zouden komen.” Het is samen uit, samen thuis. Of je bereikt samen de top, of helemaal niet.

Dit leert ons dat wij nu al aan al onze broeders en zusters verbonden moeten willen zijn, aan één touw. Ook die je er liever niet bij wilt, zoals Jakob de bedrieger (21), Mozes de moordenaar (24), Rachab de hoer (31) en Simson de hoerenloper (32). En degenen die niet van jouw richting zijn, die van een andere kerk zijn, die een ander kleurtje hebben, die er een andere moraal op na houden. Bedenk dat goed: de broeders en zusters aan wie je je ergert, gaan met jou naar de top. Als je zonder hen wilt gaan, ga je zelf niet.

(Hervormd Kerkblad Waddinxveen en Benthuizen, 81/6, 15 februari 2019)

W.M.Dekker.