Schriftlezingen: Numeri 1, 1-19 en Romeinen 16, 3-16
Gemeente van Christus,
I.
Ik kan me voorstellen dat je met enige wanhoop aan het luisteren naar deze preek begint. Want we hebben twee gedeelten gelezen die niet bepaald tot de meest populaire van de bijbel behoren. Je zou ze bij het lezen overslaan. Allemaal namen en getallen in Numeri 1. En dan weer allemaal namen in Romeinen 16. Namen die ons niets zeggen, namen van mensen van wie we verder eigenlijk niks weten. Wat moeten we daarmee?
Nee, Numeri hoort niet bij de meest populaire boeken. Je hoort het al aan de naam, Numeri. Cijfers, betekent dat. Nou houden sommigen van jullie wel van cijfers weet ik, als je leraar wiskunde bent of accountant bent dan werk je veel met cijfers, maar een bijbelboek vol cijfers en lijsten, lange lijsten van plaatsen en namen, vind je dan toch ook wat raar en onaantrekkelijk waarschijnlijk. Het staat allemaal ver van ons af.
II.
Daarom is het goed dat er ook een andere naam van het vierde bijbelboek is. “In de woestijn”. Bemidbar. Dat is de joodse naam van dit boek. Joden geven elk bijbelboek gewoon een naam ontleend aan de eerste zin van het boek, makkelijk en duidelijk. En ze doen dat in het geloof dat die eerste zin daar niet voor niets staat. In de eerste zin van Numeri staat: bemidbar, in de woestijn. Daar bevond Israël zich. Tussen de bevrijding uit Egypte en de intocht in het beloofde land. Op die doodse tussenplek, de plek van de aanvechting maar ook van het wonder. Van het verbond, de vriendschap met God, van het manna en het water uit de rots, maar ook van de vijanden die aanvallen, en van het eigen ongeloof, van de wil om maar liever terug te gaan naar Egypte, want het wordt niks met deze reis. In de woestijn gebeurt dus heel veel, van binnen en van buiten.
III.
En tegelijk is het stilstand. Ze lopen daar maar in de woestijn. En komt geen eind aan. En dat terwijl het eigenlijk maar een stukje is van Egypte naar Kanaän. De afstand tussen Caïro en Jeruzalem is 420 km. Zelfs als je met veel mensen bent en wat moet omlopen, dan nog ben je er wel in een paar weken of hooguit maanden. Maar Israël doet er 40 jaar over. Dat beginwoord, in de woestijn, roept dus heel veel op. Heel veel emotie ook. Er zit wanhoop in, teleurstelling, verlangen, hoop, geduld, beproeving. Waarom zijn we weggegaan? En waarom zijn we nog niet aangekomen?
En zo gaat dit boek nu ook over ons. Want zitten wij met ons leven ook niet op ditzelfde punt? In een tussentoestand. We zijn weggegaan uit het gewone leven. We zijn immers gedoopt. God heeft een streep in ons leven getrokken. Daar kunnen we niet achter terug. We kunnen niet meer leven alsof we het evangelie niet kennen. We hebben de roep gehoord om uit te gaan, onderweg te gaan.
En tegelijk zijn we er nog niet. Je leven kan een dolen en dwalen lijken. Een rondlopen. Wanneer komen we aan? Is het wel zo fijn om God te dienen? Wat levert het nou op? Je wisselt in je gemoed. Soms is er het manna, het wonder, zijn nabijheid. Maar dan is er weer de zon die verstikt, en Egypte dat lokt.
De Bijbel vertelt niet voor niets dat het leven in de woestijn 40 jaar duurt. Dat betekent in Bijbeltaal: je hele leven. En zo is het ook voor het volk. Niemand dan alleen Jozua en Kaleb komt van Egypte in Kanaän. Niemand. De hele generatie die uit Egypte vertrekt, sterft aan de oevers van de Jordaan, met zicht op het beloofde land, maar zonder erin te kunnen gaan. Zo is ons leven, wil de Bijbel zeggen. Je moet het doen met de woestijn. Het beloofde land ligt over de doodsjordaan heen. Hier op aarde ga je het niet vinden. Hier op aarde blijft het bemidbar, in de woestijn.
Dat maakt deze boeken zo relevant voor ons leven. Ons hele leven zit erin. Ik hoop dat je er iets van ontdekt dit seizoen. Op drie manieren kun je meedoen: hier in de kerk, bij de zondagse preken; op een van de bijbelkringen; en bij de kring die ik geef over Jonathan Sacks. Duik in de wereld van de bijbel, van Numeri. Dan gaat het allemaal steeds meer voor je leven en dan wordt het je allemaal vertrouwd, dan is God dicht om je heen. Dan kun je de stilstand ook verdragen.
IV.
Want de stilstand duurt lang. 40 jaar zijn ze in de woestijn, en hier zijn we pas bij het tweede jaar. Een hele poos heeft het stilgestaan bij de berg van het verbond, maar nu, aan het begin van Numeri, lijkt er weer beweging in te komen. Dat gaat nog flink tegenvallen, want uiteindelijk komen ze pas in hoofdstuk 10 echt in beweging, maar goed, hier beginnen ze alvast met het eerste dat moet gebeuren om te vertrekken. En iedereen die op school zit, weet wat dat is.
Toch, jongens en meisjes? Als jullie op schoolreis gaan, met de bus, wat doet de juf dan voordat jullie de bus in stappen? Tellen, juist. Tellen of iedereen er is. En wat doet de juf als jullie uit het pretpark weer naar huis gaan? Weer tellen of iedereen er is. Bij elke etappe wordt geteld.
Zo gaat het ook in de woestijn. Iedereen wordt geteld. Want we moeten niemand vergeten.
V.
Dat is hier ook wel met het oog op een mogelijke aanval, dat moet erbij gezegd. Vooral de mensen tussen 20 en 60 worden geteld, want we moeten weten hoe sterk we zijn. Je hebt wat dat betreft tellingen en tellingen. Tellingen zijn in de bijbel lang niet altijd positief. God kan ze ook bestraffen, als ze echt alleen maar militair bedoeld zijn. Dan telt Israël zijn mannen zoals een modern dictator zijn tanks en granaten en kernwapens telt. Dat komt David later een keer op een flinke straf te staan.
Als het om dat soort tellen gaat, dan doet God er liever wat van af. Dat zie je bij Gideon, die een aardig legertje verzamelt en zo denkt de Midianieten te kunnen verslaan. Maar dan zegt God: het zijn er tevéél, tevéél!
VI.
Maar hier is het God zelf die beveelt om te tellen. Dat betekent dat het hier toch niet alleen om de sterkte van het leger gaat. Het gaat er ook om, dat wij ons ervan bewust zijn hoezeer God de ene helft van zijn belofte aan Abraham al waargemaakt heeft; namelijk dat Abraham zou worden tot een groot volk. Nou, volgens dit bericht zijn het er alleen van de mannen vanaf 20 jaar 603.550. Dat is inderdaad een heel volk. En dat moet het volk nu moed inspreken over de andere helft van de belofte, namelijk dat ze ook een land zullen krijgen. Dat moet met zoveel man wel lukken.
En dus zijn we straks dubbel teleurgesteld als dat niet gaat gebeuren. Met zoveel man, en dan nog bang voor een paar zogenaamde reuzen. Ook al zijn we met veel, blijkbaar blijven we toch kwetsbaar. Want uiteindelijk gaat het niet om het getal, maar om het geloof. Onze kracht moeten we nooit zoeken in ons getal, maar in ons geloof. Het geloof maakt sterk.
VII.
En tot dat geloof roept God ons, hoofd voor hoofd. Op dat punt wil hij je erbij hebben. Jij telt dus ook mee. God telt jou mee. God telt je mee met je naam erbij. Daarom ook al die namen, al die namen die je niet kent. Het gaat er ook niet om dat jij ze kent. God laat weten dat Hij ze kent. En daarmee laat Hij weten dat Hij jou ook kent. Ik heb je bij je naam geroepen. Daarom roepen wij jou nou weer naar catechisatie, zeg ik even tegen de jongeren. Je naam stond misschien op het kaartje dat je kreeg. We roepen je, omdat we geloven dat God jou ook meetelt, en dat jij dus meetelt, dat jouw inbreng telt.
Daarom ook die namen in Romeinen 16, aan het einde van zijn brief. Paulus noemt nog even wat mensen die hij persoonlijk wil groeten. En hij noemt er soms wat specifieks bij. Ook veel van die namen kennen wij niet meer. Die mensen zijn vergeten, en ze hebben geen sporen nagelaten. Zoals verreweg de meeste mensen zijn ze totaal vergeten. Want de geschiedenis telt alleen de machtigen. Alleen als je Augustus, Napoleon of Hitler heet, kom je in de geschiedenisboeken.
En toch wordt niemand vergeten. Dat wil de bijbel laten zien. Ieder mens doet er toe.
VIII.
We zingen straks een lied met daarin de zin: “Onder miljoenen heeft Hij ook mij in ’t oog.” Geloof je dat? Geloof je dat je ertoe doet voor God? Geloof je dat de heilige Geest met jou persoonlijk iets wil, iets beoogt, jou wil gebruiken?
Maar wie ben ik? Ja, die reactie is begrijpelijk. Wij zijn wat dat betreft zulke rare mensen. Enerzijds leven we in een tijd waarin we geweldig ons best doem om onszelf te laten zien. We zijn er dagelijks mee bezig, leren het onze kinderen en zijn er bijna of helemaal aan verslaafd. En dan vinden we het nog raar dat onze kinderen er ook aan verslaafd raken. Maar we geven zelf natuurlijk het slechte voorbeeld. En maar jezelf profileren.
En tegelijk blijven we denken: ik tel toch niet mee. Ik doe er niet toe. Ik word niet gezien, niemand kent me echt, niemand waardeert me ten diepste.
Misschien houden deze twee dingen elkaar wel in stand. Hoe meer we ons profileren, hoe meer dat ook een teken is, dat we eigenlijk aan ons bestaansrecht twijfelen. En hoe meer we ervan overtuigd zijn dat we meetellen, hoe minder we behoefte hebben ons te profileren. Denk daar eens aan als je weer zit te scrollen op je telefoon om niets te missen. Zet tegenover FOMO – Fear of missing out – JOMO: Joy of missing out. Heerlijk om dingen te kunnen missen, te mogen missen, omdat je toch wel meetelt. Je hoeft jezelf niet te bewijzen, je bent al lang gezien en meegeteld.
IX.
Je bent al lang gezien. Je telt al lang. Bij het gevecht om die overwinning helpt het geloof. Het is ontzettend belangrijk in onze tijd waarin het individu zo centraal staat, om dat te weten. Van onze kramp om onszelf te profileren worden we er niet gelukkiger, en ook geen betere mensen. Hij ziet je. Dat telt.
X.
Ik moet de laatste tijd geregeld denken aan een spreuk van Jezus, die Hij meerdere keren herhaalt in de Bergrede: “Uw Vader die in het verborgene ziet, zal het u in het openbaar vergelden.” Jezus contra de Farizeeën, die in het openbaar bidden. Die zelfs de religie misbruiken om zichzelf te profileren. Jezus zegt: bid in het verborgene. Je vader ziet en hoort je, dat is genoeg.
Je hoeft nergens mee te koop te laten. Niet met je sterke kanten en niet met je zwakke kanten. Want dat laatste kan ook. Je profileren op je zwakke kanten. slachtofferschap. Zie mij eens met mijn rugzakje. Zie je mij wel? Zie je wel hoezeer ik een slachtoffer ben, een arme, een misdeelde? Het is heel menselijk, die roep om aandacht, en toch word je ervan verlost als God echt een werkelijkheid voor je wordt. Dan weet je: “Hij heeft mij gezien. Hij heeft mijn naam genoemd. Hij bewaart mij door alle dingen heen, zelfs door de dood heen. Hij zegt: jij telt al lang mee. Voor jou zend Ik mijn zoon. Voor jou ben Ik er, nu en altijd. Jou heb Ik nodig, jou wil Ik gebruiken. Jij moet ook mee naar het beloofde land.”
Spreek daarover met je kinderen. Laat het niet over aan school en kerk. De school kan het geloof en de normen en waarden van je kind niet redden als er geen gezin achter staat. De kerk kan niks beginnen op catechisatie als er geen ouders achter staan. We dragen het met elkaar. Daarom gaat het altijd weer om een volk. Israël is een klein volk, maar wel een volk. Iedereen telt mee, en toch gaat het nooit om het ik. Het gaat altijd om het wij.
In de Naam van Jezus, de Verlosser is Wie God ons ziet, kent, en telt.
AMEN