Preek 6 oktober 2024
Teksten: “En de God die met vuur antwoordt, die is God” (1 Koningen 18:24) en “in het vuur was de HEERE niet” (1 Koningen 19:12)
Gemeente van Christus,
Het is vandaag bijna exact een jaar geleden dat de verschrikkelijke aanval van Hamas op Israël plaatsvond. We nemen dat als aanleiding om met elkaar na te denken over de vraag: ‘God, Israël, Hamas: wat moeten we ermee?’
Toch zijn we vandaag niet van een kerk een politieke debatclub geworden. Niet voor niets staat in het thema het woord ‘God’ voorop. We zijn hier niet om interessant nieuws te bespreken met elkaar, maar omdat wij in God geloven.
Die God is de God van alle mensen, van alle volken. En toch heeft Hij te midden van al die volken iets bijzonders met één volk.
Dat ergert ons. Dat die God, die toch eigenlijk van alle mensen evenveel zou moeten houden, toch ook een volk heeft uitgekozen waar Hij in het bijzonder iets mee heeft. Maar die ergernis kunnen we uit het geloof niet wegnemen. We moeten die ergernis samen bedenken. Dat God van alle mensen en ook van Joden en Palestijnen evenzeer de Schepper is en dat Hij toch tegelijk aan ons vraagt om te erkennen dat er één volk op aarde is dat Hij in het bijzonder heeft uitgekozen om zijn volk te zijn.
En dan is die ene God ook nog eens de God van deze kwade wereld, van deze wereld waarin wij kwaad doen en waarin zijn eigen volk ook meedoet met kwaad en geweld. Hoe kunnen wij dan in Hem geloven? Wat kunnen wij dan van Hem verwachten? En wat heeft Hij dan te maken met alles wat in Israël gebeurt?
Politiek gezien heb je als christen best een zekere vrijheid in het beantwoorden van die vraag. We hoeven elkaar niet te dwingen om politiek gezien precies hetzelfde te denken over het huidige conflict tussen Israël en Hamas.
Ik denk wel dat er grenzen zijn. Voor mij is er bijvoorbeeld een grens als ik hoor dat er mensen zijn die morgen als het een jaar geleden is dat die verschrikkelijke pogrom in Israël plaatsvond, dat er dan mensen zijn in Nederland en in andere Europese landen die op die dag gaan protesteren tegen Israël, en voor een Palestina waar voor Joden geen ruimte meer is. Ik kan dat niet anders interpreteren dan een vorm van Jodenhaat. Hoe solidair je ook met Palestijnen kunt zijn: dan ga je een grens over.
Aan de andere kant ga je ook een grens over als je van het geweld van Israël zomaar zegt dat God dat allemaal goed vindt. Er zijn wel enkele oorlogspsalmen in de Bijbel die bijvoorbeeld zeggen: “God leert mij hoe te strijden”. Dat zegt David bijvoorbeeld als hij oorlog moet voeren. God leert mij hoe ik de vijand de kop moet afhakken. Ik zag op sociale media de afgelopen weken ook een Israëlische soldaat die deze tekst poste. Met andere woorden: God staat restloos achter wat het Israëlische leger doet. Daar zit geen enkele ruimte tussen. Er is geen enkele mogelijkheid voor kritiek. Dan gaan we ook een grens over.
Het belangrijkste voor ons als gelovigen is niet de politiek, maar God en de verhouding tot God. Hoe denken wij over God in relatie tot het geweld dat deels in naam van God gebeurt? Daarom hebben we ook gelezen uit het boek Koningen. Elia staat tegenover Achab in het land Israël.
Dat Elia zo tegenover Achab staat, heeft ons op zich al veel te zeggen. De Bijbel vertelt ons de geschiedenis van Israël, ja. Maar de Bijbel vertelt ons in die geschiedenis van Israël ook dat Israël zelf vaak helemaal ernaast zit. Helemaal fout zit. Althans het overgrote deel van het volk en heel vaak ook de koning. Zo ook in dit geval.
Het land Israël is al gescheurd in twee rijken. En in het Noordrijk heb je dan koning Achab en zijn koningin Isebel. Koning en koningin van Israël. Maar ze leggen hun oor meer te luisteren bij Baal, bij de afgod dan bij de God van Israël. En daarom geeft God tegenover de koning van Israël een profeet, Elia. En de stem van God zit in die geschiedenis dan niet meer bij de koning van Israël maar bij de profeet tegenover hem staat.
Zo is dat de hele geschiedenis van Israël door. De figuur van de koning wordt in zijn algemeenheid, vanaf de allereerste koning, vanaf koning Saul, heel kritisch en zelfs afkeurend beoordeeld door God. Je zou kunnen zeggen: God heeft helemaal geen vertrouwen in politiek. Ook niet in Israëlische politiek. Daarom krijgt elke joodse koning tegenover zich een profeet. Saul krijgt tegenover zich Samuel. David krijgt tegenover zich Nathan. Enzovoorts, enzovoorts, enzovoorts. Omdat God als het ware zelf voortdurend afstand wil houden van de politiek. Afstand om te kunnen spreken. Daarmee zegt de Bijbel natuurlijk iets heel belangrijks over politiek en over de staat. Daarmee zegt de Bijbel: de politiek en ook de politiek van Israël kan er falikant naast zitten. De staat, ook de staat Israël heeft altijd een tegenstem nodig. De staat heeft altijd de stem van de kerk tegenover zich nodig, zou je kunnen zeggen.
Maar ja, zijn we er daarmee dan helemaal? Zit die ware stem, die stem die het bij het rechte eind heeft dan zomaar bij de profeet of zomaar bij de kerk? Terugkijkend kun je dat soms al moeilijk zeggen, maar als je er midden in zit is het nog veel moeilijker. Want de Bijbel heeft het ook over ware en valse profeten. Die adviseren dan soms allebei de koning, en dan weet je midden in die situatie eigenlijk niet waar je moet staan. We weten het dus niet zo gauw.
We weten wel dat God zich niet zomaar overgeeft aan de politieke beslissingen van zijn mensen, ook al zijn het de koningen van zijn eigen volk. En dat Hij ons daarmee ook verantwoordelijk maakt om te zeggen: “Loop niet zomaar ergens achteraan. Maar kies je ruimte om verantwoordelijk te zoeken naar wie Ik eigenlijk ben en wat Ik eigenlijk wil. Als de koning van Israël toen er helemaal naast kon zitten, dan is er principieel ruimte om als christen te zeggen dat de koning van Israël nu, Netanjahu, er ook helemaal naast kan zitten. Dat is iets wat we in ieder geval niet kunnen uitsluiten, wat we ook niet hoeven uit te sluiten. En dat schept in ieder geval al ruimte voor ons om te mogen nadenken: waar staan we dan?
Tegenover Achab staat Elia. Maar het moeilijke van deze geschiedenis is natuurlijk dat Elia ook niet zomaar handelt op een manier die wij vandaag graag zouden willen nadoen. Elia’s program spreekt misschien wel aan, maar de uitwerking is kras. Het program zit al in zijn naam. De naam Elia betekent: alleen de Heere is God. Daarmee gaat hij in tegen de baäldienst van koning Achab, tegen de baäldienst die hij overal om zich heen ziet. Hij wil met zijn naam alleen al zeggen: de Heer is de ware God van Israël. Hem moeten we dienen, en Hem alleen.
Maar wat betekent dat dan? Voor Elia betekent dat ook iets dat in de buurt komt van wat we vandaag zien bij moslim-terroristen, bij mensen die met een groot mes door Rotterdam gaan lopen en Allah Akbar roepen en een ander afslachten. Elia is daar niet ver vandaan, van die mentaliteit. Als hij dus zegt: “De God die door vuur antwoordt, die is God”, dan betekent dat hier niet alleen: als door een wonder zal God zelf het offer aansteken. Nee, dat betekent ook dat Elia denkt over God als een verterend vuur, over God als iemand die geweld gebruikt. En daarom komt Elia daarna ook met zijn eigen verterend vuur. Als God heeft geantwoord met vuur uit de hemel, dan komt Elia met zijn eigen vuur, en slacht al die priesters van de Baal af. Er staat ook “hij slachtte ze af”. Zoals je een dier slacht.
Als we niet aan de kant van Achab kunnen staan, kunnen we dan wel aan de kant van Elia staan? Ook dat is hier toch heel moeilijk.
En daarom is het maar goed dat de geschiedenis verder gaat. Want het vervolg van die geschiedenis denkt daar als het ware zelf ook over na. Het vervolg van de geschiedenis stelt zelf de vraag: “Kan dat nou? Kunnen we zo over God spreken?” Nadat Elia zijn naam als een programma heeft uitgevoerd en de priesters van de Baal heeft afgeslacht komt niet de grote overwinning maar komt de grote desillusie. Het werkt niet. Geweld werkt niet. Izebel wordt alleen maar veel kwader op hem. En Achab ook. En ze zoeken de profeet Elia te doden. Elia moet constateren: met geweld kun je het niet oplossen. Geweld roept alleen maar nieuwe haat en nieuw geweld op. Dat moeten we ook nu constateren. Hoeveel geweld er ook gebruikt zal worden, ook als Israël denkt met bommen en granaten het hele Midden-Oosten aan zich te kunnen onderwerpen, dan nog zullen ze daarmee op langere termijn het probleem niet kunnen oplossen.
Van de Joodse rabbijn Jonathan Sacks heb ik geleerd dat er een verschil is tussen technische en adaptieve problemen. Technische problemen dat zijn eigenlijk problemen van dingen. Dat is bijvoorbeeld iets is stuk en dan moet het gemaakt worden. Je hebt ook adaptieve problemen. Dat zijn problemen niet van dingen maar van mensen. Mensen die iets niet willen. Mensen die zich ergens tegen verzetten. Mensen die op een verkeerde manier denken. En hij zegt dat de Bijbel eigenlijk niet gaat over technische problemen, hoe je die moet oplossen, maar de Bijbel gaat over dit: wij zijn zelf een probleem. Wij kiezen steeds verkeerd. En hoe lossen we dat nou op?
Elia denkt: het geloof in Baal gelooft is een technisch probleem. En dat technische probleem dat lossen we op met geweld. Klaar. Dan gelooft er niemand meer in de Baal. Maar dat is niet zo. Want ongeloof zit in de harten. En ook al slacht je alle Baalpriesters af, dan zal er een nieuwe generatie komen die weer in Baal gelooft.
Het gaat om een dieper iets. Hoe pakken wij het ongeloof aan? Hoe pakken wij het aan dat wij mensen steeds weer het verkeerde willen en ook de verkeerde goden willen dienen?
Als Elia ontdekt heeft: dit probleem kan ik niet met geweld oplossen, dan zakt hij weg in een depressie. Dan wil hij dood. Als hij ontdekt dat het niet om een technisch probleem gaat, maar om een adaptief probleem, een probleem van onszelf, van ons eigen hart, dan wordt hij depressief, dan denkt hij: ja, maar dat hart dat kan ik nooit veranderen. Laat maar zitten. Ik wil geen profeet meer zijn. Ik wil dood.
Je zou kunnen zeggen: Elia gaat van nu naar nooit. Eerst dacht hij: nu ga ik het probleem oplossen, met geweld. Klaar is Kees. Nu. En als dat niet lukt dan denkt hij: het gaat nooit lukken. Het gaat nooit lukken met die strijd tegen de Baal en het ongeloof. Laten we er maar mee stoppen. Ik geef het op.
En dan komt het belangrijke. Dan komt dat God Elia gaat leren dat Hij beide keren geen gelijk had. Het is niet nu en het is niet nooit.
Het probleem van het geweld en van het kwaad dat in onszelf huist lossen we niet zomaar even op. Maar God wil het wel oplossen langs een heel andere weg. En dat merkt Elia als hij op de Horeb is, op die plek waar God eerder verscheen aan Mozes en aan het volk. Dan komt God nog een keer in vuur. “Maar in het vuur was de Heere niet”, lezen we dan.
Het is bijna alsof God zichzelf corrigeert. In ieder geval wil Hij aan Elia laten merken: Elia, Ik vind het hartstikke fijn dat jij mijn profeet en zegsman wilt zijn, maar Ik geloof toch dat je iets helemaal niet begrepen hebt. Ik ben niet de God van het vuur. Ik ben niet de God van het geweld. Ik ben de God die komt in het zuizen van een zachte stilte.
Eigenlijk staat daar: “In de stem van de zachte stilte.” Want bij het zuizen van een zachte stilte kun je nog denken dat er een van de koele bries was om Elia’s oren waarin die dan ineens God meende te ontwaren. Maar dat is niet de bedoeling. Het is een zachte stem. God hoor je in de zachte stem. In de stem van de Bijbel, die je niet op de grote reclameborden buiten vindt; die niet uit de reclame op de televisie en op je telefoon naar je toe schreeuwt. Maar die je moet opzoeken. Die je moet lezen. In de stilte van je kamer en van je huis. De stem die niet zomaar alle politiek van deze wereld bepaalt, maar die je wel kunt leren horen.
De zachte stem van Jezus als het ware. De zachte stem van Jezus die met de mensen omging en van Jezus aan het kruis. Die daar bad voor zijn vijanden. “Want zij weten niet wat zij doen.” In die zachte stem, zegt God, ben Ik in deze wereld aanwezig. En daarmee ga Ik uiteindelijk de harten van mensen veranderen. Ook al geloof jij dat nu nog niet. Elia.
Jezus heeft het een keer ook heel duidelijk verteld, dat Hij het absoluut niet meer zo wil doen als Elia deed. Dat wordt verteld in Lukas 9. Daar wordt verteld dat Jezus door het land van de Samaritanen gaat. Samaritanen waren vijanden van de Joden. En inderdaad die Samaritanen die accepteren Jezus niet. En ze zijn niet respectvol naar hem. En dan zeggen de discipelen tegen Jezus het volgende. Here, wilt u dat wij zeggen dat er vuur van de hemel moet komen en hen verteren zoals ook Elia gedaan heeft? Dus ze verwijzen direct hier naar dit bijbelgedeelte, of naar een andere geschiedenis van Elia, waarin hij nog directer vuur uit de hemel laat komen om tegenstanders te vellen. Dat staat verteld in 2 Koningen 1, een confrontatie tussen Elia en een andere koning, koning Ahazia. Je merkt: dat met dat vuur was niet een incident, het is heel Elia’s stijl, het is zijn geloof.
De discipelen zeggen dus tegen Jezus, als de Samaritanen Hem beledigd hebben: Zullen wij de methode-Elia toepassen? Je zou denken dat Jezus wel moet instemmen. Wie kan er op tegen een bijbeltekst? Maar Jezus zegt nee. Jullie weten niet wat voor geest jullie hebben, zegt hij. Een boze geest, niet Gods Geest geeft jullie deze gedachte in. En dan zegt Hij: Ik ben niet gekomen om de wereld met vuur te verbranden maar om te redden wat verloren is.
Dat bij elkaar stelt voor ons natuurlijk wel de vraag: Is God dan veranderd? Bij Elia handelt Hij nog met geweld. Maar een hoofdstuk later denkt Hij al: zo wil Ik eigenlijk niet zijn. En in Jezus laat Hij dat helemaal zien. Moeten we het zo zien?
Welnu, om deze vraag kunnen we in ieder geval niet heen. En we kunnen ook niet om de belijdenis heen dat God in Jezus het diepste van zichzelf heeft laten zien. En het laatste woord van Jezus, “Jullie hebben een kwade geest als je denkt nog een keer namens God met vuur te mogen handelen” – dat moet op zijn minst betekenen dat wij als christenen nooit in naam van Jezus of in naam van God geweld kunnen gebruiken. Dat we dus altijd kritisch moeten zijn op mensen en machten die dat wel doen. In Amerika is nu een beweging onder christenen in opkomst die veel te gevaarlijk verder die kant op gaat, die macht en geloof op een gevaarlijke manier met elkaar verbindt. Dat kunnen wij niet meer zo doen.
God is niet de God van sterk, sterker, sterkst, maar Degene Die als enige aan dat spel niet meedoet. Die anders is. Die op een andere manier ons wil veranderen. Van binnenuit. Vanuit ons hart.
Toen in 1953 er een ramp was, een grote ramp in Nederland, de Watersnoodramp, een grote ramp die grote delen van Zeeland en Zuid-Holland onder water zette, waarbij duizenden mensen en dieren verdronken, toen moest er zondag daarna een dominee preken. Dominee Miskotte.
Wat zeg je dan? Miskotte heeft toen een kernzinnetje gezegd waar ik veel van geleerd heb over hoe je naar God moet kijken als het gaat om de vraag wat Hij te maken heeft met al het kwaad dat wij mensen doen en dat ons overkomt. Een zinnetje dat niet alleen geldt voor het natuurgeweld van zo’n zeeramp maar ook voor het geweld van een oorlog.
Miskotte zegt: “God staat er niet achter. Hij staat er ook niet buiten. Maar hij staat erboven. En erin.”
Ik denk dat dat nu ook voor die strijd in Israël geldt. God staat er niet achter. Dat wil zeggen Hij staat niet achter de Palestijnen, zo van: Ik support jullie geweld. Maar Hij staat ook niet achter Israël, in die zin van: Wat jullie doen is goed. God staat niet achter geweld. God steunt dat niet. God wil dat niet.
Maar als je dat zegt dan ben je natuurlijk geneigd te zeggen: dan staat Hij erbuiten. Dan wil Hij er dus niks mee te maken hebben, en Hij heeft er ook niks mee te maken. Nee, zegt Miskotte, dat is ook niet zo. God staat er ook niet buiten. Hij heeft er wel mee te maken.
Hoe dan? Op twee manieren. Hij staat erboven. Hij houdt het in de hand. Hij verliest de wereld niet uit controle. Zijn plannen zullen niet falen.
En Hij zit erin. Dat wil zeggen: Hij zit juist in degenen die het ondergaan. God zit in de slachtoffers. In de mensen die die oorlog niet willen, die vrede willen, maar machteloos zijn, en in hun machteloosheid lijden en sterven. Daar mag je God ook zien. Maar dus niet exclusief, want God is zelf geen verliezer. Hij is erin, maar Hij staat er ook boven. Als de Zoon is Hij erin, vlees van ons vlees geworden. Maar als de Vader staat Hij erboven. En als de Geest drijft Hij ons uit naar Zijn toekomst.
Hij staat er niet achter. En ook niet erbuiten. Maar erboven, en erin. En erdoorheen bewerkt Hij zijn toekomst. Onze toekomst. Zonder vuur, zonder geweld. Maar wel onoverwinnelijk, krachtig, majesteitelijk. Opkomend voor Zijn oogappel Israël en voor Zijn tweede liefde, de kerk. Dat is de richting waarin we moeten zoeken als het gaat om ‘God, Israël en Hamas’.
Amen.