Oudjaar 2025

Lukas 17:10  “Wij zijn onnutte slaven, want wij hebben gedaan wat wij moesten doen.”

Gemeente van Christus,

wij staan op de drempel van het nieuwe jaar. Achter ons ligt een jaar vol dagen, gewone dagen, vreugdevolle momenten. Maar ook pijn, verlies en teleurstelling.

Zoals elk jaar nodig de jaarwisseling ons uit om terug te kijken. Wat hebben we gedaan? Wat is gebleven? Wat is mislukt? En vooral, hoe stonden wij voor God? De kranten kijken in deze dagen vooral terug door twee dingen zich af te vragen. In de eerste plaats, wat waren de belangrijke gebeurtenissen? En dan komen vooral de ingrijpende gebeurtenissen, de wereldveranderende gebeurtenissen, de gebeurtenissen die ons geschokt hebben aan de orde. En in de tweede plaats vraagt de wereld zich af: wat zijn de lijstjes? De lijstjes met boeken die je kunt langsgaan om te concluderen dat je de meeste ervan niet gelezen hebt. De lijstjes met films en muziek, alles van het beste van dit jaar. En ten derde de lijstjes met doden. Die staan ook in alle kranten. Wie overleed in het afgelopen jaar? Bekende Nederlanders, bekende christenen.

En zo maken wij de balans op van het afgelopen jaar. Wat hebben we gedaan? Wat heeft ons ingrijpend geraakt? Wie zijn we verloren? En zo doen we dat natuurlijk haast onvermijdelijk ook in ons privéleven. Ook met het laatste, wie zijn er overleden? We hebben de gewoonte sinds een aantal jaren om de namen van hen die ons ontvielen, te noemen op de laatste zondag van het kerkelijk jaar en niet meer op de laatste dag van het burgerlijk jaar. Maar desalniettemin denken we daar ook aan terug. We maken op die manier een beetje de balans op.

Maar daarbij hoort dan natuurlijk voor ons die geloven of die willen geloven, die proberen te geloven, ook de vraag: hoe stonden wij dan het afgelopen jaar tegenover God? Wat was daarin de rekening van winst en verlies?

En te midden van die vragen lezen wij vandaag de relatief onbekende gelijkenis van Jezus over de slaaf en zijn heer en de slaaf die niet bedankt wordt. Die niet bedankt wordt aan het einde van zijn werkdag, maar die in plaats daarvan leert zeggen: wij zijn onnutte slaven, wij hebben slechts gedaan wat wij moesten doen. Dat klinkt als een confronterende zin en toch leek het mij goed om juist deze zin aan het eind van 2025 eens te overwegen. Zou het ons kunnen helpen om juist dit toch over het hele afgelopen jaar te leren zeggen? Wij zijn maar slaven, wij hebben ook in 2025 gewoon maar gedaan wat wij moesten doen.

Dat klinkt confronterend, niet bepaald passend om bij onze neiging om aan het einde van het jaar de balans op te maken en dan juist ook te zoeken naar wat goed ging om daar dan op voort te bouwen. Toch denk ik dat goed verstaan dit woord van Jezus juist bevrijdend is en helpend.

Want lijstjes gaan ons in relatie tot God in ieder geval niet helpen. Je kunt dat natuurlijk wel doen, ook aan het einde van het jaar een lijstje opmaken van je geestelijke daden en wandaden. Ik ben trouw naar de kerk gegaan, ik heb gebeden, ik heb geprobeerd goed te leven. En dat lijstje dan lever je dan als het ware in bij de Heere God.

Maar Jezus doorbreekt in deze gelijkenis die manier van denken. Hij leert dat onze gehoorzaamheid nooit een reden tot zelfverheffing is, maar dat het iets is wat gewoon bij ons leven hoort. Zelfs als wij alles hebben gedaan wat God van ons vraagt, dan hebben wij God nog niets gegeven waar hij ons dankbaar voor moet zijn. Wij hebben slechts gedaan wat onze roeping was. Maar daarin kunnen we dan goed verstaan ook ons geluk gaan vinden, als wij het leven gaan verstaan als het eenvoudig weg volbrengen van onze roeping.

Jezus vertelt een gelijkenis die uit het leven is gegrepen, zoals alle gelijkenissen van Jezus. En met een instelling waar wij vandaag ons wat voor zouden schamen, de slavernij, zelfs daar weet hij het nog raad mee. Zelfs uit een onrechtvaardige samenleving kan Jezus blijkbaar nog beelden halen die ons ineens op het spoor van God zetten.

Een van de structuren van de samenleving toen was dat er een fundamenteel verschil was tussen heren en slaven. In het Romeinse Rijk was maar liefst driekwart van de bevolking slaaf. Dat wil zeggen, je was het eigendom van iemand anders. En die ander, die bepaalde wat jij overdag deed. Dat hoefde niet per se heel ongelukkig en naar uit te pakken. Want, net zoals nu nog, waren er goede bazen en slechte bazen. Als je nu een hele slechte werkgever getroffen hebt, en je werkt in het distributiecentrum van bol.com, of van zo’n andere grote jongen, en je bent hier ook maar te gast omdat je uit een ander land dan Nederland komt en allang blij bent dat je een werkvergunning hebt, dan heb je het ook niet breed. En dan verschilt dat misschien nauwelijks met de situatie van een aantal slaven toen. Dan heb je hier wel officieel meer rechten, maar je moet ook maar net van die rechten gebruik zien te maken. In alle werkverhoudingen ben je afhankelijk van degene die boven je staat. En ook in Jezus tijd was dat niet per se zo dat dat slecht moest uitpakken.

De slavernij in het Romeinse Rijk was gemiddeld gesproken iets heel anders dan de slavernij die wij kennen uit onze vaderlandse geschiedenis, waar wij als Nederlanders zo rijk zijn geworden van de slavenhandel van zwarten uit Afrika die getransporteerd werden naar de katoenplantages en andere, om daar te werken en mishandeld te worden. De slavernij zoals we die kennen uit films en uit boeken als de Hut van Oom Tom en vele andere. In Jezus tijd ging het meestal niet met de zweep toe bij de slavernij, maar waren het vrij huiselijke verhoudingen. Maar je kon het natuurlijk ook slecht getroffen hebben.

Hier in de gelijkenis van Jezus gaat het tamelijk huiselijk toe. Iemand heeft een slaaf, zegt Jezus. Ja, dat kwam dus ook vaak voor, iemand heeft maar één slaaf. Het gaat niet om een slavenhandelaar ofzo, helemaal niet, hier is gewoon iemand met een klein bedrijfje, en dat is net teveel voor hem alleen. Dat had je gewoon één slaaf. Je was een boer, je had land, je moest geploegd worden, je kon dat werk niet in je eentje doen, ook niet met je zoons die mee hielpen, maar je had ook nog iemand anders nodig. En die moest ploegen of de kudde wijden, maar hij moest wel hard werken.

En daar werd hij niet voor bedankt. De slaaf heeft de hele dag erop zitten, hij komt van de akker, hij is moe van een hele dag werken, en dan zegt die heer niet tegen hem van, nou, dank je wel. Nee. Wat dacht je? Dat die heer zelf ging koken? Natuurlijk niet. Als hij thuis komt, moet die slaaf meteen weer aan het werk, lekker macaroni koken of boerenkool, of zoiets. En als de meester dan aan tafel zit, dan bedient hij hem. Daarna doet hij de afwas. En nog geen bedankje. Want hij gewoon gedaan wat je van hem mag verwachten. Misschien was het een jonge sterke man, die heel veel gedaan heeft. Misschien was het al een oude man, die niet meer zo hard liep, en waar de baas eigenlijk ook niet zoveel meer aan had. Maar ook dat verschil maakt niet uit. De oude slaaf wordt niet geslagen, en de jonge wordt niet geprezen. Zij hebben gewoon naar vermogen gedaan wat van hen verwacht mag worden.

En Jezus waagde het om die situatie te vergelijken met onze verhouding tot God. En te zeggen: zo moet ook u, wanneer u gedaan hebt, al wat u opgedragen is, zeggen: wij zijn onnutte slaven, want wij hebben slechts gedaan wat wij moesten doen.

Jezus draait daarmee de verhouding van wie er tegen wie dank je wel moet zeggen, om. Niet God hoeft dankjewel tegen ons te zeggen, maar wij moeten dat tegen God leren zeggen. Of we nu veel of weinig van Hem gekregen hebben. Het is belangrijk om te zien dat de stukje hiervoor en hierna hetzelfde thema hebben. Hierna wordt verteld dat Jezus door Samaria gaat, en dan komen er op een gegeven moment tien melaatsen naar hem toe, Hij geneest ze alle tien, en dan komt er slechts eentje terug om Hem te bedanken. Dat werkwoord ‘bedanken’ komt dus opnieuw voor. Eentje komt terug om Jezus te bedanken, en dan zegt Jezus: uw geloof heeft u behouden. Maar in onze geschiedenis staat: “Wat dacht je? Dat die heer zijn slaaf ging bedanken? Natuurlijk niet.”

Jezus wil met die twee geschiedenissen samen dus zeggen: in de verhouding tot God is het zo dat wij alle reden hebben om God te bedanken, maar God heeft geen reden om ons te bedanken. Betekent dat dat God een zeer chagrijnig iemand is, bij wie er geen bedankje af kan? Zulke mensen ken je misschien wel. Je doet van alles voor ze, zelfs zonder een rekening in te leveren of zo, gewoon voor niks, uit goede wil, maar er kan nooit een bedankje af. Misschien heb je wel zulke ouders gehad, of heb je ze nog. Vroeg of laat spring je een keer uit je vel en zeg je: kan er dan nooit een bedankje af? Zulke mensen zijn inderdaad hele nare types. Wil Jezus ons zo’n beeld van God schetsen, als Hij zegt: Hij bedankt die slaaf toch zeker niet?

Het antwoord is: nee, dat wil Jezus niet. Jezus wil ons vrij maken van iets. Hij wil ons zeggen: wat wij doen voor God, dat heeft wel betekenis, maar het is niet verdienstelijk. Wij verdienen er niks mee. Dat is de betekenis van het woord “onnut”. Wij zijn maar onnutte slaven. Dat is een beetje misverstandwekkend vertaald. Want een slaaf is natuurlijk absoluut niet nutteloos. Zonder die slaaf kwam het werk niet rond. Zonder slaven zou het Romeinse Rijk geen dag kunnen bestaan. Dus ze zijn in die zin juist heel nuttig.

Andere vertalingen hebben: wij zijn maar slaven. Dat is een betere vertaling. Want onnut betekent hier niet nutteloos, het betekent inderdaad zoiets als slechts. Of gewoon. Af en toe kom ik bij zulke mensen op bezoek en dan vinden ze het een beetje spannend dat de dominee op bezoek komt, en dan zeggen ze: dominee wij zijn maar heel gewoon hoor. Dat is het eigenlijk. Wij zijn maar gewoon dienstknechten. Verwacht van ons niets bijzonders. Dat is ook wat Jezus ons hier voorhoudt.

Om dat tegenover God te blijven zeggen, te blijven beseffen. Onnut is dus niet nutteloos, maar het betekent wel: wij zijn mensen die geen rechten kunnen doen gelden. En die ook niet voor hun prestaties zullen worden beloond. Dat is niet de verhouding waarin wij tegenover God staan, zegt Jezus. Dus hou bij voorbaat op met al die lijstjes bij jezelf en in je hoofd. Hoe zeer je het afgelopen jaar voor God iets gedaan of iets betekend hebt. Vat het liever samen in die ene grote zin: ik ben gewoon een van Gods dienaren. Nuttig, zeker. Nodig ook. Als wij er niet waren, dan was er ook geen Hervormde gemeente hier in Waddinxveen. Dan zou heel Waddinxveen wat missen. Wij zijn dus nuttig.

Ons hele leven is niet alleen nuttig, maar zelfs van zeer grote waarde. Dat is nog iets anders, van waarde zijn. Daarmee bedoelen we dat iets betekenis heeft, zelfs als het niets oplevert. Ook dat geldt voor jou en mij. Zelfs als je niks ligt te doen, ben je nog een oneindig waardevol mens, waardevol in Gods ogen, God die zijn schepping liefheeft, niet omdat die Hem iets oplevert, maar omdat het zijn schepping is.

Wij hebben dus nut, en wij zijn van waarde. Maar, maar. Maar dat werken van ons helpt ons uiteindelijk niet in onze relatie tot God. Want wij kunnen God niets verplichten door onze inzet. Alles wat wij doen, doen wij als mensen die leven van genade. Alles wat we ontvangen hebben, hebben we uit genade ontvangen. Alle kracht waarmee we iets gewild hebben en gedaan hebben, hebben we uit genade ontvangen. Ook in 2025 was onze liefde beperkt. Ons geloof was beperkt. Onze hoop was beperkt. En als wij in geloof, hoop en liefde al steeds struikelen en vallen, dan hoeven wij het over de rest eigenlijk helemaal niet te hebben. Wat wij gedaan hebben, hebben wij gedaan omdat dat onze verhouding tot God is. Zoals die sterke knecht, die veel deed, of zoals die oude slaaf, die niet meer zo hard liep. Hoe dan ook, wij hebben het gewoon gedaan, omdat wij Gods dienstknechten zijn. Wij staan in zijn dienst. Ons leven is leven voor Hem.

Hij is onze Heer. Dat betekent ook onze eigenaar. Dat betekent, wij zijn niet van onszelf. Dat is het diepste en het eigenlijke van het slaaf zijn. Je bent niet van jezelf. Maar je bent het eigendom van iemand anders. Daarbij mag je denken aan zondag één van de Catechismus die zo begint. Wat is uw enige troost in leven en in sterven? Dat ik niet het eigendom ben van mijzelf, maar dat ik het eigendom ben van mijn getrouwe zaligmaker Jezus Christus, die mij gekocht heeft en voor mij betaald heeft. En nu is mijn leven eenvoudig een dienen van Hem.

En daarin een doen wat gedaan moet worden. Er is heel veel wat gedaan moet worden. Er moet op zondag gepreekt worden, dat doe ik. Er moet catechisatie gegeven worden, dat doen we met een heel team. Er moet pastoraat gedaan worden, dat doen we ook met een heel team. En de kerk moet ook worden schoongemaakt. En daar zijn ook mensen voor. Voor alles in de gemeente zijn mensen. En tegelijk doen we dat als het goed is op een manier waarvan we zeggen: ja, we doen gewoon wat er gedaan moet worden. Dat zien we en dat pakken we dan op. Omdat wij samen gemeente zijn. Omdat wij samen geloven. We vragen daar geen lintje voor. We willen daar geen applaus voor. Maar we willen zo zijn. We willen samen van Christus zijn. Samen slaven zijn van Christus. Samen het eigendom zijn van Christus.

Het is belangrijk dat we dat onze kinderen ook leren. Daarom zal ik nu nog een toepassing maken. Soms hoor ik dat mensen vinden dat er wat weinig concrete toepassing in mijn preken zit. Maar mijn ervaring is ook, dat als ik dan een toepassing geef, dat iemand dan zegt: zó concreet had het ook weer niet gehoeven. Goed dan, houd je vast. Een concrete toepassing. Als Jezus gelijk heeft in wat Hij hier zegt, dan denk ik dat het bijzonder onverstandig is om op enig moment tijdens een kerkdienst ergens voor te applaudisseren. Dat had op eerste kerstdag dus niet moeten gebeuren. Ook niet voor kinderen die zingen. Ik denk dat iedereen die de liturgie als liturgie beleeft, wel doorheeft, dat doorbreekt wat wij dan doen, op een manier die eigenlijk niet kan. De liturgie is dienst aan God, waarin ieder gewoon het zijnde doet. De organist speelt orgel. De collectanten collecteren. De koster heeft gezorgd dat de verwarming aanstaat. En het licht. Ik preek. Enzovoorts. En met dat alles doen wij dan gewoon wat wij behoren te doen. Wij behoren God de eer te geven.

En als kinderen iets doen in een liturgie, in een eredienst aan God, dan moeten zij dat doen op dezelfde manier. Dat moeten wij als volwassenen hen leren. Dat als zij meedoen, zij dat gewoon doen als mensen die net als wij geroepen zijn, God te geven wat hem toekomt. Namelijk de eer. En in die zin is applaudisseren voor kinderen die iets gezongen hebben, net zo vreemd als wanneer ik voor u zou gaan applaudisseren als u een psalm gezongen heeft of een gezang. Of dat u zou gaan applaudisseren na de preek. Zo gaat het niet in de kerk. Het is geen optreden. Het is dienst, eredienst. De eredienst is de primaire vorm van dienst, van dienen. En dat is het thema van deze gelijkenis. Slaaf zijn is niets anders dan dienen. En dat je daarvoor geen applaus krijgt, is juist bevrijdend, omdat dat namelijk laat zien dat er geen enkele vorm van prestatie-denken bij hoort.

Want we moeten wel dit bedenken: waar beloning is, ook straf. En waar applaus is voor de prestatie, is ook uitlachen bij het mislukken. Je kunt niet het een hebben zonder het ander. Kinderen voelen dat heel goed aan. Eén van de kinderen zei zondag na afloop: “De mensen hebben geapplaudiseerd, maar ik denk niet eens mijn best. Die mensen zijn dom.” Dat kind voelt de logica nog aan: applaus moet je verdienen. Maar in de kerk gaat het niet om verdienste, en dus niet om bedanken, en dus niet om applaus. En dus ook niet om bestraffing van hen die te weinig doen. Daar hoef je niet bang voor te zijn. Ik ga je niet zeggen dat je te weinig hebt geloofd of gedaan in 2025. Misschien zeg je het tegen jezelf, dat zou kunnen, maar ik doe het niet.

En daarom wil ik je ten slotte op nog één verband wijzen. We zagen al het verband met het gedeelte dat volgt, de genezing van de melaatsen. Maar er is ook een verband met de verzen die vooraf gaan. Ik lees ze even voor. “En de apostelen zeiden tegen de Heere: Vermeerder ons het geloof. En de Heere zei: Als u een geloof had als een mosterdzaadje, zou u tegen deze moerbeiboom zeggen: Word ontworteld en in de zee geplant, en hij zou u gehoorzamen.” En dán komt de gelijkenis van vanavond. Als vervolg van het antwoord op die vraag van de apostelen: vermeerder ons het geloof.

Nee, zegt Jezus. Nee. Je begrijpt het niet. Geloof is er ten diepste niet in meer of minder. Zodat we weer zouden kunnen gaan denken in termen van verdienste, van lof en blaam. Zodat we toch zouden gaan applaudisseren voor degene met een groot geloof, en zouden vermanen degenen met een klein geloof. Nee, zegt Jezus, nee. Er is maar één geloof, en dat is: slaaf zijn van God. Daar is geen meer of minder in. Dat is eenvoudig je roeping waarnemen, zoals jij die hebt voor God. Dat is volledig elk idee van prestatie en beloning loslaten. Omdat je weet: ik hoor bij God, en God hoort bij mij. En elk idee van beloning zou dat alleen maar bederven.

Zoals in een goed huwelijk, of in een goede vriendschap. Gehuwden belonen elkaar niet. Vrienden belonen elkaar. Zij horen eenvoudig bij elkaar. Zij doen eenvoudig dingen voor elkaar. Eenvoudig omdat zij bij elkaar horen, doen zij dingen voor elkaar. Dat is onze ware verhouding tot God. En daarom sluiten wij het jaar 2025 zo af: Heer, wij hebben eenvoudig gedaan wat wij moesten doen. En wij hoeven daar geen dankjewel voor. Maar wij danken U.

Amen.

Lijst van publicaties

Samengesteld op 26 juni 2025.

2025 

Artikelen in boeken

‘Miskotte en de toekomst van Europa’, te verschijnen

Artikelen in tijdschriften

‘Orde en chaos. De actuele betekenis van Miskottes Edda en Thora’, Radix, te verschijnen

‘Vreugde in ballingschap. Christelijke levensstijl in een postchristelijke tijd’, Wapenveld, te verschijnen

‘Tolk, dienaar, coach: over de problematiek en de toekomst van het predikantschap’, In de Waagschaal 2025/4,

‘Dertig jaar later. Een terugblik op het Hervormde rapport ‘Hart en ziel voor Europa?’ (1996)’, In de Waagschaal 2025/8

Recensie van: F.W.J. Schelling, Levensfasen van de wereld (Damon 2024), Kerk en Theologie 76 (2025), 2, 258-260.

Recensies Nederlands Dagblad

‘De mens wil gemeenschap, geschiedenis en geloof’ [recensie van Gabriël van den Brink, De actualiteit van het archaïsche], Nederlands Dagblad 7 maart 2025.

‘Miskotte voelt aan dat de nazi’s eraan komen’, De Nieuwe Koers februari 2025, 42-43.

‘Wie God kent, heeft de ware ring’, De Nieuwe Koers april 2025, 42-43.

‘Wees maar niet bang, God’, De Nieuwe Koers juni 2025, 44-45.

Columns Hart van Holland

‘Pas op met wat je aandacht geeft’, Hart van Holland, 8 januari 2025

‘De verbeelding aan de macht’, Hart van Holland, 29 januari 2025

‘Hoera, een meisje!’, Hart van Holland, 19 februari 2025

‘De lente, Jezus en Camus’, Hart van Holland, 11 maart 2025, 15

‘Terugkijkend op de toekomst’, Hart van Holland 2 april 2025

‘Rome’, Hart van Holland 23 april 2025, 13

‘Rare jongens, die Romeinen’, Hart van Holland 14 mei 2025, 13

‘Palliatief’, Hart van Holland 4 juni 2025, 11

‘Voeten in het water’, Hart van Holland 25 juni 2025, 19

Interview

‘In de preek staat iets op het spel: je leven’, interview samen met Ciska Stark, Nederlands Dagblad 15 juni 2025

Meditaties

‘Baarmoeder van het Woord’, In de Waagschaal2025/2, 3

‘Ook de toekomst is al gedragen’, Hervormd Kerkblad Waddinxveen, 18 april 2025

‘Een nieuwe gemeenschap onder het kruis’, Hervormd Kerkblad Waddinxveen, 11 april 2025

‘Wat deugt en niet deugt’, Hervormd Kerkblad Waddinxveen, 10 januari 2025

‘Zoeken naar zin en zoeken naar God’, Hervormd Kerkblad Waddinxveen, 17 januari 2025

2024 

Artikelen in tijdschriften

‘Alleen het kind kan schrijven. Overweging bij ‘het kind en ik’ van Martinus Nijhoff’, In de Waagschaal 53 (2024), 2, 17vv

‘Voorbij het cultuurrelativisme. Antwoord aan Dick Boer’, In de Waagschaal 53 (2024), 2, 31vv

‘Volk heeft niets met herkomst, ras of huidskleur te maken’, In de Waagschaal 53 (2024), 8, 28vv

‘Niets dan onnutte slaven’, In de Waagschaal 53 (2024), 8, 35vv

‘Miskotte over de mystiek van het Avondmaal’, Confessioneel ….

Recensie van: Maarten Wisse, Re-inventing Christian Doctrine. Retrieving the Law-Gospel Distinction, Kerk en Theologie 75 (2024), 241vv

Recensie van: E.C. Herzig, Antitheologie, Kerk en Theologie 75 (2024), 393vv

Recensies Theologia Reformata

Recensie van: David Brunner, Eberhard Jüngel on God, Truth, and History, Theologia Reformata 2024/2, 207-209.

Recensies Nederlands Dagblad

‘Laten we knokken voor die twijg’ [Recensie van Henri Veldhuis, Op het ritme van Gods eigen adem], Nederlands Dagblad 6 september 2024.

‘Atheïsme beter begrijpen’ [Recensie van Rik Peels, Leven zonder God], Nederlands Dagblad 23 augustus 2024.

Commentaren De Nieuwe Koers

‘Jezus is een Jood’, De Nieuwe Koers december 2024, 54-55.

‘Van de vrijzinnige Kuitert kunnen we allemaal leren’, De Nieuwe Koers november 2024, 42-43.

‘Het verdwijnen van hoop – daar kunnen we niet tegen’, De Nieuwe Koers september 2024, 42-43.

‘Zolang de HEERE nog rondvliegt op zijn cherub, met rook uit zijn heilige neus, is er nog hoop’, De Nieuwe Koers juni 2024, 40-41

‘Kan de dominee nog preken zonder ChatGPT?’, De Nieuwe Koers april 2024, 42-43

‘Alleen het kind kan scheppen’, De Nieuwe Koers februari 2024, 42-43

Columns Hart van Holland

‘Rood’, 24 januari 2024

‘Safety first’, 7 februari 2024

‘Valentijnswoensdag’28 februari 2024

‘Carlo Heuvelman’, 20 maart 2024

‘Land van melk en honing’, 10 april 2024

‘Het valt niet mee om atheïst te zijn’, Hart van Holland 1 mei 2024

‘Smartphone’, 22 mei 2024

‘De onontwarbare knoop’, 12 juni 2024

‘Cody Gakpo en Tom de Wal’, 3 juli 2024

‘De slenter4daagse’, Hart van Holland 31 juli 2024

’Niet betaald, niet verplicht’, Hart van Holland 28 augustus 2024

’Rondje om de wereld’, Hart van Holland, 18 september 2024

‘Oorlog, vrede, religie’, Hart van Holland 9 oktober 2024

‘Muscles and brains’, Hart van Holland 30 oktober 2024

’Leve de gezelligheid’, Hart van Holland 21 november 2024

‘Zij zagen een ster’, Hart van Holland 11 december 2024

Interview

‘‘Mijn vader was dominee, dus wilde ik dat juist niet’. Kinderen interviewen ds. Dekker’, Inspiratieblad Vier, september 2024

‘125 jaar Voetius’ Lustrumbundel G.T.S.V. Voetius, 2024

‘Onstuitbaar’, Hervormd Kerkblad Waddinxveen, 17 mei 2024.

‘Tot in je botten’, Hervormd Kerkblad Waddinxveen, 3 mei 2024

‘Niemand zo groot als God’, Hervormd Kerkblad Waddinxveen, 26 januari 2024

‘Meervoud op aarde, zoals in de hemel’, Hervormd Kerkblad Waddinxveen, 19 januari 2024

‘We beginnen opnieuw’, Hervormd Kerkblad Waddinxveen, 4 oktober 2024

‘I will see you in court’, Hervormd Kerkblad Waddinxveen, 27 september 2024

‘Tot in je botten’, In de Waagschaal 53 (2024), 7, 3

‘Gods ziel vol haat?, In de Waagschaal 53 (2024), 10, 3

‘Breed en diep’, Als de ochtendstond nadert, Waddinxveen 2024

Overig

‘Ik probeer het levensecht te houden. In gesprek met Eep Talstra’, In de Waagschaal 53 (2024), 7, 4vv

‘Geen samenleving zonder grenzen’, essay op raadvankerken.nl, september 2024

Samen met Elsbeth Gruteke, ‘PKN deelt met plan voor ‘pastor’ klap uit aan de theologische wetenschap’, Trouw 19 juni 2024.

2023

Artikelen in tijdschriften

‘Profeet, priester, oorlog: een fragment uit Miskottes Hoofdsom der historie’, In de Waagschaal januari 2023, 14-16.

‘Onno Zijlstra over authenticiteit’, In de Waagschaal januari 2023, 28-29.

‘De religie van de uittocht uit de religie’: Marcel Gauchet over christendom en moderniteit’, In de Waagschaal 52 (2023), 4, 8vv

‘De poëzie, de dood van God en Wessel ten Boom’, In de Waagschaal 52 (2023), 5, 4vv

‘De God van Hegel: een kanttekening bij Benjamins’ Boven is onder ons’, In de Waagschaal 52 (2023), 9, 11vv

‘De eenheid ligt in de drieënige zelf’. Briefwisseling over de eenvoud van God’, In de Waagschaal 52 (2023), 9, 22vv. (met Kees van der Kooi)

‘Waarom ik christen ben (1)’, In de Waagschaal 52 (2023), 10, 4vv

‘Waarom ik christen ben (2)’, In de Waagschaal 52 (2023), 11, 8vv

‘Waarom ik christen ben (3)’, In de Waagschaal 52 (2023), 12, 11vv

‘Onstuimig protestants’, Speling 2023/3, 46-51.

Recensie van: ‘Kenosis. The Self-Emptying of Christ in Scripture and Theology’, red. Paul T. Nimmo en Keith L. Johnson, Zeitschrift für dialektische Theologie, 39/2 (2023), 173-176.

Recensies Kerk en Theologie

Recensie van: Pieter Vos, Longing for the good Life, Kerk en Theologie januari 2023, 102-104.

Recensies Theologia Reformata

Recensie van: Jacques Ellul, Staan in de wereld van nu, Theologia Reformata 2023/4, 430-431.

Recensies Nederlands Dagblad

‘De Nederlandse theologie is zonder Karl Barth niet te begrijpen’ [recensie van: G. Harinck e.a., De receptie van Karl Barth in Nederland], Nederlands Dagblad Gulliver 8-9, 13 januari 2023.

‘Eén groot warenhuis voor de geest, met een smaakje voor iedereen’ [recensie van K.H.Miskotte, Verzameld Werk 15), Nederlands Dagblad Gulliver 8-9, 17 februari 2023.

‘Tijdgeest’ [recensie van Rik Torfs, Tijdgeest], Nederlands Dagblad 19 april 2023

‘De Duitse dichter Heinrich Heine had geen hoge pet op van mensen met ‘ideeën’ [recensie van H. Heine, Ideeën. Het boek Le Grand], 12 september 2023

‘Helaas doet dopen geen pijn’, februari 2023

‘Selectieve inclusiviteit’, maart 2023

‘Geloof is niet enkel voor-waar-houden’, april 2023

‘Afscheid nemen bestaat wel’, mei 2023

‘Ik en mijn aura’, juni 2023

‘Wie niet huilen kan, zit in de hel’, juli 2023

‘Het nutteloze is weggevallen’, september 2023

‘Alle kansels open, voor alle priesters en predikanten’, oktober 2023

‘Dit is niet de eindtijd, dit is ons moment’, november 2023, 12-13.

‘Getuigen, terugtrekken of spotten’, december 2023

Columns Hart van Holland

‘Eendje ga je mee?’, 18 januari 2023

‘Een halve gehaktbal’, 8 februari 2023

‘Respect’, 1 maart 2023

‘De zoektocht naar een messias’, 22 maart 2023

‘Menselijk contact’, 12 april 2023

‘Groen als gras’, 24 mei 2023

‘Les Misérables’, 14 juni 2023

‘Naaktgeboren’, 5 juli 2023

‘Tien slagen’, 23 augustus 2023

‘Burgerlijke ongehoorzaamheid’, 13 september 2023

‘Boosheid’, 4 oktober 2023

‘Zwart’, 25 oktober 2023

‘Barbie, hoeveel weken ben je?’, 15 november 2023

‘Doorzichtig’, 6 december 2023

‘Jezus!’, 27 december 2023

‘Wij zitten behoorlijk hoog op de apenrots’ (Winnende Groene preek), Nederlands Dagblad 3 september 2023, 9-11.

Meditaties

‘De Geest stottert graag’, Hervormd Kerkblad 10 februari 2023

‘Gods Woord uit eigen mond’, Hervormd Kerkblad 3 februari 2023

‘Ik heb de HEERE lief’, Als de ochtendstond nadert 2023, 13-16.

‘Het kind en ik’, Als de ochtendstond nadert 2023

‘Wij kunnen er zelf ook wat aan doen’, Hervormd Kerkblad Waddinxveen 9 juni 2023

‘God doet wat wij niet mogen’, Hervormd Kerkblad Waddinxveen, 26 mei 2023

‘Een boom van een vrouw’, Hervormd Kerkblad Waddinxveen, 6 oktober 2023

‘Het nee bij het ja’, Hervormd Kerkblad Waddinxveen, 13 oktober 2023

‘Tegen de moeheid’ (meditatie), In de Waagschaal januari 2023, 3.

Algemeen Dagblad, …

De Nieuwe Koers,…

‘Van de redactie’, In de Waagschaal januari 2023, 2.

2022

Geredigeerd boek

W.M.Dekker en E. van ’t Slot (red.), Doordacht spreken over God. Opstellen van en voor Jan Muis ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag, Kampen: Summum Academic 2022. ISBN 9789492701435

Boek

Levenswijsheid volgens Prediker. Bijbelstudies over levenskunst, Amsterdam: Uitgeverij Ark Media 2013 (4e druk). ISBN 9789033800313.

Artikel in boek

‘Doorkruiste eenvoud, of: ‘de bange nacht van de raad des vredes’’, in: W.M.Dekker en E. van ’t Slot (red.), Doordacht spreken over God. Opstellen van en voor Jan Muis ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag, Kampen: Summum Academic 2022, 95-110.

Artikelen in tijdschriften

‘Op weg naar het einde’, Kontekstueel 37/2, november 2022, 17-19.

‘Uit de dagboeken van Miskotte (2) Over mystiek’, In de Waagschaal 51 (2022), 5, 28-30.

Recensie van: D. Evers e.a., Die Theologie Eberhard Jüngels: Kontexte, Themen, Perspektiven, Kerk en Theologie 72, 2, 201-203.

Recensie van: G. Agamben, Waar zijn wij? en G. Agamben, Epidemie als politiek, Kerk en Theologie 73, 1, 98-100.

Recensie van: M. Mühling, Post-Systematische Theologie I, Kerk en Theologie 73, 1, 79-80.

Recensies Nederlands Dagblad

‘Hoe ons denken ons geluk in de weg staat’ (recensie van: Toon Tellegen, De egel, dat ben ik), Nederlands Dagblad Gulliver 14 januari 2022.

‘Terugverlangen naar bevrijdende liefde’ (recensie van: P.F. Thomése, Swansdale), Nederlands Dagblad Gulliver 11 november 2022.

‘Liefde, eenzaamheid en God in de brieven van Rilke’, Nederlands Dagblad Gulliver 6 mei 2022.

‘Gelukkig zijn met Thomas van Aquino’, Nederlands Dagblad Gulliver 11 februari 2022

‘Stop met die rare bijbels’, december 2022

‘De zegen strooit God breed uit, inzegening is wat anders’, november 2022

‘Anders als de Geheel Andere’, oktober 2022.

‘Word toch dominee’, september 2022.

‘Schiphol en de boeren’, zomer 2022.

‘Wat de toekomst brengen moge’, juni 2022.

‘Jezus leed niet zodat wij niet meer hoeven te lijden’, mei 2022.

‘Pacifisme is een dun lijntje in de kerkgeschiedenis’, april 2022.

‘God fatsoeneren, het zit er heel diep in’, maart 2022.

‘Hulp bij het slapen’, februari 2022

Columns Hart van Holland

‘Een nieuw jaar’, Hart van Holland, 5 januari 2022

‘Solidariteit’, Hart van Holland, 26 januari 2022

‘God op straat’, Hart van Holland, 16 februari 2022

‘Een huis vol’, Hart van Holland, 9 maart 2022

‘Nieuw leven’, Hart van Holland, 20 april 2022

‘Ongemakkelijk’, Hart van Holland, 11 mei 2022

‘Grijze haren’, Hart van Holland, 22 juni 2022

‘Beste bewoners van het meest geliefde dorp van Nederland’, 13 juli 2022

‘Kruispunten’, Hart van Holland, 10 augustus 2022

‘Lees en leef’, Hart van Holland, 24 augustus 2022

‘Bekkensnijders’, Hart van Holland, 14 september 2022

‘Heb je vijanden lief’, Hart van Holland, 5 oktober 2022

‘Ik ben niet mijn brein’, Hart van Holland, 26 oktober 2022

‘Wat komt er na kerk en kroeg?’, Hart van Holland, 16 november 2022

‘We van come an end’, Hart van Holland, 7 december 2022

‘Gelukkig nieuwjaar’, Hart van Holland, 28 december 2022

‘Maar God…’, Hervormd Kerkblad 18 februari 2022.

‘Op weg naar het einde’, Hervormd Kerkblad 25 februari 2022.

‘Kom maar op met dat einde’, Hervormd Kerkblad 4 november 2022

‘Bevoorrechte mensen’, Hervormd Kerkblad 11 november 2022

‘Bewaakt worden’ (n.a.v. Filippenzen 4:7), in: Als de ochtenstond nadert… 2022, 30-34.

‘Maar God’ (meditatie), In de Waagschaal 51 (2022), 3, 3.

‘Geen natuur en geen moeder’ (meditatie), In de Waagschaal 51 (2022), 10, 3.

Interviews

‘De liefde van God is ook een drama’, De Nieuwe Koers maart 2022.

Overig

Bijdrage over geluk in: Tocqueville blogboek, online

‘Van de redactie’, In de Waagschaal 51 (2022), 5, 2.

2021

Boek

Domweg gelukkig. Een theologische en filosofische verkenning over het streven naar geluk, Heerenveen: Groen 2021 (1e, 2e en 3e druk). ISBN 9789088972751.

‘De kerk is meer dan verkondiging’, In de Waagschaal 50 (2021), 5, 29-30.

‘Gelukkig met de dood voor ogen’, Sophie 2021, 5, 18-21.

‘Tussen God en gemis. De poëzie van Wessel ten Boom’, Ophef, december 2020, 31-39.

‘Wie mij oordeelt is de Heere’, Kontekstueel, januari 2021, 6-8.

‘Verwonderlijk maar waar: God rijmt op lot’, Nederlands Dagblad 11 juni 2021.

A. Kinneging, De onzichtbare Maat, Kerk en Theologie april 2023, 81-83.

Oek de Jong, Het glanzend zwart van mosselen, Nederlands Dagblad 15 januari 2021.

Koert van Bekkum, Verdreven uit de hof, levend uit de belofte, Nederlands Dagblad 8 januari 2021.

Charles Baudelaire, De bloemen van het kwaad, Nederlands Dagblad 23 april 2021.

Juli Zeh, Onder buren, Nederlands Dagblad 26 november 2021.

Michael Spitzer, De muzikale mens, Nederlands Dagblad 25 juni 2021.

‘Heidens bloed’ (recensie van Rainer Maria Rilke, De sonnetten aan Orpheus, vertaald en van commentaar voorzien door Wessel ten Boom), Liter 96 (2019), 72-73.

‘Geen vakantie’, februari 2021, 11.

‘De heilige kus’, maart 2021, 11.

‘Luisteren naar de Schrift’, april 2021, 11.

‘De Heer regeert’, mei 2021, 11.

‘Zondaar van beroep’, juni-juli 2021, 11.

‘Polygamie, pro of contra’, augustus 2021, 11.

‘Kunst en geloof’, september 2021, 14.

‘Doopverbod’, oktober 2021, 11.

‘De schoenmaker en zijn leest’, november 2021, 11.

‘2G’, december-januari 2021-2022

Commentaren De Nieuwe Koers

‘Corona regeert de kerk’, februari 2021, 39

‘Jaap Dieleman’, maart 2021, 29.

‘Voltooid leven en de redelijkheid’, april 2021, 41.

‘Ik ga leven’, mei 2021

‘Uitzinnige Hollanders, wie heeft u betinkeld?’, juni 2021, 25.

‘De doemprofetie van Harari’, juli-augustus 2021, 31.

‘Canada en Afghanistan’, september 2021, 33.

‘Liever langzaam laten wegrotten dan de kerk omtoveren tot dorpshuis’, Oktober 2021, 33.

‘Tegen de dood’, November 2021, 47.

‘Kerkje scheuren’, December-januari 2021-2022, 21.

‘Jij bent helemaal wuppie!’, 17 maart 2021 (eerste column)

‘De Brug’, 7 april 2021

‘De meeste mensen deugen (niet)’, 28 april 2021

‘Petities’, 19 mei 2021

‘Bergen’, 9 juni 2021

‘De bal is rond’, 30 juni 2021

‘………’, 21 juli 2021

‘De luizenmoeder’, 25 augustus 2021

‘Grijs geluk’, 15 september 2021

‘Seks met sokken’, 6 oktober 2021

‘Zoals het dorpje in Gallië’, 27 oktober 2021

‘Ik geloof in Sinterklaas’, 17 november 2021

‘Ik ween om bomen’, 8 december 2021.

Commentaren In de Waagschaal

‘Welzijn en heil’, In de Waagschaal 50 (2021), 1, 31.

‘Hij is terug’, In de Waagschaal 50 (2021), 4, 31.

‘Vikingen’, In de Waagschaal 50 (2021), 6, 31.

‘Vissen en acteren’, In de Waagschaal 50 (2021), 9, 31.

‘Preek eens over de duivel’, In de Waagschaal 50 (2021), 12, 31.

‘Eberhard Jüngel’, Nederlands Dagblad 30 september 2021

‘Eberhard Jüngel (1934-2021) was christen uit vreugde om God’, FrieschDagblad 4 oktober 2021.

Interviews

‘De Bijbel zegt dat het leven goed is, puur omdat God er is’, OnderWeg 23 oktober 2021, 16-19.

‘Geluk? Da’s zuurkool uit de oven. Met banaan’, De Nieuwe Koers zomer 2021, 64-67.’

‘Kennismaken met de nieuwe columnist van Hart van Holland’, Hart van Holland, 3 maart 2021.

‘Stop met het streven naar geluk’, Algemeen Dagblad Het groene hart, zaterdag 7 augustus, 8-9.

‘W.M.Dekker: ‘Ik ben niet dagelijks gelukkig, maar soms’, Hart van Holland 16 juni 2021.

Meditaties

‘Paulus als moeder (Gal. 4:19)’, In de Waagschaal 50 (2021), 8, 3.

‘Een en al oor (Jesaja 50:4)’, Als de ochtenstond nadert…, Hervormde diaconie Waddinxveen, 2021

Kerst in context, Kerkblad Hervormde gemeente Waddinxveen, 24 december 2021

Gedenk de sabbatdag, Kerkblad Hervormde gemeente Waddinxveen, 29 januari 2021

Corona volente?, Kerkblad Hervormde gemeente Waddinxveen, 22 januari 2021

Breng mij een mens, Kerkblad Hervormde gemeente Waddinxveen, 12 november 2021

De beperkingen, Kerkblad Hervormde gemeente Waddinxveen, 5 november 2021

Je persoonlijke relatie met God, Kerkblad Hervormde gemeente Waddinxveen, 2 juli 2021

Paulus als moeder, Kerkblad Hervormde gemeente Waddinxveen, 16 juli 2021

Overig

‘Uit de dagboeken van Miskotte (I)’, In de Waagschaal 50 (2021), 11, 30

‘Van de redactie’, In de Waagschaal 50 (2021), 11, 2.

‘Kerst in crisistijd’, flyer Waddinxveen

Samen met Jilles de Klerk, ‘Neem de traditie serieus.’ Interview met Eginhard Meijering’, In de Waagschaal  50 (2021),1, 4-11.

2020

Artikelen in tijdschriften

“Waarom je met God moet strijden als een leeuw”, Nederlands Dagblad, Gulliver essay, 17 april 2020.

‘De weg naar de hel loopt dood’, De Nieuwe Koers februari 2020, 19-21.

‘Een begrepen God is geen God’ [n.a.v. K.H. Miskotte, Antwoord uit het onweer], De Nieuwe Koers april 2020, 62-63.

‘” Niet erachter en nog minder erbuiten, maar erboven en erin.” Miskotte over corona’, In de Waagschaal 49 (2020), 5, 13-16.

‘Miskotte en de voorzienigheid (I)’, In de Waagschaal 49 (2020), 10, 24-26.

‘Gods linker- en rechterhand: Miskotte en de voorzienigheid (II)’, In de Waagschaal 49 (2020), 11, 28-30.

‘Paulus, de vrijdenker’, Stel, magazine nr 2, 67-69.

‘’n tijdstip los van tijd’, Stel, magazine nr 3, 16-17.

Frank Hofmann, Wie redet Gott mit uns?, in: Theologia Reformata 2020, 324-325.

Recensies Kerk en Theologie

K.H.Miskotte, Uit de dagboeken 1938-1940. Verzameld Werk 5c, in: Kerk en Theologie 71 (2020), 407-408.

Simone de Beauvoir: meer dan de vrouw naast Sartre?, [recensie van Kate Kirkpatrick, Simone de Beauvoir, biografie], Nederlands Dagblad 20 maart 2020.

Oorlog en kermis, even leeg [recensie van L.F. Céline, Reis naar het einde van de nacht], Nederlands Dagblad 3 april 2020.

‘Een mannelijke drama queen’ [recensie van F. Pessoa, Kroniek van een leven dat voorbijgaat], Nederlands Dagblad 16 oktober 2020

‘Theologie van het gewone leven’ [recensie van Erik Borgman, Alle dingen nieuw], Nederlands Dagblad 12 juni 2020.

‘Zonder Zaza geen Simone’ [recensie van S. de Beauvoir, De onafscheidelijken], Nederlands Dagblad 30 oktober 2020

‘Christelijke kijk op multiculturaliteit’ [recensie van Renée van Riesen e.a., Multiculturele gerechtigheid], Nederlands Dagblad 3 juli 2020

‘Baggini wil een Jezus zonder geloof’ [recensie J. Baggini, Een evangelie zonder God], Nederlands Dagblad, 6 november 2020

‘Psychologie van de Boze’ [recensie van John Milton, Het paradijs verloren], Nederlands Dagblad 24 januari 2020.

‘Leve het celibaat’, Februari 2020

‘Wie wil weten wat Paulus bedoelde, moet naar de Kuip gaan’, De Nieuwe Koers maart 2020

‘David komt óns vellen’, April 2020

‘Het cultuurchristendom van Thierry Baudet’, Mei 2020

‘Adam, wat moeten we aan met die pratende slang?’ ‘Helemaal niks’, Juni 2020

‘Bombardeer het hoofdkwartier’, juli/augustus 2020

‘De binnenkamer van Barnard’, September 2020

‘Seks en pannenkoeken’, Oktober 2020

‘Krankjorum’, november 2020

‘Lachen met Gisbertus Voetius’, December 2020

Commentaren In de Waagschaal

‘Leve het celibaat’, In de Waagschaal 49 (2020), 2, 31

‘De kus van Franciscus’, In de Waagschaal 49 (2020), 5, 31

‘George Floyd’, In de Waagschaal 49 (2020), 7, 47

‘Intelligentie en lockdown’, In de Waagschaal 49 (2020), 10, 31

Preken

‘Een geloof als een mosterdzaadje’, Belijdenisdienst 6 september 2020 (brochure)

‘Anno Domini’ (Openbaring 20:2), In de Waagschaal 49 (2020), 1, 3.

‘Het anti-discriminatiebeginsel’ (Genesis 1:27), In de Waagschaal 49 (2020), 12, 3.

‘Job’, Kerkblad Hervormde gemeente Waddinxveen, 29 mei 2020

‘Onze geheime liefde’, Kerkblad Hervormde gemeente Waddinxveen, 24 januari 2020

‘Wat God wil’, Kerkblad Hervormde gemeente Waddinxveen, 31 januari 2020

‘Gevangen’, Kerkblad Hervormde gemeente Waddinxveen, 12 juni 2020

‘Het anti-discriminatiebeginsel’, Hervormde gemeente Waddinxveen, 16 oktober 2020

‘Omdat hij maar een appel was’, Hervormde gemeente Waddinxveen, 9 oktober 2020

‘De vreugde van de HEERE, dat is uw vesting’, Als de ochtendstond nadert, 2020

2019

Boek

Levenswijsheid volgens Prediker. Bijbelstudies over levenskunst, Amsterdam: Uitgeverij Ark Media 2013 (3e druk). ISBN 9789033800313.

‘Simson, krachtpatser of zwakkeling?’, Stel, magazine nr 1, december 2019, 83-85.

‘Waarom wij Dostojevski moeten blijven lezen’, in: In de Waagschaal 48/7 (2019), 11-14.

‘God en gebed bij Grunberg’, in: In de Waagschaal 48/9 (2019), 27-30.

‘Een ander verleden eisen, dat laat geen ruimte voor vergeving’ [recensie-artikel van Simon(e) van Saarloos, Herdenken herdacht], De Nieuwe Koers oktober 2019, 32-35.

Recensies

‘Twee gevallen gevelplaten’ (recensie van Ria Borkent, Huis aan de Handelskade), Nederlands Dagblad, 12 april 2019.

‘Kunnen wij zonder vijanden’ (recensie van Arnon Grunberg, Vriend en vijand), Nederlands Dagblad 8 februari 2019.

‘Broederliefde gaat dieper’ (recensie van Norman Maclean, Er stroomt een rivier doorheen), Nederlands Dagblad 13 december 2019

‘Weinig oecumenisch gesprek’ (recensie van H.A. Speelman e.a., Spirituele oecumene), Nederlands Dagblad 27 december 2019.

Recensie van U.H.J. Körtner, Dogmatik, in: Theologia Reformata, 2019, 432-433.

‘Eén persoon is geen persoon’ [Recensie van Ioannis Zizioulas, Gemeenschap en andersheid], Radix 45/3 (2019), 250-252.

Columns De Nieuwe Koers

‘Een egel net niet doodrijden, doe het ook eens’, De Nieuwe Koers December 2019

‘De wil tot macht’, De Nieuwe Koers november 2019

‘Vrijheid, gelijkheid, broederschap, De Nieuwe Koers oktober 2019

‘Freud, Grunberg en de kerkvaders’, De Nieuwe Koers september 2019.

‘Heeft God humor?’, De Nieuwe Koers juli 2019.

‘Als de PKN de band tussen academie en predikantschap losmaakt, zal zij spoedig niet meer bestaan’, De Nieuwe Koers juni 2019.

‘Oh, oh!’, De Nieuwe Koers mei 2019.

‘Als de wereld een lijk is’, De Nieuwe Koers april 2019

‘Bekering’, De Nieuwe Koers maart 2019

‘De Russische ziel’, De Nieuwe Koers januari-februari 2019

Preken

‘De HEERE is mijn Herder, mij ontbreekt niets’ (Ps. 23:1)’, Prediking bij de belijdenisdienst op zondag 7 april 2019 in ‘De Morgenster’ te Waddinxveen (brochure).

‘Wie ben je?’ (overdenking bij Ruth 3), in ‘Als de ochtendstond nadert…’, brochure van de Hervormde gemeente Waddinxveen.

Meditaties

‘Eer’ (n.a.v. Richteren 9:54), in: Hervormd Kerkblad Waddinxveen en Benthuizen, 81/5, 8 februari 2019.

‘Samen uit, samen thuis’ (n.a.v. Hebreeën 11:40), in: Hervormd Kerkblad Waddinxveen en Benthuizen, 81/6, 15 februari 2019

‘Kinderlijk, niet kinderachtig’ (n.a.v. Mattheüs 18:3 en 1 Korinthe 14:20), in: Hervormd Kerkblad Waddinxveen en Benthuizen, 81/17, 24 mei 2019.

‘De onbegrepen God’, Hervormd Kerkblad Waddinxveen en Benthuizen, 18 oktober 2019

‘Sta op’, Hervormd Kerkblad Waddinxveen en Benthuizen, 11 oktober 2019

‘Droog de tranen niet’ (n.a.v. Jeremia 9:1 en Romeinen 12:15), in: Hervormd Kerkblad Waddinxveen en Benthuizen, 81/18, 7 juni 2019.

‘Jeruzalem, Jeruzalem’ (n.a.v. Lukas 13:33), in: In de Waagschaal 2019/4, 3.

‘Wie ben je?’ (Ruth 3), in: Als de ochtendstond nadert 2019.

Overig

‘De wonden blijven’ (interview met Tomas Halik), De Nieuwe Koers april 2019

‘Het geweld ligt altijd op de loer’ (interview met Arnon Grunberg), Nederlands Dagblad 8 maart 2019

Redactioneel, In de Waagschaal 2019/3, 32.

‘Excursie ’t Weegje’, in: VVN

2018

Artikel in boek

‘En nochtans moet het woord bestaan. Over onze gestorven geliefde’ [brief vergezeld van eigen poëzie], in: Woorden van reisgenoten. Liber amicorum voor Andries Zoutendijk, Utrecht 2018, 36-46.

Artikelen

[met René Fransen] ‘Gaat het ooit goedkomen met de protestantse eenwording? Een DNA-test’, De Nieuwe Koers november 2018, 13-18.

‘Geloof je? Die vraag kan een kind prima beantwoorden’, De Nieuwe Koers mei 2018, 40-43.

‘De scheppingsleer van Karl Barth’, In de Waagschaal 47 (2018), 6, 24-27.

‘God haten en over Hem heersen’, Woord en Dienst maart 2018, 34-35.

‘De fundamentele afhankelijkheid van de mens’ (in gesprek met Jilles de Klerk n.a.v. het boek ‘Dit broze bestaan’), in: Geruchten 55, november 2018, 13-15.

Recensie-artikel

‘John Webster’s Retrieval of Classical Theology’ (n.a.v. John Webster, ‘God Without Measures. Working Papers in Christian Theology), Journal of Reformed Theology 12 (2018), 59-63.

‘Is het verdriet al in je leven gekomen?’ (n.a.v. Bram van de Beek, Altijd dat kruis), Nederlands Dagblad, bijlage Gulliver, 23 november 2018, 3.

Recensies

Recensie van Wessel ten Boom, Van Luther tot Heidegger, in: Theologia Reformata 2018, 87-88.

Recensie van Malte Dominik Krüger, Das andere Bild Christi, in: Theologia Reformata 2018, 89-90.

‘Het populisme in Duitsland’ (Recensie van W. Thielman (red.), ‘Alternative für Christen. Die AfD und ihr gespaltenes Verhältnis zur Religion’, Neukirchen 2017), In de Waagschaal 47 (2018), 7, 29-30

Recensie van Herman Paul, De slag om het hart, in: NTT 72 (2018), 3, 275-276.

Recensie van Herman Paul, Secularisatie. Een kleine geschiedenis van een groot verhaal, in: NTT 72 (2018), 3, 273-274.

‘Het eeuwige leven volgens Karl Barth’ (Recensie van ‘Karl Barth: Geloven in de levende God. Deel V: Eeuwig leven?!, vertaald en toegelicht door Eginhard Meijering), In de Waagschaal 47 (2018), 10, 22-24.

Recensie van George Hunsinger, Evangelical, Catholic and Reformed. Doctrinal Essays on Barth and Related Themes, in: Zeitschrift für Dialektische Theologie 34 (2018), 1, 184-185.

Vertalingen

‘Sermo de duplici iusticia, 1518 / Preek over tweeërlei rechtvaardigheid, 1518’, in: Maarten Luther, Band II: Soteriologie. De christelijke vrijheid in het geloof in Christus, onder redactie van Markus Matthias, Eindhoven: Damon 2018, 98-119.

‘Disputatio de veste nuptiali, 1537 / Disputatie over de bruidsjurk, 1537’, in: : Maarten Luther, Band II: Soteriologie. De christelijke vrijheid in het geloof in Christus, onder redactie van Markus Matthias, Eindhoven: Damon 2018, 530-533.

‘Disputationes contra Antinomos, 1537 / Disputaties tegen de Antinominianen, 1537’, in: Maarten Luther, Band II: Soteriologie. De christelijke vrijheid in het geloof in Christus, onder redactie van Markus Matthias, Eindhoven: Damon 2018, 534-553.

‘Disputatio de divinitate et humanitate Christi, 1540 / Disputatie over de goddelijkheid en de menselijkheid van Christus, 1540’, in: Maarten Luther, Band II: Soteriologie. De christelijke vrijheid in het geloof in Christus, onder redactie van Markus Matthias, Eindhoven: Damon 2018, 566-579.

Columns De Nieuwe Koers

‘De moord of het offer’, De Nieuwe Koers januari-februari 2018

‘Ras of volk’, De Nieuwe Koers maart 2018

‘Belijdenis doen’, De Nieuwe Koers, april 2018

‘Ziek van liefde’, De Nieuwe Koers mei 2018

‘Zalig lot’, De Nieuwe Koers juni 2018

‘Wij willen bedrogen worden’, De Nieuwe Koers juli-augustus 2018

‘Toerist of pelgrim’, De Nieuwe Koers september 2018

‘Hoe zich niet op te hangen?’, De Nieuwe Koers oktober 2018

‘Principieel tegen ongelukken’, De Nieuwe Koers november 2018

‘Gods strategie’, De Nieuwe Koers december 2018

Poëzie

‘Op de Drenthse hei’, In de Waagschaal 2018, 39.

Preken

‘De Minnaar en zijn beminde’ (preek bij de belijdenisdienst op 8 april 2018 in ‘De Morgenster’ te Waddinxveen), brochure.

Meditaties

‘Knecht of kind?’ (n.a.v. Lukas 15:31), Hervormd Kerkblad Waddinxveen en Benthuizen, 80/7, 23 februari 2018

‘Kind of knecht?’ (n.a.v. Lukas 17:10), Hervormd Kerkblad Waddinxveen en Benthuizen, 80/8, 2 maart 2018

‘Tegen de depressie’ (n.a.v. Gen. 4:21 en 1 Sam. 16:23), Hervormd Kerkblad Waddinxveen en Benthuizen 80/19, 29 juni 2018.

‘Mooi én schrikwekkend’ (n.a.v. Hooglied 6:10), Hervormd Kerkblad Waddinxveen en Benthuizen 80/20, 13 juli 2018.

‘Geef mij je angst’ (n.a.v. Psalm 27:1), Hervormd Kerkblad Waddinxveen en Benthuizen 80/32, 9 november 2018.

‘Uitverkoren’ (n.a.v. 1 Petrus 2:9), Hervormd Kerkblad Waddinxveen en Benthuizen 80/31, 2 november 2018.

‘Wie is zij die verschijnt als de dageraad?’ (Hooglied 6:10), In de Waagschaal 47 (2018), 11, 3.

2017 

Boeken

Dit broze bestaan. Over het geloof in God de Schepper, Utrecht: Boekencentrum 2017. ISBN 9789023950271

[samen met Andries Zoutendijk], De Geest onderscheiden. Een bijbels-theologische, theologiehistorische en dogmatische studie over de heilige Geest als persoon, Utrecht: Boekencentrum 2017. ISBN 9789023950578.

Redactie en vertaling

Eberhard Jüngel, Lutherse preken bij het Oude Testament, Ingeleid en vertaald door Willem Maarten Dekker, Middelburg: Skandalon 2017.

Artikelen in boeken

‘Hermeneutical Theology as Contemporary Rendition of the ‘Sola Scriptura’’, in: Sola Scriptura. Biblical and Theological Perspectives on Scripture, Authority and Hermeneutics, edited by Hans Burger, Arnold Huijgen, Eric Peels, Leiden: Brill 2017, 105-120.

[met Udo Doedens], ‘Protestanten als dwarsliggers’, in: A. Bouwman e.a. (red.), Als een lopend vuur. 500 jaar Reformatie (Toer Reeks 16), 67-73.

Artikelen in tijdschriften

‘De ironie krijgt haar plaats. Gerard Reve’, In de Waagschaal 2017, 347-351.

‘Door zijn priesterschap heerst hij over God’, Kontekstueel januari 2017, 18-19.

Columns De Nieuwe Koers

‘Het dieptepunt’, De Nieuwe Koers januari 2017

‘Mysticus’, De Nieuwe Koers februari 2017

‘Halleluja’, De Nieuwe Koers maart 2017

‘Een gecastreerde God’, De Nieuwe Koers april 2017

‘De pukkel van Luther’, De Nieuwe Koers mei 2017

‘Kanarie in de kolenmijn’, De Nieuwe Koers juni 2017

‘Oh my God!’, De Nieuwe Koers zomer 2017

‘De verdwijners’, De Nieuwe Koers september 2017

‘De framing van Baudet’, De Nieuwe Koers oktober 2017

‘Familie en traditie’, De Nieuwe Koers november-december 2017.

Preken

‘Ik geloof! Geloof ik?’ (prediking n.a.v. Markus 9:24 bij de belijdenisdienst op 9 april 2017 in de Morgenster te Waddinxveen), brochure.

Meditaties

‘Wen er maar aan’ (Jeremia 29:28), In de Waagschaal 2017, 307.

Overig

‘Er is natuurlijk altijd enige hoofdschudderij bij’ (interview met Hans de Knijff), In de Waagschaal 2017, 244-258.

2016

Boek

Levenswijsheid volgens Prediker. Bijbelstudies over levenskunst, Amsterdam: Uitgeverij Ark Media 2013 (2e druk). ISBN 9789033800313.

Artikelen in tijdschriften

‘Waar wanhoop is, is hoop’, in: Christelijk Weekblad 5 februari 2016, 4-5.

‘Ellende, verlossing, dankbaarheid. Het calvinisme van Gerrit Achterberg’, in: In de Waagschaal, …

‘Miskotte als mysticus?’, in: Ophef 19 (2016), 1, 54-59.

Recensies

‘I.U. Dalferth, ‘Transzendenz und säkulare Welt’, in: Theologia Reformata

‘De leeslijst’, in: In de Waagschaal

‘Remi Brague, De Romeinse weg’, in: In de Waagschaal

Interviews

‘Secularisatie: teken van Gods toorn’, in: De Oogst 79 (2016), 1, 4-7

‘Niet om vergeving bidden voor een slechte preek’, in: Sjaak van ‘t Kruis e.a. (red.), Waar een Woord is… Het protestantisme doordacht, Zoetermeer: Boekencentrum 2016, 42-48

Preek

‘Voor God is de Leviathan een schoothondje om mee te spelen’, in: De Nieuwe Koers, januari 2016, 62-64.

Belijdenisdienst, brochure, Hervormde gemeente Waddinxveen, april 2016

Meditaties

‘De dubbelzinnige stad’ (Gen. 4:17b), in: In de Waagschaal

‘De Onontkoombare’ (Psalm 139:18b), in: Hervormd Kerkblad Waddinxveen

‘Een reiziger die maar één nacht blijft’ (Jer. 14:8b), in: Kerkblad

‘Jezus alleen’ (Mk. 14:50), in: Kerkblad

‘Kus me’ (Hgl. 1:2, Mk. 14:44), in: Kerkblad

2015

Geredigeerd boek

W.M.Dekker, B.K. Foppen en B. de Leede (red.), Ankerplaatsen. Waar geloven houvast vindt, Zoetermeer: Boekencentrum  2015, 11-27.

Artikelen in boeken

‘Ankerplaatsen’, in: W.M.Dekker, B.K. Foppen en B. de Leede (red.), Ankerplaatsen. Waar geloven houvast vindt, Zoetermeer: Boekencentrum  2015, 11-27.

‘Jezus is Heer’ [preekschets], in: M.C. Batenburg e.a., Goed gelovig. Een thematische uitleg van de Heidelbergse Catechismus voor verkondiging en onderwijs, Zoetermeer: Boekencentrum 2015, 341-349.

‘De brieven aan de Korinthiërs. Kruis of zelfverwerkelijking’, in: Brieven van Paulus en Openbaring. Vragen naar het Woord 5, Gouda: Gouds leerhuis 2015, 26-41.

‘Regels en liefde’ In: CDA Overwegingen. Inspirerende teksten voor openingen van vergaderingen. Een uitgave van de CDA-bestuurdersvereniging en het CDA Theologen Netwerk, Den Haag 2015, 36.

Artikelen in tijdschriften

‘De cultus van het ritueel’, Woord en Dienst, november 2015, 23.

‘Mogen wij ook eens met de rug naar de wereld staan?’, in: In de Waagschaal 44 (2015), 44-46.

‘Zonder God geen leven. De Knijff en de spanning van wetenschap en geloof’, in: Theologia Reformata 58 (2015), 3, 237-252

‘Wat is onopgeefbaar aan het klassieke protestantse ambt?’ (met Wessel ten Boom), In de Waagschaal 44 (2015), 2, 9-12.

‘De nood van de representatie’ (met Wessel ten Boom), In de Waagschaal 44 (2015), 5, 6-9.

‘Wat is theologie?’, In de Waagschaal 44 (2015), 1, 17-19.

‘Zalig de naïevelingen’, In de Waagschaal 44 (2015), 7, 44v

‘De actualiteit van Edda en Thora’ (interview met H. Braunschweiger), In de Waagschaal 44 (2015), 11, 18v.

‘De kwetsbaarheid van God, kwetsbaarheid en zonde. Kwetsbaarheid theologisch beschouwd’, in: Sophie 5 (2015), 4, 20-25.

‘Geloof en ervaring bij Luther’, in: OnderWeg 31 oktober 2015, 70-72.

Recensies

Recensie van Heinz Schilling, Martin Luther, Rebell in einer Zeit des Umbruchs, Eine Biographie, in: Theologia Reformata 58 (2015), 1, 104-105.

Recensie van I.U. Dalferth, Hermeneutische Theologie heute, in: Theologia Reformata

Columns Friesch Dagblad

‘Claim godsdienstvrijheid’, Friesch Dagblad 14 maart 2015

‘Actief de eenheid zoeken’, Friesch Dagblad 28 april 2015

‘Spiritualiteit is ongeloof’, Friesch Dagblad 31 januari 2015

‘De balans van koorddansen leren’, Friesch Dagblad 25 juli 2015

‘Terug naar de binnenkamer’, Friesch Dagblad 6 juni 2015

Preken

‘Kom!’, preek over Mattheüs 14:28-29a, brochure, Waddinxveen april 2015

‘Mijn Heere en mijn God!’, preek over Johannes 14:28-29a, brochure, Waddinxveen april 2015

Meditaties

‘Psalm 6’, in: Als de ochtendstond nadert, brochure. Waddinxveen 2016.

‘Schuilen bij de Allerhoogste’ (Ps. 91), in: Als de ochtendstond nadert, brochure. Waddinxveen 2015.

‘De schouders van de liefde’ (1 Kor. 13:4,7), in: Kerkblad Waddinxveen en Benthuizen

‘Geloof is geen ideaal’ (1 Kor. 13:3b), in: Kerkblad Waddinxveen en Benthuizen

‘Het spel als ultieme beheersing’ (Ps. 104:26), In de Waagschaal 44 (2015), 7, 3-4.

‘Verlangen naar God’ (Ps. 63), Kerkblad Waddinxveen en Benthuizen

‘De schepping af maken’ (Gen. 2:19), Kerkblad Waddinxveen en Benthuizen

‘Onze maagdelijke geboorte’ (Joh. 1:13), Kerkblad Waddinxveen en Benthuizen

Interview

CIP website, over agnosme

Overig

‘Kerk zijn is kwestie van lange adem’, Trouw 17 oktober 2015

2014

Artikelen in boeken

‘Apologetiek ten opzichte van het ‘agnosme’’, in: H.A. Bakker e.a. (red.), Verantwoord geloof. Handboek christelijke apologetiek, Kampen: Brevier 2014, 286-302.

Artikelen in tijdschriften

‘Gunning opnieuw gelezen’, In de Waagschaal, 43 (2014), 323-325.

‘Christus voor ons en in ons’, In de Waagschaal, 43 (2014), 350-352.

‘Luther over geloof en aanvechting’, in: Kontekstueel 28 (2014), 4, 18-22.

‘God legt ons uit. Hermeneutische perspectieven’, in: Kontekstueel november 2014, 14-17

‘Van Bultmann zijn we nog niet af’, In de Waagschaal 43 (2014), 234-236.

‘Oecumenische ontmoeting’, Kerkblad Waddinxveen en Benthuizen

Recensies

Recensie van: Antoon Vos, Jezus, Zijn verhaal, in: Theologia Reformata 56 (2014), 191-192

Recensie van: Tomas Halik, Geduld met God, in: In de Waagschaal 43 (2014), 174-175

‘Getuigenis of publieke theologie’, in: In de Waagschaal 43 (2014), 297-299. [recensie van A. Baan, The Necessity of Witness]

Columns Friesch Dagblad

‘Tijd voor klassieke ‘Bildung’’, Friesch Dagblad 12 april 2014.  

‘Jezus is niet online verkrijgbaar’, Friesch Dagblad 24 mei 2014

‘De geseculariseerde hemel’, Friesch Dagblad 6 juli 2014

God beleven is niet genoeg in de kerk’, Friesch Dagblad 16 augustus 2014.

‘Megakerken’, Friesch Dagblad 27 september 2014

‘Zelfkritische kerk maakt geen reclame’, Friesch Dagblad 22 november 2014

‘Het kerstfeest afschaffen?’, Friesch Dagblad 20 december 2014

Preek

‘Het refrein is Hij’, Ons kerkblad,

‘Heer ik kom tot U’ [preek n.a.v. Johannes 6:67-68], brochure, Waddinxveen april 2014

Meditaties

‘Wat de vogel zingt’ (Ps 65, Rom 8), in: In de Waagschaal 43 (2014), 8, 3-4.

‘Het had nooit mogen gebeuren’, Hervormd kerkblad van Waddinxveen en Benthuizen,

‘Het moest gebeuren’, Hervormd kerkblad van Waddinxveen en Benthuizen

‘Gods verbond met de schepping’ (Jona 4:11), Hervormd Kerkblad van Waddinxveen en Benthuizen

‘Uit verwondering om God’ (Psalm 113), Hervormd Kerkblad van Waddinxveen en Benthuizen

‘De feiten tellen niet’, Hervormd Kerkblad van Waddinxveen en Benthuizen

‘Geboren om te zingen’, Hervormd Kerkblad van Waddinxveen en Benthuizen

Interview

‘Niet zonder toga’ [interview], waddinxveen

‘Eberhard Jüngel geprezen door synode’, Friesch Dagblad 12 december 2014, 8.

2013

Boek

Levenswijsheid volgens Prediker. Bijbelstudies over levenskunst, Amsterdam: Uitgeverij Ark Media 2013 (heruitgave van het in 2003 bij de IZB uitgegeven boek). ISBN 9789033800313.

Provocatie. Over de zin van God en geloof, Heerenveen: Jongbloed 2013. E-book met gespreksvragen, toevoeging ten opzichte van de papieren uitgave van 2012.

Artikelen

Candide of de voorzienigheid, in: In de Waagschaal 42 (2013), 9, 4-6

Paus en oecumene, In de Waagschaal 42 (2013), 11, 7-9

Melancholia. Lars von Trier als gesprekspartner, in: In de Waagschaal 42 (2013), 8, 10-12

Dominee of moedermelk (over John Steinbeck, Grapes of Wrath), in: In de Waagschaal 42 (2013), 37-40

Bergoglio / Franciscus I, in: In de Waagschaal 42 (2013), 4, 17-19. en www.goedeleven.com, 14 maart 2013

Franciscus kiest voor dwaze weg, in: Nederlands Dagblad, 15 maart 2013

Kribbe zonder kruis? Hoofdstuk 13 – De Bijbel, boek van God en mensen (n.a.v. Van den Brink en Van der Kooi, Christelijke dogmatiek), in: In de Waagschaal 42 (2013), 6, 18-20

Miskotte en de voorzienigheid, In de Waagschaal 42 (2013), 10, 29

Kierkegaards ‘Opbouwende toespraken’, In de Waagschaal 42 (2013), 5, 11-13

De dode hond van Karl Barth (Over openbaring en ervaring), In de Waagschaal 42 (2013), 7, 37-39

Meditaties

‘Jezus’ trekkracht’ (n.a.v. Joh. 12:32-33), in: Ons Kerkblad, 23 maart 2013

Een stukje van het oor (Amos 3:12), in: In de Waagschaal 42 (2013), 10, 3-4

Interviews

‘Het leven hoeft niet te lukken; het mag ook mislukken’, in: Nederlands Dagblad, 20 februari 2013

2012

Boek

Provocatie. Over de zin van God en geloof, Heerenveen: Groen 2012. ISBN 9789088970337.

Artikelen

De doop en het corpus christianum, in: Kerk en theologie 63 (2012), 4, 334-344

‘Gods blijdschap en ons telraam. Gemeentestichting is niet het antwoord op wezenlijke vragen’, in: Opbouw 56/22, 10 november 2012, 15-17.

Hogere onverschilligheid. K.H. Miskotte over de zin van de zondag, in: In de Waagschaal 41 (2012), 4, 5-6.

Mystiek en missionair, in: In de Waagschaal 41 (2-12), 1, 6vv

Gezonde scepsis, in: In de Waagschaal 41 (2012), 9, 24vv

Theologie in Utrecht: in memoriam en utopie, in: In de Waagschaal, 41 (2012), 3, 9vv

De overtocht van het geloof – Willem Jan Otten, in: In de Waagschaal, 41 (2012), 8, 19vv

Christelijke politiek als nar van de tweede kamer, Reformatorisch Dagblad

Recensies

‘Omdat God zwijgt, moet de mens spreken?’ Recensie van M.C.A. Korpel en J. de Moor, De zwijgende God, in: In de Waagschaal 41 (2012), 12, 7vv

Preek

‘Het dwaze van God’ (1 Kor. 1:25a), in: Stemmen uit Jeruzalem (prekenserie), jaargang 112, no. 7 (12 oktober 2012)

Meditaties

De bekering van God, in: Ons Kerkblad,

‘Om te beschamen’ (1 Kor. 1:27), in: In de Waagschaal 41 (2012), 9, 3vv

‘Ons zalig lot’, in: Ons Kerkblad

Interviews

De kerk kan alleen maar stilzitten, in: Nederlands Dagblad

‘Dr. Willem Maarten Dekker roept op tot trouw aan tegendraads evangelie’, in: Reformatorisch Dagblad 2 mei 2012.

‘De kerk is van God, zelfs bij afbraak’, in: De Stentor

Radio

Interview Groot Nieuws Radio

Interview omroep Zwartewaterland

Meditatie ‘Geroepen om te lijden’ in ‘Laat ons de rustdag wijden’ (EO), 17 april 2012

2011

Artikelen

‘Waar het nu op aankomt? Predikant zijn in een seculiere tijd’, In de Waagschaal 40, 4, 14-16

‘Exodus. Hoe is God aanwezig?’, in: De Torah. De vijf boeken van Mozes. [Serie: Vragen naar het Woord, 1], Goudriaan 2011, 30-51.

‘De kerk begraven?’, Confessioneel 4 mei 2011

‘De kerk als spel van God’, In de Waagschaal 40, 6, 26

‘Kerk en Israël. Theologische grondlijnen’, Kerk en Theologie 62 (2011), 2, 101-109.

‘God: geen koekenbakker, wel pottenbakker’, In de Waagschaal 40 (2011), 1, 27-29.

‘Nutteloos geloven in de laatste dagen’, in: De roeping van de gemeente. Volharding, beschikbaarheid’, Uitgave vanwege het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk in Nederland,  2011, 19-25.

‘De wedergeboorte van de idioot’, In de Waagschaal 40, 11 (2011), 11-14

‘Nederlandse literatuur en religie’, In de Waagschaal 40, 10, 7-9

Recensies

Recensie van: H.M. Barth, Die Theologie Luthers. Eine kritische Würdigung, in: Kerk en Theologie jg. 62 (2011), 1, 88-89

Recensie van: R. Bultmann / M. Heidegger, Briefwechsel 1925 bis 1975, in: Kerk en Theologie jg. 62 (2011), 1, 89-90

Recensie van: Jilles de Klerk, Onderbrekingen. Het begrip ‘metaforische waarheid’ in de theologie van Eberhard Jüngel, in: Theologia Reformata 2011, 331-332.

Recensie van: Jilles de Klerk, Onderbrekingen. Het begrip ‘metaforische waarheid’ in de theologie van Eberhard Jüngel, in: In de Waagschaal 40, 12, 27-29

Meditaties

‘De magie van het kruis’ (Ex. 17:11), In de Waagschaal 40 (2011), 387-388.

‘Jezus’ groetverbod’ (n.a.v. Lukas 10:4b), Ons Kerkblad 65e jg,

‘De heilige Geest, het gemis en het verlangen’, Ons Kerkblad

‘Jezus, de sneeuw en het nieuwe jaar’, (Lukas 2:21), Ons Kerkblad 64e jg, 1, 1-2

2010

Artikelen

‘Beginnen bij de kus. Eberhard Jüngel blikt terug op 50 jaar theologie’, In de Waagschaal nw jg 39, 3, 28-30

‘Het tegoed van Origenes’ hermeneutiek’, In de Waagschaal 39, 9, 10-12

‘Geloven met het geloof dat je niet hebt. (Recensie-artikel betreffende E. van ’t Slot, ‘Openbaringsnegativisme’, Boekencentrum 2010), In de Waagschaal 39, 11, 12-17

‘Op Goed Gerucht over God’, In de Waagschaal 39 (2010), 528-531.

‘Over de roeping van een generatie’, Christelijk Weekblad, 24 september 2010, 4-5.

‘Hoop op God, zonder hoop voor de wereld’, Christelijk Weekblad, 5 november 2010, 9-10.

‘Wat bedoelen we als we Israël het uitverkoren volk van God noemen?’, Kontekstueel 24, 5, 14-16

‘Mijn knecht Mark Rutte’, In de Waagschaal

‘Koppig en eerbiedig’, Christelijk weekblad 14 mei 2010, p. 6

Recensies

Recensie van: Wolf Krötke, Barmen – Barth – Bonhoeffer. Beiträge zu einer zeitgemäßen christozentrischen Theologie’, in: Theologia Reformata jg 53, 2, 180-181.

Meditaties

 ‘Springen als kalveren’ (n.a.v. Maleachi 4:2), Ons Kerkblad 64e jg, 9, 1

‘Mijn knecht Mark Rutte’ (n.a.v. Rom. 13:1), Ons Kerkblad 64e jg,

Overig

In de Waagschaal 39, 1, 22-23

2009

Artikelen

‘De ‘godsleer’ van Calvijn. Een kritische beschouwing’, Jaarboek van de G.T.S.V. Voetius 2008-2009.

‘Het gaat ds. Hendrikse niet om het bestaan van God’, De Stentor 27 augustus 2009, p. 15

‘Een geniale anti-filosoof? Alain Badiou over Paulus’, In de Waagschaal nw jg 38, nr 12, p. 12-14

‘Met Alain Badiou in gesprek over Paulus’, In de Waagschaal nw jg 38, nr 13, p. 11-14.

‘Theologie na Pinksteren, of: de denkkracht van de dronkaard’, In de Waagschaal nw jg 38, 8, 24-25

‘Laat die miljoenen jaren toch zwemmen’, Nederlands Dagblad 5 december 2009, p. 9

Vertalingen

Eberhard Jüngel, ‘Geloof en rede’, vertaald door W.M. Dekker, Kerk en Theologie jg. 60 (2009) nr 1, 4-20 

Recensies

‘Schepping is meer dan natuur’ (recensie van K. Deurloo, Schepping. Van Paulus tot Genesis, Kleine Bijbelse Theologie Deel IV, Kampen: Kok 2008), Kerk in de Stad 16e jg nr 11, 23 januari 2009, p. 6

‘Geloof in gedichten’ (recensie van A. Hoogenkamp (red.), Symbolen worden tot cimbalen. De honderd mooiste Nederlandse gedichten over geloof en inspiratie, Amsterdam: Prometheus 2008), Kerk in de Stad 16e jg nr 12, 6 februari 2009, p. 2

Recensie van: E. Jüngel, Erfahrungen mit der Erfahrung, Kerk en theologie jg. 60, 2, 187

Meditaties

‘De genezing is begonnen’ (meditatie over Markus 8:22-26), Kerk inde Stad 16e jg nr 10, 9 januari 2009, p. 2

‘De allochtone gemeente’ (n.a.v. Daniël 3:15-16), Ons Kerkblad 63e jg, 2, p. 1-2

‘De vuurvaste gemeente’ (n.a.v. Daniël 3:15-16), Ons Kerkblad 63e jg, 3, p. 1-2

‘Dapper dwaas doen’ (n.a.v. Pred. 11:1), Ons Kerkblad 63e jg, 16, p. 1

Interview

‘Voorbereiden op nieuwe tijden’, De Stadskoerier, 25 februari 2009, p. 5

2008

Proefschrift

De relationaliteit van God. Onafhankelijkheid en relatie in de godsleer en ontologie van Francesco Turrettini en Eberhard Jüngel, Zoetermeer: Boekencentrum 2008. ISBN 978 90 239 2281 0

Artikelen

‘Gastcollege Eberhard Jüngel te Utrecht’ (verslag), Tijdschrift voor Theologie 48 (2008), 2, 199

‘Christus, de levende fontein. Overweging bij gezang 206 uit het Liedboek voor de kerken’, Kerk in de Stad jg. 15 nr 15, p. 9

‘De onvanzelfsprekende God. De ontdekking van Jüngel en het tegoed van de gereformeerde scholastiek’, In de Waagschaal nw jg 37, nr 8, 26-29

 ‘De grote stilte. Ingmar Bergman’, In de Waagschaal nw jg 37 nr 13, 10-12 (herdruk van het gelijknamige artikel uit 2007)

Recensies

– ‘Gedreven door de Geest’ (N.a.v. L.W. Smelt, Gedreven door de Geest. Vijftigdagentijd, Boekencentrum: Zoetermeer 2007), Kerk in de Stad jg. 15, nr 18, p. 6

– “Oerechte wedergeboorte van het protestantisme” nu voor iedereen toegankelijk. Karl Barths ‘Brief aan de Romeinen’ vertaald (N.a.v. Karl Barth, De brief aan de Romeinen, Vertaling Mark Wildschut, Amsterdam 2008), Kerk in de Stad jg. 16 nr 1, p. 2

– ‘Tien Geboden volgens Drewermann’ (N.a.v. Eugen Drewermann, De Tien Geboden. Tussen opdracht en wijsheid. Gesprekken met Richard Schneider, Zoetermeer: Meinema 2007, Kerk in de Stad jg. 15 nr 11, p. 2

– ‘Gebedsgenezing. Kritische analyse van een populair fenomeen’, (N.a.v. Joke van Saane, Gebedsgenezing, boerenbedrog of serieus alternatief?, Kampen: Ten Have 2008), Kerk in de Stad jg. 15 nr 22, p. 2

Meditaties

‘Donker en verlaten’ (Matteüs 27:45-46), Onderweg. Kerkblad van de Protestantse Gemeente Weesp, jg. 9, nr 4, 17 maart 2008, p. 5

‘God is je altijd vooruit’ (Exodus 33:22-23), Onderweg, Kerkblad van de Protestantse Gemeente Weesp, jg. 9 nr 13, 13 okt. 2008, p. 5

Interviews

‘Geloven brengt spanning en vervreemding’, Centraal Weekblad, 15 februari 2008

‘Jüngel wil het over God zelf hebben’, Trouw, 18 februari 2008

‘Het kruis op Golgotha als spotprent’, Nederlands Dagblad, 18 februari 2008

‘Godsvraag niet los van moderne cultuur’, Reformatorisch Dagblad, 18 februari 2008

‘In ons huist kwaad; in God huist toorn’, Sneinspetiele (= Fries weekblad van het Friesch Dagblad), 23 februari 2008 

‘Over de Heer en zijn toorn’, Het goede leven (= landelijk weekblad van het Friesch Dagblad), 29 februari 2008 (tekst identiek aan die in de Sneinspetiele)

2007

Artikelen

De veertigdagentijd in de Jacobikerk, in: Kerk in de Stad 16 februari 2007, 9.

De grote stilte. Het zwijgen van God in het werk van Ingmar Bergman, in: In de Waagschaal nw jg 36, nr 12, p. 9-11

Wat nut ons de engelen?, in: Kerk in de Stad 21 december 2007, 11.

Meditatie

Dapper dwaas doen (Prediker 11:1), in: Kerk in de Stad jg. 15 nr. 2, p. 2

2006

Artikelen

100 jaar Gereformeerde Bond – 100 jaar Samuel Beckett, in: In de Waagschaal, nieuwe jaargang 35 (2006), 8, 250-253

(samen met H.J. Prosman) “Predikant moet academicus blijven”, in: Friesch Dagblad, 31 oktober 2006, Reformatorisch Dagblad, 1 november 2006 en Nederlands Dagblad, 1 november 2006

(samen met H.J. Prosman) “PKN-rapport mag niet onbeantwoord blijven”, in: Reformatorisch Dagblad, 9 november 2006

Recensies

Recensie van H. Veldhuis, Kijk op geloof, in: Theologia Reformata 2006, 1, 86-87.

2005

Artikelen

Geen missionaire theologie zonder verlorenen, in: Onderhoud. Vlugschrift voor verkondiging 2 (2005), 7, 10-11

Geen God zonder Jezus en geen Jezus zonder God. Een herinnering aan Luthers kruistheologie, in: Kontekstueel 20 (2005-2006), 1, 7-10

Gezang 250 – Geloof als geschonken gemis, in: Onderhoud. Vlugschrift voor verkondiging 2 (2005), 8, 3-5

Dr. Ad Verbrugge over de emotiecultuur. Een impressie, in: Kontekstueel 20 (2005-2006), 2, 6-8

2004

Artikelen

Moed tot identificatie. Onderwijs in een multiculturele samenleving, in: Beweging 68 (2004), 3, 24-27.

Theologie na de dood van André Hazes, in: Onderhoud. Vlugschrift voor verkondiging 1 (2004), 4, 4-5.

Oost noch west noch zandwoestijn. Meditatie bij de moord op Theo van Gogh, in: In de Waagschaal nieuwe jaargang 33 (2004), 17, 516-520.

Recensies

Recensie van G. Neven, Barth lezen. Naar een dialogische dogmatiek, Zoetermeer 2003, in: Areopagus, nieuwe jaargang 8 (2004), nr. 1

Recensie van M. den Dulk, Barth cantates, Zoetermeer 2003, in: Areopagus, nieuwe jaargang 8 (2004), nr. 1

Recensie van D.K. McKim (red.), The Cambridge Companion to Martin Luther, in: Ars Disputandi [online journal], www.arsdisputandi.org

Recensie van B. Loonstra, God schrijft geschiedenis. Disputaties over de Eeuwige, Zoetermeer: Boekencentrum 2003, in: Areopagus, nieuwe jaargang 8 (2004)  

Landelijke dagbladen

Kletspraat in de kathedraal, in: Trouw, 29 juli 2004.

2003

Boek

W.M. Dekker e.a., Levenswijsheid volgens Prediker (Bijbelstudie), Amersfoort: IZB 2003. ISBN 90 75535 430

Artikelen

Immanuël. Eberhard Jüngel over het zijn van God, in: Areopagus nieuwe jaargang 7 (2003), nr. 1, 30-33.

Eén in het lijden. Van de Beek over Israël als het volk rondom Jezus Messias, in: Areopagus nieuwe jaargang 7 (2003), nr 2, 40-43.

2002

Recensies

Recensie van A. van de Beek, Gespannen liefde, De relatie van God en mens, Kampen 2000, in: Areopagus nieuwe jaargang 6 (2002), nr. 1, 36-37.

2001

[geen]

2000

Artikelen

‘Slotantwoord aan amicus Pleizier’, Vox Voetianorum 23 (1999-2000), Bijlage bij nr 3:  ‘Theologie en logica’, 16-18

‘Slotantwoord aan amicus Schouten’, Vox voetianorum 23 (1999-2000), Bijlage bij nr. 3: Theologie en logica’, 19-21

‘Communicatio idiomatum’, Vox Voetianorum 23 (1999-2000), Bijlage bij nr. 3: ‘Theologie en logica’, 44-45

‘Kerk en cultuur’, Vox Voetianorum 23 (1999-2000), 5, 7-13

Recensies

Recensie van F. H. Breukelman, Biblische Theologie II, Debharim, der biblische Wirklichkeitsbegriff, Kampen 1998, in: Vox Voetianorum 23 (1999-2000), 3, 32-33

Praesidiaaltjes

‘Dominee voor de onkerkelijken’, Vox Voetianorum 23, 3, 4-5

‘Ode aan mijn zoon’, Vox Voetianorum 23, 4, 4-5

‘Hermeneutiek’, Vox Voetianorum 23, 5, 4-5

‘Eros ontwortelt mijn hart’, Vox Voetianorum 23, 6, 4-5

1999

Artikelen

‘Het primaat van de feiten. Over de ontoereikendheid van logica en rationaliteit in de theologie II’, Vox Voetianorum 22 (1998-1999), 4, 8-20.

‘Een kwestie van interpretatie? Een inleiding in het probleem van de moderne hermeneutiek’ (praesidiale rede), Vox Voetianorum 23 (1999-2000), 2, 6-18.

‘Een Veluwse jongen’, in: Smelt, L. W. (red.), Gaan voor Gods gemeente. Ds. W. Dekker als denker, herder, wekker. Bij zijn afscheid als gemeentepredikant, Wezep 1999, 23-30.

‘Heilzaam’, Reformatorisch Dagblad 30 september 1999, pagina 17 (n.a.v. 100 jaar Voetius)

‘Stel alle vragen in de ruimte van de kerk’, Nederlands Dagblad 28 december 1999, pagina 7

‘Inleidend artikel’, in: Jaarthemamap Voetius 1999-2000: ‘Hermeneutiek’

‘Voorwoord’, in: Conferentiemap Voetius 1998-1999: ‘Het gebed’

Recensie

Recensie van Edith van den Goorbergh en Theo Zweerman, Was getekend: Franciscus van Assisi. Aspecten van zijn schrijverschap en brandpunten van zijn spiritualiteit, Assen 1998, in: Areopagus nieuwe jaargang 3 (1999), nr. 3, 27-28.

Recensie van F. H. Breukelman, Bijbelse Theologie IV/2, Theologische opstellen, Kampen 1999, in: Areopagus nieuwe jaargang 3 (1999), nr. 4, 26-27. 

Columns

‘Communicatie’, Vox Voetianorum 22 (1998-1999), 3, 6

‘Sneeuw’, Vox Voetianorum 22 (1998-1999), 4, 7.

‘Reframing’, Vox Voetianorum 22 (1998-1999), 5, 12.

‘Groen en Paars’, Vox Voetianorum 22 (1998-1999), 6, 7.

Praesidiaaltje

‘De kerkvergadering’, Vox Voetianorum 23 (1999-2000), 2, 4-5.

Interviews

‘Dat is gewoon zo’, De Groene Amsterdammer 123 (1999), 20, 20-21. (interview met Erik de Bas, Bas Bakelaar, Hans Schaap en mij)

‘Studentendispuut Voetius is geen veilig gereformeerd hol’, Trouw 7 oktober 1999 (n.a.v. 100 jaar Voetius; interview met dr. Noordegraaf, Rosaliene Israël en mij)

‘Voetius moet zich blijvend bewijzen’, Nederlands Dagblad 7 oktober 1999 (n.a.v. 100 jaar Voetius; interview met Leneke Marchand en mij)

1998

Artikelen

‘Sola Scriptura, Over de ontoereikendheid van logica en rationaliteit in de theologie’, Vox Voetianorum 22 (1998-1999), 1, 27-31

‘Waarlijk gereformeerd’, Vox Voetianorum 22 (1998-1999), 2, 55-56.

Recensies

Recensie van de film ‘Left luggage’, in: Windstreken 19 (1998), 1, 16-17.

Recensie van Milan Kundera, Identiteit, Amsterdam: Ambo 1998, in: Windstreken 19 (1998), 2, 16-17.

Recensie van Milan Kundera, Identiteit, Amsterdam: Ambo 1998, in: Vox Voetianorum 22 (1998-1999), 1, 43-45.

Columns

‘Uw Koninkrijk kome’, Vox Voetianorum 22 (1998-1999), 1, 16.

‘Het NBV’, Vox Voetianorum 22 (1998-1999), 2, 19.

1997

Artikelen

‘Onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in U. Over religie en openbaring’, Vox Voetianorum 21 (1997-1998), 1, 49-53.

Recensies

Recensie van R. E. Friedman, De verdwijning van God. Een goddelijk mysterie, Baarn: Ten Have 1996, in: Areopagus nieuwe jaargang 1 (1997), nr. 3, 58-60. 

Recensie van R. Dorrestein, Want dit is mijn lichaam, 1997, Vox Voetianorum 20 (1996-1997), 6, 28-30.

Meditaties

Meditatie over Jesaja 61:3, Vox Voetianorum 20 (1996-1997), 3, 2-3

Solo verbo. Over de preek als Woord van God

Uitwerking van een workshop gehouden voor Areopagus, centrum voor prediking (IZB).

1.    Inleiding

In een tijd waarin de preek onder druk staat, zowel binnen als buiten de kerk, is het nodig terug te keren naar de vraag wat een preek in theologisch opzicht eigenlijk is. Niet de stijl, de vorm of de lengte is daarbij doorslaggevend, maar de vraag naar de aard van de preek: is zij enkel menselijke communicatie over het goddelijke, of kan zij zelf gestalte zijn van Gods spreken? Dit artikel verkent die vraag vanuit de klassieke belijdenis predicatio Verbum Dei est Verbum Dei, en brengt haar in gesprek met reformatorische en moderne theologische tradities (Luther, Calvijn, Schleiermacher, Barth), met hedendaagse taalfilosofische gevoeligheden, en met een verrassende verwantschap aan de kunst. Wat staat er op het spel als wij blijven zeggen dat de preek Woord van God is?

2.    Prediking als kunst en waagstuk: Sam Dillemans

Om de existentiële spanning van het preken als Woord van God voelbaar te maken, wil ik een korte omweg maken via de Vlaamse schilder Sam Dillemans. In een fragment op YouTube vertelt hij hoe hij zijn werk, zijn roeping beleeft. Daarin klinkt een eerbied voor het vak, een besef van onvermogen, en een diepe verbondenheid met de traditie. “Ik meet mij met de grote kunstenaars en daarom leef ik altijd met een zeer gezonde frustratie,” zegt hij. Hij legt de lat bewust zó hoog, dat hij er per definitie niet overheen kan.

Dat lijkt mij een eerste, fundamenteel uitgangspunt voor de prediking. De preek is een waagstuk dat de prediker per definitie te boven gaat. Dat inzicht is kernachtig verwoord door K.H. Miskotte, in het spoor van Barth. Waar theologie spreken óver is, is preken zelfs spreken vanuit of namens God. Van een theologische uitspraak kunnen we nooit zeggen dat deze Woord Gods is, maar van de preek belijden we dat juist wel: predicatio Verbum Dei est Verbum Dei (Confessio Helvetica)..

3.    Preek en ambt: de prediker als bemiddelaar

Sterker nog: dit ‘hoge’ slaat volgens de gereformeerde traditie niet alleen op de preek, maar ook op de prediker zelf. Als de Catechismus van Genève (vraag 103) de vraag stelt: “Is het nodig dat er predikanten zijn?”, dan is het verbluffende antwoord: “Ja, en ook, dat men naar hen luistert en in ootmoed de leer des Heren van hen aanneemt. Wie hen minacht en weigert hen te horen, verwerpt Jezus Christus en scheidt zich af van de gemeenschap der gelovigen. Matth 10:40; Lk 10:16: ‘Wie naar u luistert, luistert naar Mij; wie u verwerpt, verwerpt Mij.’”

Calvijn laat hier goed zien dat de Reformatie het priesterlijke, tussen God en mens bemiddelende van het ambt maar in beperkte zin heeft opgeheven. Of beter gezegd: in het geheel niet opgeheven, maar verplaatst – van sacrament naar prediking. De middeleeuwse priester bemiddelt tussen God en mens door het hanteren van de zeven sacramenten. Dit is een hoog ambt, maar het slaat niet zo op zijn persoon terug, omdat geen van die sacramenten een eigen creatie is. De sacramenten werken ex opere operato, onafhankelijk van de waardigheid van de ambtsdrager.

De Reformatie legt de bemiddeling daarentegen in de verkondiging. De prediking wordt het eigenlijke sacrament. Dit sacrament is echter tegelijk een soort van kunstwerk: gevormd binnen kaders, maar gedragen door persoonlijke inzet. De prediker is niet slechts middel, maar ook maker. Die spanning is zichtbaar in de dagboeken van Miskotte: een slechte preek is niet slechts een mislukte uitvoering, maar een persoonlijk falen. Dat is een van de prijzen die betaald worden voor het persoonlijker worden van het geloof in de Reformatie.

De prediker leeft daarom met een nog diepere frustratie dan de kunstenaar. Zijn onvermogen is principieel. In die zin heeft een dominee de neiging om na de preek weg te kruipen in de kansel. Na het amen volgt vaak het besef: het was niet goed genoeg. Zelfs: ‘vergeef me’, zoals Jaap Zijlstra het uitdrukt in een aangrijpend gedicht over de kerstpreek.

Van Sam Dillemans kan een dominee veel leren, en de basis daarvan is dat kunst en prediking vergelijkbare activiteiten zijn. De preek is zoals het schilderij een werkstuk – niet willekeurig, maar gevormd binnen een traditie, met vakmanschap en eerbied. “Rembrandt was vroeger? Nee, Rembrandt is morgen,” zegt Dillemans. Zo ook is de prediker geen eenling, maar staat hij in een lange traditie van mensen die het onmogelijke probeerden. Dat is troostvol: de last van het ambt rust niet alleen op zijn schouders. En tegelijk: het witte papier blijft dreigen. “Een wit doek is het ergste waar je als kunstenaar voor kunt staan.”

Daarin raken kunst en prediking ook het geheim van de transcendentie. Dillemans zegt: “We moeten ook op de kniën kunnen vallen voor iets of voor iemand.” Die houding van eerbied, van besef dat wat wij doen ons overstijgt, is wezenlijk voor zowel de schilder als de prediker. In dat opzicht is het beeld van de schilder niet alleen illustratief, maar structureel verwant aan het theologisch verstaan van de preek als Woord van God.

4.     De preek en God

Het feit dat kunst én prediking beide gedragen worden door een transcendentiebesef, betekent niet dat we ons niet meer hoeven af te vragen over wat voor soort transcendentie het hier gaat. Een kunstenaar zou wellicht genoegen kunnen nemen met een vage transcendentie; een wind waarvan hij niet precies weet ‘vanwaar hij komt of waar hij heen gaat’. De ervaring dát hij niet anders kunstenaar kan zijn dan ín en door inspiratie is hem genoeg.

Voor de preek geldt iets anders, omdat we van haar belijden dat zij zelf gestalte van het Woord Gods is. Die belijdenis roept allereerst de vraag op wat wij onder “God” verstaan. Is “God” voor ons een stijlfiguur, een verheven predicaat dat wij toekennen aan bijzondere menselijke ervaringen? Of is God het subject – de levende, sprekende Ander die ons aanspreekt?

In ons taalgebruik schuilt een subtiel maar wezenlijk verschil. We kunnen spreken van “een goddelijke toespraak” of “een goddelijk moment” – waarbij “goddelijk” niet meer betekent dan: uitzonderlijk, subliem, het hoogst bereikbare. In dat geval is God een menselijke projectie geworden, een woord voor het allerbeste dat wij zelf kunnen voortbrengen. Maar als we daarentegen zeggen dat God spreekt, dan is God niet het predicaat van ons spreken, maar het subject ervan. Dan is Hij degene die het initiatief neemt, die zich meedeelt, die ons aanspreekt.

Dat is de bijbelse beweging: Deus dicens, zoals Luther zegt. De eerste daad van God in de Schrift is spraak: “En God zei…” (Gen. 1:3). De schepping is een gevolg van Gods spreken. De profeten verkondigen: “Zo zegt de HEER.” Jezus is het vleesgeworden Woord (Joh. 1:14). En de Geest is niet te scheiden van dit Woord dat klinkt. Het geloof in een sprekende God is dus niet een bijzaak, maar het hart van het christelijk geloof. Alleen een persoonlijke, levende God kan spreken – kan aanspreken, beloven, oordelen, troosten.

Daarom is het niet zonder gevolgen wanneer in de kerk de notie van Gods spreken verdampt. Waar de Schrift wordt herleid tot geloofservaringen van mensen, waar de Bijbel slechts gelezen wordt als literatuur, daar verliest ook de preek haar sacramentele karakter. Dan is zij niet langer plaats van ontmoeting, maar hooguit van reflectie of bezinning.

Hier ligt ook het belang van een onderscheid dat Søren Kierkegaard scherp onder woorden heeft gebracht: het verschil tussen een genie en een apostel. Een genie, zegt hij, is een mens met uitzonderlijke gaven. Hij is zijn tijd vooruit, schept uit zichzelf, spreekt met originele kracht – maar hij spreekt uit de aarde. Een apostel daarentegen hoeft geen genie te zijn. Hij kan een mens zonder uitzonderlijke talenten zijn, maar hij spreekt vanuit een andere werkelijkheid. Zijn gezag ligt niet in zijn menselijkheid, maar in zijn roeping. Hij spreekt niet omdat hij briljant is, maar omdat hij gezonden is. En wat hij zegt is niet nieuw omdat hij het bedacht heeft, maar omdat het hem gegeven is. De apostel spreekt het Woord dat van buiten komt – en dat toch steeds opnieuw verrassend en vernieuwend is. Hij spreekt de paradox uit: dat het eeuwige in het tijdelijke verschijnt, dat het goddelijke zich verbergt in het menselijke, dat het Woord van God klinkt in woorden van mensen.

Wie zo spreekt, spreekt dus niet vanuit genialiteit, maar vanuit gehoorzaamheid. En wie zo luistert, luistert niet naar een begaafde spreker, maar naar een stem die hem tot verantwoording roept. Daarom kan de preek niet begrepen worden zonder een theologie van het spreken van God. En daarom kan de prediker zich ook niet beroemen op zijn eigen begaafdheid. Hij staat – net als de apostel – in dienst van een ander. Zijn woord kan pas Woord van God worden als God zelf spreekt. Of, in Barths terminologie: de preek is slechts dan Woord van God wanneer God het wil – als vrije daad van zijn Geest.

Dat betekent ook dat de preek altijd iets vreemd en onwaarschijnlijk behoudt. Ze is een gebeuren dat zich niet laat controleren, niet volledig laat voorbereiden, niet past binnen onze menselijke categorieën. Ze is niet allereerst informatieoverdracht, maar een confrontatie. Niet een uitleg, maar een Anrede. En wie werkelijk hoort, hoort niet de stem van een genie, maar de echo van een Ander – het Woord dat in de mensentaal op ons toekomt.

5.     De preek en de bijbel

Wanneer wij met de kerk belijden dat in de prediking het Woord van God klinkt, dan houdt dat méér in dan een uitspraak over de samenkomst of de predikant. Het is vooral een uitspraak over een onderliggend verband: tussen preek en Schrift. De preek kan slechts als Woord van God worden verstaan, wanneer zij geworteld blijft in de Schrift als Woord van God. Anders gezegd: zonder een theologische Schriftvisie is het onmogelijk om een theologisch gefundeerde preekvisie overeind te houden.

In veel huidige kerkelijke contexten is dit juist het knelpunt. De Schrift wordt benaderd als historische bron, als cultuurdocument, of als verzameling religieuze ervaringen – maar zelden nog als het levende Woord van God dat spreekt tot ons. Als die verlegenheid met de Schrift doorsijpelt in de prediking, ontstaat een vacuüm. Want als de Bijbel slechts menselijke woorden bevat, hoe zou dan de preek – die daar immers van afhankelijk is – als Woord Gods kunnen functioneren? Als de predikant zelf de Schrift niet met verwachting opent, waarom zouden de hoorders dan in de preek een stem van de levende God herkennen?

Een ervaringstheologische visie op de Schrift – waarin de Bijbel wordt beschouwd als neerslag van uitzonderlijke geloofservaringen – is onvoldoende om de aanspraak van het Woord in de preek te dragen. Dan blijft het goddelijke beperkt tot ons innerlijk, tot onze projectie, en verdwijnt het initiatief van God uit zicht. Wat overblijft, is slechts de mens die naar zijn hogere ik luistert en daarover verslag doet.

De klassieke theologische traditie biedt hier een steviger fundament. Twee hoofdsporen tekenen zich af. Het eerste is het reformatorische: de Schrift is het Woord van God – maar dan niet in de zin van een gesloten systeem of een verzameling goddelijke feiten, maar als een levend getuigenis dat ons aanspreekt, in het heden. Het Woord komt tot ons in de gestalte van een boek, maar het is méér dan tekst alleen: het is Anrede, het is belofte, het is beluisterd spreken. Het tweede spoor vinden we bij Karl Barth: de Schrift wordt Woord van God, wanneer en waar de Geest dat wil. De Bijbel is dan het door God gewilde middel, maar pas in het concrete spreken van God zelf wordt het een levend Woord – ook in de preek. In beide gevallen blijft de preek geen autonoom gebeuren, maar afgeleid, geworteld in de openbaring die aan haar voorafgaat.

Een preek die zich van de Schrift loszingt, verliest het karakter van Woord Gods. Zij mist dan de bron, het gezag, de belofte. Een preek die de Schrift slechts uitlegt als cultuurproduct, zal ook zelf slechts cultuurproduct zijn. En een gemeente die leert luisteren naar de preek als Woord van God, moet eerst en vooral leren luisteren naar de Schrift als Woord van God.

Daarom is elke preek ook een Schriftuitleg – maar dan een uitleg die niet slechts informeert, maar die appelleert, die aanspreekt. Want het Woord van God is geen neutrale mededeling, maar een levend spreken dat ons raakt, provoceert en heelt. De Schrift is geen archief, maar de stem van de levende God – en alleen in die overtuiging kan ook de preek weer klinken als Woord van God.

6.     De preek en het ambt

Wie de preek wil verstaan als Woord van God, moet niet alleen iets belijden over de Schrift, maar ook over het ambt. De preek is immers geen neutraal woord in een willekeurige ruimte, maar een gebonden woord in een concrete context: een prediker, een gemeente, een eredienst. De klassieke gedachte dat het ambt een sacramenteel karakter heeft – hetzij substantieel, hetzij functioneel gedacht – is dan ook wezenlijk voor een theologisch verstaan van de prediking.

In de traditie is het ambt nooit slechts een beroep of een taak geweest, maar een bediening. De ambtsdrager is iemand die onder gezag staat, en zelf ook gezag draagt – niet op grond van zijn persoonlijkheid of charisma, maar op grond van zijn roeping en zijn inwijding in het Woord. Dat gezag berust op een dubbele fundering. Allereerst: de predikant is opgeleid tot Schriftuitlegger, bekend met de grondtalen en de traditie, geoefend in het onderscheiden van Schrift en Schriftuitleg. Daarmee is het ambt niet slechts geestelijk, maar ook intellectueel. En ten tweede: het ambt gaat uit boven de persoon en zijn competentie. Het is meer dan een functie, het is een vorm van vertegenwoordiging. Niet de persoon draagt de preek, maar het ambt – zoals het uniform de politieagent gezag verleent, ongeacht zijn privéleven.

Juist deze dubbele fundering staat vandaag sterk onder druk. Enerzijds zien we een toenemende verlegenheid met gezag: de predikant wil niet meer boven de gemeente staan, maar er middenin – als begeleider, als gesprekspartner, als ‘mens tussen de mensen’. Anderzijds kalft ook de kennisbasis af: het belang van theologische scholing wordt gerelativeerd, de prediking raakt meer en meer verweven met persoonlijke ervaring, actualiteit en gevoel. De predikant wordt dan minder heraut van het Woord, en meer curator van betekenisvolle zingeving.

Maar een predikant zonder ambtsbesef, zonder besef dat hij namens een Ander spreekt, kan ook geen Woord Gods verkondigen. De preek wordt dan afhankelijk van zijn of haar inspiratie, betrokkenheid of overtuigingskracht – en verliest daarmee haar karakter van aanspraak van de levende God. De gemeente zal dan ook niet meer verwachten dat God spreekt, maar hooguit hopen dat de preek iets zegt dat raakt.

Wie echter vasthoudt aan het geloof in een sprekende God, moet ook geloven in een ambt dat in dienst staat van dat spreken. De predikant is geen religieus ondernemer, geen zinfluencer, geen geestelijk coach, maar een gezonden bode – en dus ook een hoorder, iemand die leeft onder het Woord. De waardigheid van het ambt ligt niet in de persoon, maar in de opdracht: dat hij of zij in alle menselijke gebrokenheid toch spreken mag met het gezag van het Woord.

Daarom kan het Woord ook in zwakheid krachtig zijn. Niet de welsprekendheid van de prediker maakt een preek tot Woord Gods, maar Gods eigen handelen door het ambt heen. En wie zo spreekt, weet zich tegelijk bevrijd van de druk om het Woord zelf te maken – en gebonden aan de ernst van wat hem is toevertrouwd. In het ambt gaan vrijheid en gehoorzaamheid samen: vrijmoedigheid om te spreken, omdat het Woord niet van jou is; gehoorzaamheid om te spreken, omdat het Woord door jou heen klinkt.

7.     Tussenbalans

Wat leert het voorgaande ons over de situatie van de prediking vandaag? Wat staat er op het spel wanneer wij – misschien aarzelend, misschien nog slechts in formuleringen – blijven zeggen dat de preek Woord van God is?

Het antwoord is: er staat veel op het spel. De crisis van de prediking is namelijk geen losstaand fenomeen, geen incidentele verlegenheid van voorgangers of een veranderende smaak van gemeenteleden. Ze is symptoom van een dieper liggende, structurele drievoudige crisis: een crisis van het godsbegrip, een crisis van de Schriftvisie, en een crisis van het ambtsbesef. Deze drie hangen nauw samen en versterken elkaar. De één kan niet hersteld worden zonder de andere twee mee te nemen.

Deze drie crises vormen samen wat men zou kunnen noemen: de innerlijke secularisatie van de kerk. Niet door tegenstand van buitenaf, maar door erosie van binnenuit verdwijnt het geloof in de prediking als Woord van God. En daarmee dreigt het hart van de eredienst leeg te raken. De preek verliest haar sacramentele karakter, wordt gereduceerd tot menselijke communicatie, en raakt haar vermogen kwijt om werkelijk te raken, te richten, te oordelen en te troosten.

Ergo: wie iets wil doen aan de crisis van de prediking, moet dieper graven. Het gaat niet om stijl, lengte, taalniveau of mediavaardigheid. Het gaat om theologie. Alleen waar opnieuw geloofd wordt in een levende, sprekende God; waar de Schrift opnieuw wordt geopend als getuigenis van zijn Woord; en waar het ambt opnieuw wordt verstaan als bediening van dat Woord – alleen daar kan ook de preek weer klinken als Woord van God. Anders niet.

8.     Preek en Woord Gods: de rooms-katholieke traditie

Wanneer de Confessio Helvetica met klem stelt dat de preek het Woord Gods is – “Predicatio Verbum Dei est Verbum Dei” – lijkt ze te verwijzen naar het ‘is’ van de eucharistie: “Hoc est corpus meum” (Matth 26:26, Vulgaat). Vindt hier inderdaad een verschuiving plaats van de sacramentaliteit van de eucharistie naar de sacramentaliteit van de preek? En hoe is dit ‘is’ in de loop der eeuwen dan verstaan? In het vervolg van dit artikel ga ik dat na in de verschillende westerse tradities.

Binnen de rooms-katholieke traditie wordt het heil primair bemiddeld via de sacramenten, en dan met name door de eucharistie. Het woord heeft zeker een plaats – denk aan de homilie – maar deze is ondergeschikt aan de sacramentele handeling. De werkingskracht van het sacrament is gegrond in de overtuiging dat het werkt ex opere operato: het sacrament bewerkt wat het betekent, los van de waardigheid, de concentratie of zelfs het geloof van de celebrant of ontvanger. De kern ligt niet in menselijke overgave, maar in goddelijke trouw. Het is Gods werk, niet dat van mensen.

De prediking daarentegen valt in deze visie niet onder dezelfde orde. Zij werkt niet automatisch, maar ex opere operantis: haar werking is afhankelijk van degene die preekt – zijn geloof, zijn voorbereiding, zijn overgave. De preek is in deze traditie dus eerder menselijk dan sacramenteel van aard. Zij begeleidt het heil, zij legt het uit, zij roept op – maar zij doet het heil niet. Dat blijft voorbehouden aan het sacrament, waarin Christus werkelijk aanwezig is.

Tegelijk is er in de katholieke liturgische vernieuwing van de twintigste eeuw – met name sinds Vaticanum II – wel sprake van herwaardering van de Schriftlezing en de verkondiging. Toch blijft het fundamentele onderscheid bestaan: in de eucharistie spreekt Christus zélf, in de homilie spreekt de priester over Hem. De preek begeleidt het sacrament, zij is niet het sacrament zelf.

9.    Preek en Woord Gods: Luther

Bij Maarten Luther zien we een opvallende herschikking. Hij behoudt het sacrament als reëel heilsmiddel, maar voegt daaraan iets fundamenteel nieuws toe: het Woord – de verkondiging – is zelf heilsmiddel. Voor Luther is de preek meer dan een uitleg of een aanmoediging. Zij doet wat zij zegt. In het Woord komt Christus zelf tot ons. Daarom zegt Luther dat de predikant, wanneer hij het evangelie verkondigt, niet om vergeving hoeft te vragen: hij heeft immers Gods eigen Woord gesproken. En dat Woord is niet aan ons onderworpen, het vraagt geen menselijke toestemming.

In dat licht begrijpt Luther het beroemde “est” in de woorden van Christus: “Dit is mijn lichaam.” Zo zeker als het brood in het Avondmaal werkelijk lichaam van Christus is, zo zeker is het Woord in de preek werkelijk Woord van God – niet symbolisch of figuurlijk, maar werkelijk en tegenwoordig. Gerrit de Kruijf formuleerde het sprekend: “In de preek wordt het heil als een hostie op de tong gelegd.” De preek is dus meer dan verkondiging van een boodschap: het is communicatie van genade, bemiddeling van Christus zelf. God handelt in de preek niet ‘met het Woord’ (cum verbo), maar ‘door het Woord’ (per verbum). Wel maakt Luther nog een ander onderscheid, om God en het Woord niet volledig te laten samenvallen. Dat is het onderscheid tussen de gepredikte God – deus praedicatus – en de verborgen God – deus absconditus. Dit onderscheid is reëel, ook de verborgen God is reëel, Hij handelt maar al te duidelijk, namelijk in alles wat gebeurt. Maar deze God gaat ons in de prediking niets aan. Dan prediken we de deus predicatus, dan prediken we Christus, de genade. Door dit gepredikte Woord is dit goddelijke Woord werkelijk bij ons.

Toch blijft bij Luther de menselijke zwakheid niet buiten beeld. Het Woord komt tot ons “onder de gestalte van het kruis” – het is een dwaas woord, een arm woord, dat zich verbergt in menselijke taal en menselijke zwakheid. Maar dat neemt de kracht van het Woord-zijn niet weg. Sterker nog: daarin ligt juist zijn goddelijke kracht.

10. Preek en Woord Gods: de gereformeerde traditie

De gereformeerde traditie neemt veel over van Luther, maar met een belangrijk accentverschil. Ook hier is het Woord heilsmiddel. Maar anders dan bij Luther wordt het niet vanzelf werkzaam gedacht. Het Woord werkt niet per se (per verbum), maar cum verbo: met het Woord moet de Geest meekomen, én geloof. De preek is een krachtig middel van genade, maar geen automatisch werkend kanaal. De werking van de Geest is essentieel. Daarom kan de preek ook afsluiten – het hemelrijk toesluiten, zoals de Heidelbergse Catechismus (zondag 31, vraag 84) zegt.

De gereformeerde prediking is dus tweesnijdend. Zij belooft vergeving aan wie gelooft – persoonlijk en gemeenschappelijk – en zij betuigt Gods toorn aan wie zich niet bekeert. Er is sprake van verkondiging met gezag, met echte werking – maar die werking is afhankelijk van het verband tussen Woord, Geest en geloof. Niet het menselijke woord is doorslaggevend, maar de goddelijke werking door dat woord heen.

Dat betekent ook dat in de gereformeerde traditie grote nadruk ligt op de verantwoordelijkheid van de hoorder. De preek is geen neutrale informatie, maar een goddelijke aanspraak: wet en evangelie, belofte en dreiging. Het Woord is niet alleen verkondiging, maar oordeel. En juist daarin blijkt zijn goddelijke kracht: het is niet vrijblijvend, het vraagt een antwoord. De preek is niet slechts een uitleg van de Schrift, maar het eigenlijke gebeuren waarin het Woord van God zich wendt tot het hart van de mens – met kracht, met ernst, met belofte.

11.  Schleiermacher: de preek als uitdrukking van religieuze ervaring

Friedrich Schleiermacher (1768–1834) geldt als de vader van de moderne protestantse theologie. Zijn invloed op het westerse theologische denken kan nauwelijks worden overschat. Zijn project was niets minder dan het opnieuw doordenken van de religie in het licht van de moderniteit. In een tijd waarin de metafysische zekerheden van het oude theïsme afbrokkelden, richtte hij zich op de innerlijke ervaring als grond van religieus bewustzijn.

Voor Schleiermacher is religie in wezen geen leer, geen openbaring en geen cultus, maar een gevoel: het “absoluut afhankelijkheidsgevoel”, het diepe besef dat wij ons leven niet uit onszelf hebben. In die lijn wordt ook de figuur van Jezus niet allereerst verstaan als Zoon van God in ontologische zin, maar als degene die dit religieuze bewustzijn op volmaakte wijze belichaamt. Hij is de ultieme gelovige – degene die het volkomen “Gottesbewusstsein” bezit.

Tegen deze achtergrond wordt ook de preek begrepen. Zij is geen goddelijk Woord dat op ons afkomt, maar een menselijke uiting van innerlijke ervaring. De predikant getuigt van wat hij in zichzelf beleefd heeft, en nodigt de hoorder uit om dat te herkennen. Het gezag van de preek berust niet op een objectieve openbaring, maar op de echtheid van de ervaring die erin doorklinkt.

In Schleiermachers benadering verdwijnt daarmee het Woord als Anrede, als belofte, als confrontatie van buitenaf. Er is geen sprake meer van het Woord dat komt, maar van een woord dat opwelt uit de diepte van de menselijke geest. Wat resteert is een preek die getuigt van de hoogte en diepte van het religieuze gevoel – maar niet meer van de vrijheid van God die ons in zijn spreken verrast en onderbreekt.

Daarmee verliest de prediking haar karakter van openbaring. Zij wordt expressie in plaats van aanspraak, ervaring in plaats van belofte. En daarmee is ook het beslissende onderscheid tussen een genie en een apostel verdwenen: er resteert slechts de geniale vertolker van religieus bewustzijn – maar niet meer de gezonden getuige van Gods Woord.

12.  Barth: het Woord als gebeurtenis in vrijheid

Karl Barth (1886–1968) is te verstaan als een radicale correctie op de lijn-Schleiermacher. In zijn theologische revolte – ingezet met de Römerbrief (1919/1922) – keert hij zich juist tegen elke poging om God vanuit de menselijke ervaring te begrijpen. God is niet in ons, maar tegenover ons. Hij is de gans Andere, die ons tegemoetkomt in zijn openbaring. En die openbaring is geen projectie, maar confrontatie.

Barths theologie van het Woord is gefundeerd in zijn leer van de openbaring. In de beroemde these van de Barmer Theologische Verklaring (1934) klinkt het zo: “Jezus Christus, zoals Hij ons in de Heilige Schrift wordt betuigd, is het ene Woord van God, dat wij te horen, dat wij in leven en sterven te vertrouwen en te gehoorzamen hebben.” Dit Woord komt tot ons in drie gestalten: in Jezus Christus zelf, in de Heilige Schrift die van Hem getuigt, en in de prediking die op grond van die Schrift verkondigd wordt.

Toch maakt Barth daarbij steeds een belangrijk voorbehoud: noch de Schrift, noch de preek zijn vanzelf Woord van God. Ze kunnen dat worden – als en wanneer God het wil. Alles is afhankelijk van Gods vrijheid, van zijn Geest, die spreken doet. De prediking is dus secundair getuigenis, afgeleid, en nooit in zichzelf dragend. Zij is een menselijke poging om getuige te zijn van het goddelijke Woord – en zij wordt pas werkelijk preek, wanneer God daarin spreekt.

Hierdoor verschuift bij Barth het accent van het est naar het fiat. Niet: dit is Woord van God, maar: moge het Woord Gods daarin gebeuren. De preek is een riskant gebeuren, geen zekerheid. Maar juist in die onzekerheid wordt Gods vrijheid geëerd. Alleen Hij kan spreken – en Hij doet dat ook, maar op zijn tijd, in zijn wijze, in zijn Geest.

Sommigen hebben Barth verweten dat hij daarmee de sacramentaliteit van de prediking ondermijnt. Is de preek nog wel Woord Gods, als dat pas achteraf gezegd kan worden? Toch ligt hier ook een diep respect voor de menselijkheid van de prediking. Het Woord komt tot ons in menselijke taal, maar is daaraan niet gebonden. De preek blijft wat zij is: een menselijke poging, die slechts in Gods genade werkelijk Woord kan worden.

Bij Barth is de preek dus geen resultaat van ervaring (zoals bij Schleiermacher), maar een gebeuren in vrijheid. Zij komt niet uit de mens op, maar op de mens af. Zij is geen echo van innerlijkheid, maar een onverwachte onderbreking van boven. En precies daarin is zij – soms verrassend, soms verborgen – een gestalte van het Woord Gods.

13.  De postmoderne situatie: taal, werkelijkheid en het Woord

De vraag of de preek het Woord van God kan zijn, is onlosmakelijk verbonden met de vraag wat taal is – en wat zij vermag. In de klassieke, premoderne theologie werd taal opgevat als verwijzend: woorden stonden in een stabiele verhouding tot een werkelijkheid buiten zichzelf. God sprak, en mensen konden dat verstaan. Maar in de postmoderne context is dat vanzelfsprekende vertrouwen op de transparantie van taal grondig aangetast. De vraag is niet langer: wat bedoelt dit woord?, maar: wat doet het? En: is er überhaupt nog een werkelijkheid waarover gesproken wordt?

In deze context hebben denkers als Wittgenstein en Heidegger het taalbegrip fundamenteel herijkt. De vroege Wittgenstein (in de Tractatus) zag taal nog als afbeelding van werkelijkheid. Maar de latere Wittgenstein (in de Philosophical Investigations) stelt dat de betekenis van woorden slechts te vinden is in hun gebruik binnen een taalspel. Er is geen directe brug meer van woord naar wereld, slechts functioneren binnen contexten. Heidegger gaat nog verder: “Die Sprache ist das Haus des Seins” – de taal is niet langer middel tot communicatie, maar de plaats waar zijn verschijnt. Taal is geen venster naar een achterliggende werkelijkheid, maar de ruimte waarin wij überhaupt iets als werkelijkheid kunnen ervaren.

Op het eerste gezicht lijkt deze ontwikkeling funest voor het klassieke geloof in een God die spreekt. Want als er geen werkelijkheid buiten de taal is, hoe kan God dan van buitenaf tot ons spreken? Als woorden slechts menselijke constructies zijn, hoe kan dan een Woord van God doorbreken?

Toch is het precies hier dat de theologie haar eigen spreken opnieuw kan doordenken – en zelfs herwinnen. Juist wanneer we niet meer vertrouwen op de transparantie van taal, kunnen we de preek opnieuw verstaan als een gebeurtenis die zich in de taal voltrekt, zonder er volledig in op te gaan. Eberhard Jüngel, sterk beïnvloed door Barth én Heidegger, spreekt dan ook van “das Wort als Ort des Seins Gottes”. Niet: het Woord verwijst slechts naar God, maar: in het Woord komt God ons nabij. Het Woord is niet slechts betekenis, maar aanwezigheid.

In deze visie is de preek niet langer een uitleg over God, maar een gebeurtenis waarin God zichzelf ter sprake brengt. Niet achter de taal verschijnt God, maar in het spreken zelf – daar, waar de gemeente verzameld is, waar de Schrift geopend wordt, waar het Woord klinkt. De prediking is dan een liturgische daad, een gebeuren dat plaatsvindt in het spanningsveld van menselijk spreken en goddelijke presentie.

Tegelijk is deze theologische herwaardering van het spreken niet blind voor de broosheid van het woord. Integendeel. Juist in een tijd waarin het grote verhaal verdacht is geworden, wordt het des te belangrijker om te erkennen dat het Woord Gods zich niet opdringt, maar zich geeft in zwakheid – als een “arm mannetje in de nacht” (Lucebert). De kracht van het Woord ligt niet in zijn luidheid, maar in zijn trouw. Niet in zijn transparantie, maar in zijn volgehouden aanwezigheid.

De postmoderne taalopvatting biedt daarom niet alleen bedreigingen, maar ook kansen. Zij leert ons het Woord te zien als gebeurtenis, als presentie, als gebroken glans van een spreken dat ons overstijgt. En precies daarin – in die bescheidenheid, in die broosheid – kan opnieuw ruimte ontstaan voor het geloof dat de preek, ondanks alles, toch Woord van God kan zijn.

14.  Het tegoed van de Lutherse traditie

In het licht van het voorgaande komt de Lutherse traditie in beeld als een theologische bron die verrassend goed aansluit bij zowel de klassieke noties van het spreken van God als bij postmoderne gevoeligheden rond taal, aanwezigheid en verborgenheid. Waar de rooms-katholieke traditie het Woord van God vooral lokaliseert in de sacramentele handeling, en waar de gereformeerde traditie nadrukkelijk het verband zoekt tussen Woord, Geest en geloof, daar biedt de Lutherse theologie een krachtig beeld dat beide polen weet te verbinden: namelijk in de leer van de consubstantiatie.

In deze leer is Christus werkelijk aanwezig in, met en onder het brood en de wijn van het Avondmaal. Zijn lichaam is er niet in plaats van, maar te midden van de tastbare tekenen. Het is een theologie van de paradox: het goddelijke verschijnt in het menselijke, het eeuwige in het tijdelijke, het verhevene in het gewone. En precies dat beeld blijkt ook toepasbaar op de prediking. Het Woord van God is niet achter of boven de menselijke woorden aanwezig, maar in, met en onder het spreken van de prediker. De preek is volledig mensenwerk – gebonden aan cultuur, taal, theologie en vakmanschap – en toch, in diezelfde gestalte, draagt zij de tegenwoordigheid van God.

Deze gedachte stemt nauw overeen met de wijze waarop het Nieuwe Testament zelf over het Woord spreekt: als kracht die tot ons komt in zwakheid. “Het woord van het kruis is dwaasheid voor wie verloren gaan” (1 Kor. 1:18). Hier is geen heroïsch spreken, geen perfectie, maar een Woord dat zich juist kenmerkt door zijn verborgen gestalte. Niet het Woord dat imponeert, maar het Woord dat zichzelf weggeeft. De preek is het kruis waarop Christus hangt, om met Luther te spreken. Zij is het gebeuren waarin God zich niet onttrekt aan het menselijke, maar er middenin verschijnt.

Juist deze kruisvormige theologie van het Woord maakt verbinding mogelijk met postmoderne taalopvattingen. In een tijd waarin absolute waarheden verdacht zijn en grootse verhalen hun vanzelfsprekendheid verloren hebben, is de gestalte van het Woord als dwaasheid en zwakheid des te geloofwaardiger. Hier geen pretentie van controle of beheersing, maar een spreken dat zich aanbiedt, zich overgeeft, zich laat horen – in vertrouwen op de werking van Gods Geest.

Het is dit theologische surplus van de Lutherse traditie dat de prediking vandaag houvast kan geven. Niet door het Woord los te maken van de taal, maar door het erin te zoeken. Niet door het menselijke te overstijgen, maar door daarin het goddelijke te laten verschijnen. Zo wordt de preek een plaats van verberging én openbaring. Een gebeuren waarin God zich laat horen, juist in het gebroken spreken van een mens.

Kan een preek dan mislukken? Ja – en nee. In menselijke zin kan zij falen: zij kan rommelig zijn, niet raken, miscommuniceren. Maar in theologische zin draagt zij altijd potentie. Zoals het sacrament nooit leeg blijft – het werkt tot oordeel of tot heil – zo is ook de preek nooit neutraal. Zij wekt geloof of weerstand, herkenning of afwijzing. Maar altijd gebeurt er iets. Want waar het Woord opengaat, daar is God niet ver. Bij God heeft ook de mislukte preek een zin.

In die zin is er ook in de preek een element van werking buiten de ‘operans’ (de prediker) om.

15.  Conclusie

De prediking staat vandaag voor een existentiële beproeving. In een cultuur die moeite heeft met autoriteit, met openbaring en met taal die zich aan menselijke controle onttrekt, dreigt de preek haar theologische kern te verliezen. Zij wordt dan gereduceerd tot inspiratie, bezinning of persoonlijke reflectie. Maar wie vasthoudt aan het geloof in een levende, sprekende God, kan niet anders dan ook de preek blijven verstaan als mogelijk medium van Gods spreken. Daarvoor is een hernieuwd besef nodig van het sacramentele karakter van het Woord, van de Schrift als levende stem, en van het ambt als dienst aan een Ander.

De Lutherse traditie biedt daarbij een verrassend actueel theologisch tegoed. In de gedachte van de consubstantiatie verschijnt het goddelijke niet óndanks het menselijke, maar juist ín het menselijke. De preek is een plaats van verberging en openbaring tegelijk. Zij is kwetsbaar, feilbaar, broos – en juist daarin wordt zij de gestalte van het kruis, waarin God zich geeft in menselijke taal. Zo wordt de preek opnieuw zichtbaar als een riskant maar genadevol gebeuren: solo verbo, door het Woord alleen.

Ambt en gezag

Inleiding voor de gezamenlijke ambtsdragersvergadering van de Hervormde en de Protestantse gemeente Waddinxveen. 24 november 2016.

I.

Psychiater Paul Verhaeghe heeft vorig jaar een boek geschreven met de titel ‘Autoriteit’. Met autoriteit loopt er vandaag de dag heel wat verkeerd volgens hem. Politiek en religie zijn hun geloofwaardigheid kwijt en ouders hebben geen controle over het gedrag van hun kinderen. In dit boek bevraagt Paul Verhaeghe de manier waarop autoriteit functioneert, waarom er tegenwoordig zo weinig waarde aan autoriteit wordt gehecht en wat daarvoor een alternatief kan zijn. Herstelpogingen van de vroegere autoriteit zijn volgens hem tot mislukken gedoemd en verworden algauw tot vormen van pure machtsuitoefening. Volgens Verhaeghe staan we als samenleving op een kruispunt: gaan we verder richting macht of richting nieuwe autoriteit?

Nu gebruikt Verhaeghe dus het woord autoriteit. Hij bedoelt daar hetzelfde mee als gezag. En hij wil het duidelijk onderscheiden van macht.

Autoriteit of gezag is gebaseerd op gedeelde normen en waarden. De bron van iemands autoriteit ligt buiten de persoon zelf. Een ambtsdrager in de staat, zoals een burgemeester, heeft gezag omdat de staat en het recht gezag heeft. Hij heeft geen eigen, persoonlijk gezag. Zo heeft een ambtsdrager in de kerk ook geen eigen gezag, maar zijn gezag is ontleend aan dat van Gods Woord. Daarom kan het gezag ook nooit zonder de erkenning van een gemeenschap. De burgemeester kan niet zonder de erkenning van de burgerlijke gemeente, en de kerkelijke ambtsdragers kunnen niet zonder er erkenning van de christelijke gemeente. Gezag wordt niet verleend door de gemeenschap, maar het moet wel erkend worden door de gemeenschap. In het klassieke ambtsformulier voor de bevestiging van ouderlingen wordt dan ook tegen de gemeente gezegd: ‘Geliefde christenen, ontvang deze ambtsdragers als dienstknechten van God. Eer hen en begeef u gewillig onder hun opzicht en regering.’

Gezag is dus een relationeel iets. Macht daarentegen duidt op het recht van de sterkste. De bron van macht ligt bij de persoon zelf, die de ander zijn wil kan opleggen. Macht hoeft dus ook niet erkend te worden, dat heeft de machthebber niet nodig.

Gezag en macht zijn twee verschillende dingen, maar ze zijn in de praktijk wel vaak vermengd geraakt, ook in de kerk. Mede daarom leven wij misschien in een extreem anti-autoritaire cultuur. De jaren 60 hebben ook hierin uiteraard de revolutie teweeg gebracht. Recentelijk wordt de crisis echter eerder groter dan kleiner. Traditionele gezagsdragers hebben het moeilijk. Dat zijn dan zeker niet alleen de ambtsdragers in de kerk, maar ook de politici, de meester op school, de conducteur in de trein en de politie op straat enzovoorts. Probleem van de kerk dus probleem van heel onze samenleving. Dat kan ons tot troost gezegd zijn. Maar een schrale troost. Want de samenleving komt er ook niet goed uit.

II.

We zouden kunnen denken dat de remedie ligt in het opgeven van het ambt. Dat wordt ook sinds de 16e eeuw al geprobeerd. De Pinksterbeweging probeert het vandaag de dag. Geen erkend ambt, geen instituut, maar een beweging. Toch zie je dat juist daar het vaak mis gaat met gezag en macht. Dat is al een argument om het ambt niet op te geven. Belangrijker is nog dat we dan wel erg veel moeite met de Schrift krijgen. De Schrift ademt hoe dan ook iets van een gezagsstructuur. Vijfde gebod: eer uw vader en uw moeder. In de traditionele uitleg daarvan werd gezegd: dit gaat niet alleen over vader en moeder in het gezin, maar het gaat over alle gezagsstructuren. Het gaat ook over de leerling, die ontzag moet hebben voor de docent, de burger moet ontzag hebben voor de politie, voor Burgemeester en Wethouders, voor de politici, voor de koning. Uiteindelijk is dit gefundeerd in de scheppingsorde: God heeft de dingen volgens een orde geschapen, en het gaat mis als wij die orde door de war gooien.

III.

In Lukas 10 wordt verteld van de uitzending van de 70. Behalve de 12 discipelen koos Jezus er ook 70 uit, die twee aan twee stad en land afgaan om het evangelie rond te bazuinen. 70 is in het OT het getal van de volkerenwereld, er zouden 70 volken op aarde bestaan, en dus is gezegd: zoals de 12 staan voor Israël, zo staan de 70 voor de volken, en nu wordt dus de hele wereld onder het beslag van het evangelie gebracht, dat is de bedoeling. En jezus geeft ze nog instructies mee. Als je gastvrij ontvangen wordt, doe dan je taak, maar als je niet gastvrij ontvangen wordt, wat dan? Jezus zegt: ga dan naar buiten, de straat op, en zeg: zelfs het stof uit uw stad dat aan ons kleeft, schudden wij tegen u af. En dan zegt Hij dit: “Wie naar u luistert, luistert naar Mij; wie u verwerpt, verwerpt mij. En wie mij verwerpt, verwerpt Hem die mij gezonden heeft.’ Dat is nog eens een tekst! Een tekst waar de RK kerk wel raad mee weet, maar wij protestanten minder. In de RKK: representatie, bemiddeling.

Toch: catechismus van Genève haalt Calvijn precies deze woorden aan als het gaat om het ambt! Dus de reformatie heeft toch de Christus-representatie willen bewaren: ambtsdrager representeert Christus.

De Reformatie heeft de rooms-katholieke onderscheiding tussen geestelijkheid en leken doorbroken met de gedachte van het algemeen ambt aller gelovigen. Het ambt van de priester staat niet langer tussen de gelovige en Christus in. Daarmee is het bemiddelende (priesterlijke) en magische uit de ambtelijke handelingen weggenomen. Maar toch hebben Luther en Calvijn een onderscheid tussen gemeente en ambtsdragers willen handhaven, tegen de ‘radicale’ (doperse) reformatie in, die geen bijzonder ambt erkende.

IV.

De kern van de protestantse ambtsleer is dat het theologisch onderscheid tussen gemeente en voorganger gehandhaafd blijft, terwijl dit niet langer sacramenteel-priesterlijk wordt ingevuld.  Het bijzonder ambt is noodzakelijk omdat het aangeeft dat de kerk van Jezus Christus geen menselijke uitvinding is, maar een gemeenschap die door God is verkoren en geroepen, en die niet automatisch bij het evangelie blijft. Zoals de kerkorde zegt: ‘Het ambt is er om de gemeente bij Christus te bewaren.’ Het ambt wijst aan dat de kerk haar grond niet vindt in zichzelf, maar in Christus als het levende Woord van God; Hij is haar fundament en haar hoofd. Dit wordt zichtbaar gemaakt in het bijzonder ambt dat Hem representeert. Deze Christusrepresentatie is in die zin de kern van het bijzonder ambt. Een kerk zonder bijzonder ambt verliest dus het openbare en gezagsmatige karakter van het ‘tegenover’ van Christus. Een kerk zonder ambt verliest de Christusrepresentatie en wordt daarmee een voluit aardse onderneming, die geen blijk geeft van haar Bron buiten haar. Dit uit zich of in een sterke “vergeestelijking” van de gemeente, waarin ieder de Geest en daarmee het gelijk meent te bezitten; ofwel in een sterke “verzakelijking” van de kerk, waarbij de kerk haar gezag gaat ontlenen aan een vermeend ‘actuele’ en ‘aansprekende’ presentie  in de samenleving, en niet meer aan haar Hoofd.

Wie ‘bijzonder ambt’ zegt, zegt gezag. In laatste instantie heeft alleen het Woord gezag over de gemeente, maar dit gezag van het Woord wordt weerspiegeld in het gezag van de dienaar van dit Woord. Het geloof is uit het gehoor van dit Woord, en daarom kan de gemeente niet zonder de tot dienst aan dit Woord geroepen ambtsdrager. De huidige crisis van de protestantse kerken hangt nauw samen met het verdwijnen van deze gestalte en dit gezag van het Woord. Waar het Woord binnen de kerken zijn gezag verliest, verliest ook de ambtsdrager onmiddellijk zijn noodzakelijk gezag als dienaar van dit Woord. De legitimatie van de protestantse kerk is daarmee komen te vervallen.

Omdat dit gezag aan de ambtsdrager verleent, moet hij of zij ook in dit gezag durven staan. Gezag moet je ontvangen, maar gezag moet je ook nemen. Hier is in onze tijd veel moed voor nodig, maar zonder deze moed ontbreekt de nodige afstand tussen de ambtsdrager en de gemeente en dat schaadt de zeggingskracht van het Woord.

Dit Woord is niet alleen iets dat aan de orde is op de preekstoel op zondag. Het gebeurt overal waar je als ambtsdrager in je ambt spreekt. Je mag, ja je moet geloven dat je dat niet alleen uit jezelf doet, maar uit kracht van je roeping en dus je gezag. Daarom is het ook goed om de Schrift te openen en te lezen met de gemeente, steeds weer, ook op bezoeken bij gemeenteleden thuis. In het lezen van de Schrift als bestemd voor déze ene persoon of dit éne gezin op dit moment, komt iets van het gezag van Christus en het ambt mee. Het is nog beter als naar aanleiding van het gelezen woord ook met elkaar gesproken kan worden, vanuit de erkenning van het gezag hiervan. In die relatie kan dan het gezag van het ambt steeds weer ontstaan. Dit gezag is immers niet iets dat wij als ambtsdragers hebben als ons bezit, maar wel iets dat ons steeds opnieuw geschonken wordt. Maar wij moeten het ons dan ook laten schenken, en in dat ambt gaan stáán.

Vreemdelingschap. Op zoek naar een christelijke levensstijl

Inleiding

Hoe leef je als christen in een wereld die het christendom ontgroeid lijkt te zijn? Wat betekent het om je leven te richten naar Gods geboden, wanneer die geboden in botsing komen met de vanzelfsprekendheden van je tijd? Deze vragen zijn actueler dan ooit. Sinds de breuk met het christelijk erfgoed in de tweede helft van de twintigste eeuw, leven gelovigen in Nederland in een nieuwe werkelijkheid: niet langer als vertegenwoordigers van een gedeelde cultuur, maar als vreemdelingen in eigen land.
Juist in deze context klinkt opnieuw de vraag naar een christelijke levensstijl. Niet als moreel programma, niet als politiek manifest, en ook niet als poging tot herkerstening van de samenleving. Wel als een zoeken naar gehoorzaamheid in een tijd van geloofsafval; als een manier van leven die zich laat vormen door het Woord — tegen de stroom in.
Dit essay is een poging om dat zoeken theologisch te duiden. Niet door pasklare antwoorden te geven, maar door lijnen te trekken: vanuit de Schrift, vanuit de geschiedenis van kerk en cultuur, en vanuit het inzicht dat de lofzang van de gemeente vaak het luidst klinkt wanneer zij zingt met de rug naar de wereld.
Wat de Schrift betreft, oriënteer ik me in dit essay vooral aan het evangelie volgens Mattheüs. Dit evangelie kan ons helpen bij de levensstijl waar christenen tegenwoordig naar op zoek zijn.

Een terugblik

Na de jaren zestig, sinds het christendom in Nederland in een dramatische terugval terechtgekomen is, is meerdere keren het voorstel gedaan om een ‘theologie van de ballingschap’ te ontwikkelen. Voor West-Europa zou niet de ervaring van bevrijding centraal staan in het geloof, zoals dit in de derde wereld het geval was en tot uitdrukking gebracht is in de ‘theologie van bevrijding’, maar veeleer de ervaring van ballingschap. Het lied van Willem Barnard roept in een geseculariseerde context veel herkenning op:

‘Al leeft uw volk verschoven
kyrieleison,
in ’t land van vuur en oven,
in ’t land van Babylon,
al is de hemel boven
voor mensen doof en stom,
nog moeten wij U loven
met stem en fluit en trom.’

De lofzang van de christelijke gemeente is een zingen tegen de storm in. De grondervaring van geloven is tegenwoordig, dat het een onmogelijkheid is, waar je toch dankbaar voor bent. Daarom hangt de lier vaak aan de wilgen, als in Babylon, en als zij opgepakt wordt om ermee te zingen, is het nooit zonder de gedachte erbij, dat het in wezen waanzin is, vreugde in ballingschap.
Reformatorische en evangelische christenen leggen in het geloof, meer dan vroeger, de nadruk op wat in de klassieke terminologie de ‘heiliging’ heet, het leven in gehoorzaamheid aan God. Tot in de jaren negentig was men nog veel meer bezig met vragen rond de ‘rechtvaardiging’; vragen als ‘Hoe krijg ik een genadig God?’ (meer reformatorisch gesteld) en ‘Wie is Jezus voor mij?’ (meer evangelisch gesteld). Om die vragen draaide het ook in de prediking. Men verzette zich sterk tegen een kerk-zijn waarin het maatschappelijk engagement voorop stond. Het zogenaamde ‘Getuigenis’ uit 1971 is hiervan een bekend en duidelijk voorbeeld.
De laatste jaren is men in reformatorische en evangelische kringen echter met een inhaalslag bezig. Terwijl in de liberale theologie de aandacht meer en meer wordt verlegd van ethiek naar mystiek , vindt binnen de orthodoxie een haast omgekeerde beweging plaats: van bevinding en ‘Jezus-vroomheid’ , de gereformeerde en evangelische vormen van mystiek, naar aandacht voor levensstijl. Voor de hele milieuproblematiek is bijvoorbeeld pas sinds kort aandacht. Ook in de prediking lijken de accenten te verschuiven, veelal onder de noemer van een wending naar een meer ‘missionaire’ prediking.

Als we ons nu met de vraag naar een christelijke levensstijl willen bezighouden, is een terugblik op deze recente geschiedenis wel nuttig. Het lijkt namelijk zo te zijn, dat de nadruk op ‘levensstijl’ de voorbode is geweest van de interne secularisatie, die sinds ongeveer 1960 om zich heen grijpt. Deze stelling wordt althans verdedigd door de remonstrantse theoloog Eginhard Meijering. Meijering verbindt de neergang van de kerk, die hoofdzakelijk plaatsvond tussen 1965 en 1980, met het theologisch, kerkelijk en spiritueel klimaat van die jaren. Het ging in het christelijk geloof om levensstijl, om handelen, om ethiek. Men was druk doende de kernwapens de wereld uit te krijgen, druk met het armoedevraagstuk en het milieu. Maar ondertussen, zo analyseert hij, verdween het Evangelie – de boodschap van de vrije genade van God in Jezus Christus – uit de kerken.
Na 1960 werd de kerk volgens Meijering dus langzaamaan een instituut tot verbetering van de wereld, een ‘links’ en idealistisch bedrijf. Tot de mensen ontdekten dat we voor een programma om de wereld te verbeteren geen kerk nodig hebben. Daarom pleit Meijering voor een terugkeer naar de core-business van de kerk. Dat is niet de levensstijl, maar het Evangelie van zonde en genade. Het handelen van christenen is altijd gevolg. Om het klassiek-reformatorisch te zeggen: het is een kwestie van dankbaar leven. Dankbaar voor de onverdiende genade, kan het niet anders of er groeien ook vruchten. Maar dat is niet te organiseren. Daar stel je geen programma’s voor op. Het is ook niet de kern. De kern van het geloof is niet wat wij doen, maar wat God doet. Dat vieren we ook in de kerk, op zondag. Dan vieren we niet iets van onszelf, ons eigen geloof of onze goede werken, dan vieren wij dat God geeft wat wij onszelf niet kunnen geven.

Dit pleidooi van Meijering is onder meer interessant omdat het komt van iemand die zelf uit de vrijzinnige hoek van het protestantisme komt. De hoek waar men het hardste bezig is geweest met de maatschappelijke en ethische relevantie van het christendom. Zijn kritiek is dus kritiek van binnenuit. Het is de pijnlijke conclusie van iemand die gezien heeft dat juist daar waar de kerk maatschappelijk relevant werd, zij zichzelf overbodig maakte en leeg liep.

Levensstijl in context

Van deze historische ontwikkeling moeten we ons bewust zijn, als we vandaag de dag weer bezig willen met het thema levensstijl. We moeten ons er op zo’n manier mee bezig houden, dat het niet meer de leegloop van de kerk bevordert, maar deze juist remt.

Daarvoor is het nodig het thema eerst in de juiste context te plaatsen. Dat betekent allereerst dat we het niet behandelen in de context van de verzuilde samenleving, maar in die van de postchristelijke samenleving.
In de verzuilde samenleving kon van het zoeken naar een christelijke levensstijl eigenlijk geen sprake zijn. Het ging om een gereformeerde levensstijl, in verschillende varianten, een rooms-katholieke levensstijl, een vrijzinnige of reformatorische of evangelische levensstijl. Er was wel een stroming binnen de Hervormde kerk die pleitte voor een ‘doorbraak’ van het verzuilde bestel. Het visionaire van deze groepering is geweest dat zij weer oog kreeg voor het onderscheid én de relatie tussen ‘kerk en wereld’, terwijl de orthodoxie nog bezig was zich intern af te grenzen. Er was binnen de groepering van de doorbraak een vermoeden dat de christelijke samenleving zijn tijd gehad had, en dat de poging om die in stand te houden tot mislukken gedoemd was.
Als we vandaag opnieuw spreken over een christelijke levensstijl, doen we dat niet langer in de context van de verzuilde samenleving, maar in de context van de post-christelijke samenleving. Bij de thematiek van de levensstijl gaat het gaat om het juiste onderscheiden tussen kerk en wereld. Het is tijd om de onderscheidingen binnen het christendom fundamenteel te relativeren, en daar tegenover het onderscheid tussen kerk en wereld groot te maken. Veel vragen uit verleden verschijnen dan als luxe-problemen, waar wij ons niet mee bezig kunnen houden.

Als we het thema ‘levensstijl’ juist willen situeren, moeten we het in de tweede plaats niet behandelen in de context van missionair kerk zijn, maar in de context van het vreemdelingschap. De aandacht voor levensstijl ging op zijn beste momenten ook gepaard met aandacht voor het missionaire als het wezen van de kerk. De Nederlandse Hervormde Kerk sprak al in 1950 (onder de termen ‘apostolaat’ en ‘herkerstening van de samenleving’) over het missionaire als het wezen van de kerk. Kort na de oorlog zag men in het midden van de kerk de geweldige neergang al beginnen. Reformatorische en evangelische christenen waren nog bezig met binnenkerkelijke twisten. In die zin is de Nederlandse Hervormde Kerk visionair geweest. Zij heeft na de waanzin van het nazisme, na Twee Wereldoorlogen die het einde van het Avondland inluidden, nog een keer, als was Christus zojuist opgestaan, het gewaagd om in te zetten op een kerstening van het land.
Tegelijk moeten wij nu, terugkijkend zeggen: deze grootse poging is op een uiterst tragische manier mislukt. Niet de herkerstening, maar de ontkerstening geeft de hartslag van de tweede helft van de twintigste eeuw aan. Ook daarvan hebben wij te leren, als we vandaag de dag opnieuw aandacht willen vragen voor een christelijke levensstijl. De missionaire levensstijl is gevaarlijk gebleken voor de kerk. De aandacht voor de wereld eindigde ermee, dat de kerk verdween in de wereld.
Een christelijke levensstijl kan daarom in onze tijd niet langer primair missionair zijn. Als de verdere afbraak van de christelijke kerk en van het christelijk geloof beperkt kan worden, dan zou dat al een wonder zijn. Die verdere afbraak kan slechts worden voorkomen door een levensstijl, waarin wij met de rug naar de wereld staan. Zo doet de gemeente op de zondag. Zij komt bijeen achter de stevige, de eeuwen trotserende muren van de kerk, in een beschutte hof, een ruimte waar de Naam van God nog gekend en gespeld wordt. Waar de lofzang nog gezongen wordt, ‘al is de hemel boven, voor mensen doof en stom’.
De Nederlandse Hervormde Kerk heeft het na de oorlog gewaagd om de gehele verhouding van kerk en wereld theologisch om te draaien. ‘Zending is niet een functie van de kerk, maar de kerk is een functie van de zending’, zo sprak men allerwegen de theoloog J.C. Hoekendijk na. Apostolaat is niet een kenmerk, maar het wezen van de kerk. Dit werd bijbels-theologisch onderbouwd met het boek Handelingen, waar de kerk verschijnt als een gevolg van de zendingsarbeid van Paulus. De kerk is dus geen startpunt, maar een gevolg.
Afgezien van de exegetische onderbouwing, waarbij veel vragen te stellen zijn , zou de handhaving van dit gezichtspunt in het licht van de recente geschiedenis wel eens desastreus kunnen blijken voor de kerk. Kerk is reeds daar, waar twee of drie in de naam van Jezus bijeen zijn, met of zonder instituut, in het open veld of in een kathedraal, dat doet niet ter zake. Als we kerk zo opvatten, dan is de zending wel degelijk een functie van de kerk. Niet twee of drie, maar twaalf waren het er, plus de ontijdig geboren Paulus, die samen de bron konden worden van de zending, omdat in henzelf het geheimenis van Jezus Christus post had gevat, en zodra dit geheimenis verdween, was er niets meer van kerk en niets meer van zending.

Herbronning: Israël en het Oude Testament

Wie over de ontwikkeling van een christelijke levensstijl spreekt, kan dat niet doen los van het Oude Testament en Israël. Voor Israël is duidelijk, dat de leefregels haar niet gegeven zijn om de (missionaire) verbinding met de volken te zoeken, maar als een begeleidend kenmerk van haar uitverkiezing, haar apart gezet zijn van de volken:

“Ik ben een vreemdeling op aarde,
verberg uw geboden niet voor mij.
Uw wetten zijn voor mij als liederen
in het huis waar ik als vreemdeling woon.” .

Het ontwikkelen van een christelijke levensstijl dient dan allereerst het juiste onderscheiden van kerk en wereld. Een christelijke levensstijl is dus een levensstijl die vertrekt vanuit de gemeente als zout in de wereld en zo fundamenteel onderscheiden van de wereld. De uitspraak over Gods verhouding tot de wereld, die we vaak bij Miskotte vinden – namelijk dat God “zich in de wereld van de wereld onderscheidt” – geldt volgens het evangelie ook voor de gemeente. Zij bestaat uit het samenraapsel van armoedzaaiers , dat in de smalle weg zijn eigen simchat Thora beleeft. De smalle weg is de gang waarin de gemeente zich in de wereld van de wereld onderscheidt.

De geboden


We denken dus niet over ‘levensstijl’ na in een poging tot een tijdloze beschrijving hiervan te komen. We zijn ons bewust van onze context, en van het feit dat zowel de verzuiling als het missionaire optimisme voorbij zijn. Levensstijl heeft dan allereerst te maken met de vreemdeling die zijn vreugde vindt in het gebod. Deze oudtestamentische lijn wordt door Jezus voortgezet in de Bergrede (Mattheüs 5-7). Jezus herhaalt het oudtestamentische gebod, maar dan zo, dat de mensen onder de claim ervan niet meer uit kunnen.
Deze herhaling geschiedt allereerst door middel van een geweldige relativering. De joden kenden ruim 613 geboden, in Exodus 20 staan er tien, maar het christendom maakt het nog radicaler: uiteindelijk is er maar één gebod, het gebod van de liefde, en dat ene gebod heeft een dubbele kant: een kant naar God toe en een kant naar mensen toe. Dat is alles. Van daaruit is alles open. ‘Heb lief en doe wat je wilt.’
In onze tijd verlangen veel christenen naar een lijst met geboden, gemakkelijk te hanteren, uiterlijke regels. De aantrekkingskracht van de islam, ook op christenen, heeft hier zeker mee te maken. De islam geeft haar volgelingen veel duidelijker regels als het gaat om levensstijl. Dat alles heeft het christendom aangetroffen in het jodendom, maar afgewezen.

Jezus’ ethiek van de Bergrede is in de tweede plaats een radicalisering. Het christendom heeft inmiddels 2000 jaar invloed uitgeoefend op de Europese cultuur, en daarin ook heel wat nagelaten. Christelijke normen en waarden zijn voor een goed ingedaald in onze cultuur, hebben doorgewerkt in onze wetgeving, ons sociale stelsel en dergelijke. In dat proces is echter ook veel water bij de Nieuwtestamentische wijn gedaan. Het gaat in de moderne samenleving wel over naastenliefde, maar het gaat niet om de radicale christelijke liefde zoals er in het Nieuwe Testament over gesproken wordt. Daarin gaat het over liefde als zelfopoffering. Dat is de liefde die Jezus heeft voorgeleefd en waarin Hij is gestorven. In de christelijke levensstijl gaat het dus tegelijk om een radicalisering én relativering van het oudtestamentische gebod.
Een duidelijk voorbeeld van radicalisering is Jezus’ omgang met geweld. In de omgeving van het Oude Testament was de eerwraak praktijk, de wet van Kaïn of zelfs van Lamech. Het Oude Testament voert een ethische revolutie in door de vergelding te beperken tot het gelijke: oog om oog, tand om tand. Het Nieuwe Testament biedt echter weer een ethische revolutie daarvan, door het liefdegebod, dat in het Oude Testament alleen voor de volksgenoten gold en de strekking had van ‘welwillendheid’, radicaal uit te strekken tot alle mensen in de zin van zelfopoffering: “heb je vijanden lief.”

De ethiek van het Oude Testament kan een ‘ethiek van het gewone’ genoemd worden. Een ethiek die kan dienen als basis voor de samenleving, die kan gelden voor alle mensen en die zich dient uit te drukken in de wetten van de staat. Het is misschien teveel te zeggen dat het een ethiek waar de mens van nature op gebouwd is. Daarvoor zijn Kaïn en Lamech, ook in moderne en postmoderne samenlevingen, te aanwezig. Maar de oudtestamentische ethiek is wel een ethiek, die bereikbaar is voor alle mensen die ‘van goede wil zijn’ – doordat ze precies is, maar niet radicaal.
Met de ethiek van het Nieuwe Testament en met name die van Mattheüs is het anders. Daarop kan geen samenleving gebouwd worden. Tot deze ethiek is de kerk echter wel geroepen. Het gaat om een ethiek van ‘meer dan het gewone’ . Dit meer dan gewone is voor de wereld het absurde:

‘verzet je niet tegen wie kwaad doet, maar keer degene die op de rechterwang slaat, ook de linkerwang toe. Als iemand een proces tegen je wil voeren en je onderkleed van je af wil nemen, sta hem dan ook je bovenkleed af. En als iemand je dwingt één mijl met hem mee te gaan, loop er dan twee met hem op.’

Dit zijn geen geboden die ooit ingang kunnen vinden in de wereld, en juist daaraan herkent men het specifiek christelijke ervan. Een christelijke ethiek is een absolute ethiek, die de werkelijkheid en dat wat vanuit mensen mogelijk is soeverein negeert. Het Evangelie laat duidelijk zien dat radicale liefde in onze werkelijke wereld niet anders bestaan kan dan als buitengeworpen en aan het kruis geslagen, van de aarde verhoogde liefde. Daarom blijft het goede in de ethiek altijd een grensbegrip, waar wij naar opzien zoals naar het kruis. Zoals ‘God in zichzelf’ in de dogmatiek een grensbegrip is, dat we wel moeten veronderstellen, maar niet kunnen hanteren, zo is ‘het goede’ in de ethiek een grensbegrip, dat we wel als eis stellen, maar waar nooit aan voldaan kan worden.

Afval en onverschilligheid

De radicale liefde waar het in de christelijke levensstijl om gaat, laat zich dus niet inburgeren. Dat is het inzicht dat we in onze tijd weer opnieuw moeten terugwinnen. De vreemdheid van het evangelie is geen toevalligheid, maar behoort tot haar wezen. Daarom roept het evangelie altijd weerstand op. Als het geen weerstand oproept, is het geen evangelie.
Die weerstand echter heeft niet in elke tijd dezelfde vorm. In het Nieuwe Testament en in de eerste eeuwen van het christendom had die weerstand sterk de kleur van vervolging. Het Nieuwe Testament is vol van teksten die daar over gaan. De laatste zaligspreking spreekt er op een schokkende manier van, omdat hier vreugde en vervolging direct aan elkaar verbonden worden .
Deze teksten zijn in onze context niet eenvoudig te verstaan. Wij leven immers in een vrij land. Wij worden niet vervolgd. Gaat dit daarom niet over ons? Dat te denken zou een vergissing zou zijn. De weerstand tegen het evangelie neemt in onze tijd alleen een andere gestalte aan dan in het Israël van de eerste eeuw. Het gaat nu niet om vervolging, maar om afval en onverschilligheid. Vervolging is in een dictatuur gemakkelijker herkenbaar dan in een liberale democratie. Maar het moet ons te denken geven dat het communisme in veertig jaar tijd niet zoveel geloofsafval en religieuze onverschilligheid heeft kunnen bewerken als de westerse vrijheid. Het misverstaan van de vrijheid in het westen is zélf een vorm van vervolging. Vrijheid wordt dan opgevat als middel om het ego met zijn inherente hypocrisie en hoogmoed te versterken, in plaats van als middel om te leren buigen voor Wie ons te boven gaat, als een middel om zichzelf te verhogen in plaats van als de zegening die ons in staat stelt onszelf te vernederen. Deze ideologie van de vrijheid rukte na de val van het communisme steeds verder op. Als voorbeeld van een modern, vrij en kapitalistisch land waar toch het christelijk geloof kan bloeien, werd tot voor kort vaak de Verenigde Staten genoemd. Nieuwe onderzoeken tonen echter aan, dat nu de secularisatie en de ontkerkelijking ook daar beginnen toe te slaan – met de politieke en sociale gevolgen van dien. De seculiere vrijheidsideologie tolereert geen enclaves. Zoals volgens het evangelie de mensen, en vooral de hooggeplaatsen Jezus haten omdat hij de logica van de zelfverhoging ontmaskert, zo tolereert het systeem van de westerse vrijheid geen mensen zijn die deze vrijheid ontmaskeren als onvrijheid en dwang. De manier waarop de westerse mens gebruik maakt van zijn vrijheid, doet een christen denken aan de ‘vrijheid’ die de vis ervaart als hij niet meer in het water ‘hoeft’ te leven, maar ‘bevrijd’ wordt tot een leven op het land. Ondanks alle welvaart en alle ‘vrijheid’ kunnen christenen deze wereld daarom toch niet anders ervaren dan als een vijandige wereld.

Een apocalyptische tijd

Leven in een wereld die slechts in schijn vrij, heeft iets duisters, apocalyptisch. Onze context vraagt inderdaad om ook dit aspect van de nieuwtestamentische denkwereld opnieuw op te pakken. Wij leven in een apocalyptische tijd. Dat zien we vanuit het verstand vooral aan de immense vernietiging van het leefmilieu. Maar in het geloof transformeert deze algemene ervaring te leven in de apocalyps zich tot het besef dat de dood van Christus de dood van de wereld tot gevolg moet hebben. Apocalyptiek behelst dan geen visioenen of speculaties over de eindtijd. Het gaat om een bepaalde manier van in de wereld staan. Het Nieuwe Testament denkt apocalyptisch. Dit betekent dat de gelovige zichzelf beleeft als iemand aan de rand van de tijd en de kosmos, op de drempel naar het absoluut nieuwe, het Rijk Gods. In het evangelie van Mattheüs blijkt dit bijvoorbeeld in Jezus’ rede over de eindtijd. In deze met de kruisdood van Jezus begonnen eindtijd staan twee rijken, twee tijden, twee werkelijkheden tegenover elkaar. De toekomst wordt niet langer, zoals bij de profeten nog, gezien als een verbetering van de situatie, een terugkeer van Israël als land, koningshuis, volk en religieuze staat. Daar gelooft de apocalypticus niet meer in: in het heilige land worden andere goden worden vereerd en andere namen geprezen en de religieuze elite is zelf tot op het bot verrot. Daarom wordt in het evangelie niet meer gehoopt op een wending in de geschiedenis. Er wordt alleen nog gehoopt op het einde van de geschiedenis. Zich in de wereld van de wereld onderscheiden betekent niet meebewegen in een wending, maar deel hebben aan een andere werkelijkheid, terwijl je toch lichamelijk en geestelijk nog deel uitmaakt van deze wereld: “vanaf nu zult u de Mensenzoon ziet zitten aan de rechterhand van de Machtige en Hem zien komen op de wolken van de hemel.” De ‘wederkomst’ wordt hier niet getekend als iets dat nog komen moet, maar als iets dat vanaf Christus’ dood gaande is. Wij leven niet (vlak) voor maar in de apocalyps, dat wil zeggen: in het einde van de kosmos, onder de macht van Christus en in de tijd van Zijn komen.

De grenzen van het compromis

De zo beoogde onmogelijke christelijke levensstijl zal als geleefde werkelijkheid op vele punten een compromis zijn. Leven in de botsing van de tijden is compromissen sluiten. Je hoeft niet voor alles het gevang in. Dat zou niet getuigen van geloof, maar van dwaasheid. Het compromis vindt echter haar grens, waar het hart bereikt wordt. ‘Ik zeg, dat waar uw hart aan hangt en op vertrouwt, dat is eigenlijk uw God’ zegt Luther in zijn uitleg van het eerste gebod. Het atheïsme bestaat wel als intellectuele positie – en moet als zodanig ook serieus genomen worden – , maar in existentiële zin bestaat er geen volstrekt atheïsme. Ieder mens hangt immers zijn hart ergens aan. Zelfs als de mens zijn hart in de leegte tracht te hangen, heeft hij zijn god. De leegte kan ook god zijn. Maar meer dan de leegte lijkt in onze cultuur de zelfverheffing en het genot van het ego god te zijn. Deze god moet voortdurend gevoed worden met geld. Omdat alleen het geld het hedonisme en de hoogmoed van onze cultuur mogelijk maakt, roept de kleinst mogelijke economische crisis een alle grenzen te buiten gaande angst op.
Het geloof is daarentegen vrij van angst, zoals het van alles vrij is. Hij is vrij van elk gebod, ook van het gebod: ‘gij zult genieten!’ of ‘gij zult gelukkig zijn!’. Deze vrijheid van elke wet is de basis voor echte ethiek. Juist het scherpe onderscheid tussen geloof en werken maakt ethiek in christelijke zin mogelijk.
Hoewel het christelijk leven dus uit veel compromissen bestaat, wordt er een grens bereikt waar het hart wordt bereikt. De christen hangt zijn hart aan Christus, die hem uit de wereld wegneemt om hem alleen in een blijvend onderscheid daarvan weer terug te plaatsen. Zijn gebod is geen wet, maar een geschenk: vrij te mogen zijn van de wereld en haar onderdrukkende systemen. Geloof is dus ingaan op de nodiging het eerste ‘gebod’ te beantwoorden: wie dien je? Wie het eerste gebod vervult, vervult alle geboden. Maar het eerste gebod kan alleen vervuld worden door het geloof.
Vanuit deze vrijheid in Christus ontstaat de vrijmoedigheid om ook op concrete punten zo nodig ‘nee’ te zeggen. Gedurende het tijdperk van het corpus christianum was dit ‘nee’ zeggen nauwelijks nodig. Geloven was vooral: mede leiding geven en meebewegen in de gang van de cultuur. Nu dit tijdperk voorbij gaat, komt er weer meer ruimte voor het ‘nee’, dat in het ‘ja’ tot God geïmpliceerd is. Het is hier niet de plaats om dat verder uit te werken, maar het zal duidelijk zijn dat hier gedacht kan worden aan keuzes op het terrein van het streven naar geluk, de omgang met liefde en vriendschap, seksualiteit en gezondheid, macht en politiek, geld en eigendom, natuur en klimaat, werk en vrije tijd, oorlog en vrede. Hoe minder het geluid van het evangelie doordringt tot de diepere structuren van de samenleving, hoe meer christenen weer ‘nee’ zullen moeten zeggen, zonder angst en in vreugde.

De vrijheid van de vreemdeling

Het meest opvallend aan het nieuwtestamentische spreken over de radicale levensstijl in een context van weerstand en vervolging is wel, dat dit beschouwd wordt met grote nuchterheid en een ondertoon van diepe blijdschap. Eerder noemde ik al de merkwaardige combinatie van vervolging en vreugde in de laatste zaligspreking: “Gelukkig zijn jullie wanneer ze je omwille van Mij uitschelden, vervolgen en van allerlei kwaad betichten. Verheug je en juich, want je loon is groot in de hemel; zo immers vervolgden ze vóór jullie de profeten.” Vreugde heeft hier te maken met twee dingen. In de eerste plaats de wetenschap dat je in een traditie staat: de profeten werden ook vervolgd. Er is een geméénschap van vervolgden om Christus’ wil, in ruimte en tijd, en in díe gemeenschap wordt de eenzaamheid van het ego opgeheven en zo vreugde gevonden. In de tweede plaats heeft vreugde te maken met loon. Dat maakt de vreugde zelf echter niet futurisch. Het Rijk zelf en de eigenlijke beloning staat nog uit, maar de blijdschap geldt het heden, door de zekerheid deel te hebben aan de ware werkelijkheid: niet ‘uw loon zal groot zijn’, maar ‘uw loon ís groot’. De schat is in de hemel, maar hij is daar nu , en in de mate waarin de gelovige dat beseft is de vreugde er nu. Vreugde is de verbinding met de hemel in het heden, op de aarde. Het is de deelname aan het de andere werkelijkheid in deze werkelijkheid, het is het in de wereld weten dat je van de wereld onderscheiden bent.
Datgene in de profeet en in de Christus, wat ons tegenwoordig wellicht nog het meeste stoort, is: in de levensstijl van werken en bidden gaat het wel om loon, maar tegelijk om verborgenheid. Het loon wordt geheel losgemaakt van succes en relevantie. Het is het loon ‘in de hemel’ , bij de Vader ‘die in het verborgene woont’ en ‘in het verborgene ziet’ . Jezus’ gelijkenissen handelen over ‘de dingen die verborgen waren’ , omdat het Koninkrijk zelf een verborgen zaak is, ‘het Koninkrijk der hemelen’ . Betrokken zijn op het Koninkrijk is betrokken zijn op een zaak die verborgen is als de schat in de akker én in de hemel . De ware christelijke levensstijl stelt niet het leven met het uitzicht op de hemel tegenover het leven met het oog op de shalom op aarde, maar is een aardse gerichtheid in geloof, op het verborgene, in het vertrouwen dat het Koninkrijk niet komt door ons gelovig handelen, maar dat wij ‘vanaf nu’ ‘de Mensenzoon’ kunnen ‘zien zitten aan de rechterhand van de Machtige en Hem zien komen op de wolken van de hemel’ .

Conclusie

Een christelijke levensstijl is geen plan, geen project, geen antwoord op de angst voor irrelevantie, maar een teken van trouw in een wereld waarin het Koninkrijk verborgen is. Het is leven als vreemdeling, niet uit nostalgie naar het verleden of uit angst voor de toekomst, maar uit zuiver geworden hoop — hoop die alleen nog maar gericht is op God en niet meer rekent op succes. In een tijd waarin de waarheid van het evangelie steeds meer als bedreiging wordt ervaren, blijft de gemeente zingen, blijven de enkelen samenkomen om zich te oefenen in gehoorzaamheid, in liefde, in het nee-zeggen dat ruimte opent voor het ja van God. Niet om de wereld te winnen, maar om niet in die wereld verloren te raken. Niet om invloed uit te oefenen, maar om trouw te blijven aan Degene die riep tot kruisdragen. Een christelijke levensstijl is de vorm die vreugde in ballingschap aanneemt — vreugde die haar wortels heeft in het Woord, haar adem in het gebed, en haar richting in het ene, lichte gebod: “Heb lief.”

Voetnoten

Dit artikel gaat terug op een lezing die ik een aantal jaren geleden gehouden heb voor de landelijke studentenvereniging Ichthus. Bijgewerkt in april 2025.
Een eerste oriëntatie in de ethiek van Mattheüs biedt R.B. Hays, The Moral Vision of the New Testament, Londen 1997, hoofdstuk 4. Verder ben ik van mening dat theologische argumentaties cumulatief behoren te zijn, gebruik makend van de Schrift, de traditie, de rede en de ervaring. Het sterkste betoog is dat, waarin deze vier lijnen elkaar versterken en ondersteunen. Informatief over deze vier bronnen A.E. McGrath, Christian Theology. An Introduction, Oxford 1994, hoofdstuk 6.
Bijvoorbeeld G.D.J. Dingemans, In de leerschool van het geloof, Kampen 1995, derde druk, 52-57 en van dezelfde auteur Als hoorder onder de hoorders, Kampen 1995, tweede druk, 92-97. Dingemans spreekt van het ‘exielmodel’.
W. Barnard, ‘Wij moeten Gode zingen’, Liedboek, Zoetermeer 2013, lied 713:3.
Dit blijkt bijvoorbeeld uit een vergelijking van het werk van J.A.T. Robinson met Liberaal christendom (Rick Benjamins e.a., Vught 2016). De postmoderne aandacht voor het post-theïsme en ‘God na God’ (Kearney) kan ook begrepen worden als een voortzetting van de mystieke traditie van het christendom.
De term is van Kuitert, Jezus, nalatenschap van het christendom, Baarn 1998, 213vv.
E.P. Meijering, Het Nederlands christendom in de twintigste eeuw, 2007.
Informatief daarover A.J. Rasker, De Nederlandse Hervormde Kerk vanaf 1795, Kampen 1996, 310vv.
Vgl. het gelijknamige instituut dat in 1945 vanuit de Nederlandse Hervormde kerk werd opgericht.
J.C. Hoekendijk, De kerk binnenste buiten, Amsterdam 1964, deel I, ‘De kerk als functie van het apostolaat’. Er klonken ook andere geluiden, bijvoorbeeld G. de Ru, De Kerk naar binnen, Wageningen 1970.
K.H. Miskotte heeft dit al heel vroeg gezien, zie Verzameld Werk 3, 518-521 (‘Niet het rijk maar de kerk’)
Psalm 119:19, 54 (NBV21).
K.H. Miskotte, Als de goden zwijgen, Amsterdam 1956, 100. Cursivering ook bij Miskotte.
Mattheüs 5:1-12.
Mattheüs 7:14.
Mattheüs 22:34-40.
‘Dilige et quod vis, fac.’ Augustinus, Tractatus in Epistolam Ioannis VII.8 (In: Corpus Christianorum, Series Latina 36).
Vgl. het voorstel Bart Robbers om te komen tot ‘vijf zuilen van het protestantisme’ (Trouw, 19 december 2006).
Genesis 4:24.
Deuteronomium 19:21.
De term ‘naaste’ in het oudtestamentische gebod je naaste lief te hebben als jezelf, heeft uitsluitend betrekking op de volksgenoten. (Leviticus 19:18. Vgl. Lukas 10:25-37.)
Mattheüs 5:44, Lukas 6:27, 35.
Vgl. F. Boerwinkel, Meer dan het gewone, Over Jezus en zijn Bergrede, 1977.
Mattheüs 5:39-41 (NBV21).
Mattheüs 5:11-12.
Vgl. Mattheüs 23:12 in de context van dit hele hoofdstuk.
Mattheüs 24.
Mattheüs 26:64 (NBV21).
Luther, Grote catechismus, Werken van dr. Maarten Luther II, Kampen 1965, 17.
Luther, Grote catechismus, 17.
Mattheüs 5:11-12. NBV21 licht door mij aangepast.
Mattheüs 5:21.
Het hart van de Bergrede is het Onze Vader. Zie daarover G.H. ter Schegget, Het gebed als hart van de ethiek, Leiden 1982,
Mattheüs 5:12.
Mattheüs 6:4, 6, 18.
Mattheüs 13:35.
Mattheüs 4:17 e.a.
Mattheüs 13:44.
Mattheüs 6:20-21.
Mattheüs 26:64 (NBV21).

Claudia erbij geroepen (Preek Mattheüs 27:19)

Doopdienst

Gemeente van Christus,

je kent vast wel dat gevoel dat je een keer een verkeerde keuze hebt gemaakt en dat je er daarna vervolgens eigenlijk niet van afkomt. Dat je erover blijft liggen malen en piekeren.
Dat je wakker ligt en twijfelt. Dat je denkt, had ik het maar anders gedaan. Soms zijn het kleine dingen, je zei iets bot tegen iemand en s’avonds als je in bed stapt, dan denk je daar ineens aan terug.
Soms zijn het ook grote beslissingen, dingen die echte gevolgen hebben. Ze blijven je bij en je komt er niet los van. Je geweten spreekt tot je.
Dat kun je ook hebben als je medeverantwoordelijk bent voor iets. Niet de eerste, maar toch, je bent er wel bij. Die jongen in je klas, je weet het nog precies van vroeger al, is het misschien al heel lang geleden, die gepest werd. En jij deed niet mee met dat pesten, maar je deed er ook niks tegen. En zo werd je eigenlijk toch medeverantwoordelijk. En je weet hoe het met die jongen is afgelopen. Hoe die er z’n hele leven last van hield. En dan zit het jou ook dwars, want ergens heb jij ook meegedaan.
Ik las pas een geschiedenis van iemand, een misdadiger, die had een ander doodgeschoten. Degene die hem het wapen had verkocht, die hoorde daarvan. Die wist, dat is met het wapen gebeurd, dat ik hem verkocht heb. Toen greep hij toch nog niet in, maar de man doodde nog iemand en nog iemand. Hij werd een seriemoordenaar, met dat wapen. Toen dacht die wapenhandelaar, ik stap naar de politie. Een wapen verkopen aan iemand is één ding, maar als die ander ermee gaat schieten, dat is toch nog wat anders.
Vandaag lezen we over iemand die ook in zo’n soort situatie zit. De vrouw van Pilatus. De vrouw van, ja maar toch, zo dicht bij haar man, zo ook betrokken in alles, medeverantwoordelijk, toch ook, voor wat er gebeurt. En bezorgd. Om het proces tegen Jezus.

Claudia, heet deze vrouw van Pilatus volgens de traditie. In de Bijbel heeft ze geen naam, maar de latere traditie heeft ze wel een naam, Claudia. En als je goed kijkt op deze ets van Rembrandt, dan is ze er ook een beetje bij, want je ziet Pilatus en Jezus hier op het bordes staan. Als je goed kijkt, dan zie je links van Pilatus ook nog een jongen met een waskom, waar Pilates zijn handen in zal wassen. Voor het podium zie je twee groepen mensen. Links de schare. En rechts de elite, zal ik maar zeggen. En dan zie je boven ook nog raampjes. En rechtsboven uit dat raampje, daar kijkt de vrouw van Pilatus mee. Zo heeft Rembrandt dat bedoeld. Zij is erbij. En zij voelt zich medeverantwoordelijk. Je wordt ook ergens ingezogen. Dan ben je ook medeverantwoordelijk.

Zo is het in het geloof ook. Je wordt er ineens bij betrokken. Je denkt misschien: Wat heb ik eigenlijk met die Jezus te maken? Maar ja, je wordt er toch in betrokken. Zo zie je dat vaker gebeuren. Claudia is niet iemand die we een grote rol toekennen in het lijdensverhaal van Jezus. De andere evangelieën noemen haar überhaupt niet. Maar hier komt ze even naar voren. Als de vrouw van Pilatus. En ze voelt dat er iets niet klopt. En daarom stuurt ze haar man een boodschap, die door merg en been gaat. “Bemoei je niet met die rechtvaardige, want ik heb vannacht om hem moeten dromen.” Wat ze precies gedroomd heeft, dat zegt ze er niet bij. Maar, ze zegt wel, en dat is heel belangrijk, dat ze in haar droom veel om hem geleden heeft. Dat is wel een bijzondere manier van zeggen natuurlijk. Dan denk je, nou zou iemand dat nou zo zeggen? Mattheüs heeft het in ieder geval niet zomaar zo opgeschreven. Want “veel geleden” is de term die het evangelie ook gebruikt voor Jezus zelf. Jezus zelf zegt het een aantal keren: “Ik moet naar Jeruzalem gaan en ik moet veel lijden.” Dat is dan natuurlijk geen toeval, dat de evangelist hier datzelfde woord gebruikt voor wat Claudia vertelt. Het lijden van deze vrouw in haar droom raakt, dat wil de evangelist zeggen, aan het lijden van Jezus zelf. Jezus moet veel lijden om de mensen en Claudia moet veel lijden om Jezus. Jezus betrekt haar dus in zijn eigen lijden. Haar lijden wordt een mede-lijden met Christus. Zij wordt in zijn weg betrokken, meegenomen. Al is het dan op haar manier en van afstand, maar zij wordt er wel in meegenomen.
Zoals dat vaker gebeurt in de lijdensgeschiedenissen. Simon van Cyrene, die zal straks eigenlijk een soort toevallige voorbijganger zijn. Als Jezus naar het kruis loopt, maar Hij kan het kruis niet meer dragen, omdat Hij al zo verzwakt is door de geseling, dan grijpen ze Simon van Cyrene er ineens bij. Iemand die er eigenlijk niet bij hoorde, wordt erin betrokken en moet met Jezus gaan lijden. Zoals Petrus ook bespot wordt en zoals de vrouwen die wenen. Jezus betrekt mensen bij zijn eigen lijdensweg. En dat is geloven, dat je je daarin laat betrekken en mee gaat doen in die geschiedenis van Jezus. Het is ook een heel hoopvol bericht, dat we in de Evangelie dus lezen dat dat ineens zomaar met iemand kan gebeuren. Van wie je het eigenlijk niet zou verwachten en die het misschien ook niet van zichzelf verwachtte.
Maar het gebeurt. Misschien wel in een droom. Nog steeds. Misschien is er in deze tijd ook in jouw leven wel iets kleins waarvan je denkt: ja, moet ik daar nou naar luisteren? Zo’n droom. Je kunt het ook negeren. Maar het Evangelie vertelt: er kunnen kleine dingen zijn, die moet je dus niet negeren. Dat kan Gods manier zijn om jou erbij te betrekken.

Jezus staat ondertussen voor de man van Claudia, Pilatus. De stadhouder wordt hij hier genoemd. Zijn Romeinse functie. Vanuit Rome is hij hier neergezet om het Joodse volk te regeren. Uit andere bronnen weten we dat Pilatus een gruwelijke hekel had aan het Joodse volk. Maar hij moest zijn taak waarnemen. Hij staat daar. En nu wordt hij weer geconfronteerd met een kwestie waar hij als Romein eigenlijk geen verstand van heeft. Maar hij heeft wel door: dit kan toch eigenlijk niet zomaar. En die godsdienstige twisten kan ik toch ook niet zomaar voor mijn rekening nemen. En toch gaat hij Jezus veroordelen.

Daarmee, zegt het Evangelie, wordt de wereld op zijn kop gezet. Want Claudia zegt precies wie Jezus is. De rechtvaardige. “Bemoei je niet met deze rechtvaardige”. Dat wil zeggen: degene die geen schuld heeft. De onschuldige. De onschuldige wordt hier behandeld alsof hij zelf een misdadiger is.

En de schuldige, Pilatus, die mag rechtspreken. Dat is de wereld op zijn kop. En ergens voelen de mensen in de geschiedenis rond Jezus dat ook wel aan, dat dit te ver gaat. Dat een mens niet zover zich mag verheffen dat hij een onschuldige veroordeelt. Dat hier iets van God naar hen toe komt. Maar ja, je hebt als stadhouder ook je eigen belangen. Je eigen carrière. En bovendien, wie kan je eigenlijk wat maken? Jij bent de stadhouder.

Pilatus zit in een krachtenveld. En in dat krachtenveld hoort hij dan ook de stem van zijn vrouw, die ineens inbreekt. Dat heeft invloed. Of toch niet? Nou, zegt het Evangelie, het is in ieder geval een draaipunt in de geschiedenis. Want Pilatus had al een plan bedacht. Het wordt Jezus of Barabbas. Die zal ik ze voorstellen. Jezus, van wie eigenlijk iedereen wel weet dat hij onschuldig is. Of Barabbas, de grote misdadiger, de grote crimineel. En Pilatus is eigenlijk wel zeker van zijn zaak. Ze zullen Barabbas niet kiezen om vrij te laten. Ze zullen voor Jezus kiezen. Jezus zal vrij raken en daarmee zal Pilatus er dan ook weer van af zijn. Dan zal hij er goed van afgekomen zijn.

Maar dan komt het briefje van zijn vrouw binnen. Het wordt gebracht. Pilatus moet het lezen. En terwijl dat gebeurt, draait de situatie. Mensen nemen de pauze te baat om anderen op te hitsen Barabbas te kiezen als vrijgelatene.
Pilatus is er even niet bij. En als hij opkijkt is de stemming, is de sfeer al zo gedraaid dat het zal worden: Barabbas vrij, Jezus gekruisigd. Het plan wordt een mislukking.

Die kleine scène met Claudia is dus wel degelijk een draaipunt in deze geschiedenis. Iets kleins kan dat zijn, een draaipunt, ten goede of ten kwade. Bedenk dat ook. Dat is een eerste les uit deze geschiedenis. Sta open voor wat God je wil zeggen. Door de Bijbel, maar misschien ook wel door een droom, door iets anders, door iets toevalligs. Sta daarvoor open en doe er dan wat mee. Denk niet: dat maakt toch niks uit. Wat heb ik nou voor invloed? Dat had Claudia ook best kunnen denken. Wat is nou mijn plek? Wat maakt mijn plek uit? Dat verandert toch niks? Maar dat weet je nooit. Dat zal blijken. Dat is misschien niet in je hand, maar dan is het in Gods hand. Dan hoeven we het ook niet te weten. Maar het neemt je verantwoordelijkheid niet weg.

Je kent het spreekwoord: als een vlinder in Brazilië zijn vleugels opslaat, dan kan in Europa een storm losbreken. Zo werkt dat soms. Kleine dingen doen er toe. Dat is een troost voor al onze levens. Wij hebben niet zoveel invloed. Wij zitten niet aan de grote knoppen te draaien. Maar wij doen er wel allemaal toe.

Claudia heeft dat ergens toch begrepen. Ze moet iets doen met dat wat ze beleefd heeft. Ingaan tegen zo’n primaire ervaring is altijd slecht. Is slecht voor je geweten, maar is helemaal slecht voor je. En als je er wel iets mee doet, dan mislukt het misschien. Maar dan kun je in ieder geval later tegen jezelf zeggen: ik heb gehandeld naar wat ik toen dacht dat gebeuren moest.

Nu is het wel de vraag of Claudia zover durft te gaan. Want ze laat haar man schrijven: “Bemoei je niet met deze rechtvaardige”. Veel verder durfde ze blijkbaar niet te gaan. Ze heeft haar man niet laten schrijven: “Spreek hem vrij”. Maar: zoek een manier waarop jij er niet mee te doen hebt.

Daarin lees ik toch nog een bepaalde angst. Een bepaalde angst om echt iets te doen met wat ze heeft beleefd in haar droom. Angst om helemaal te doen met wat ze eigenlijk wel weet en van overtuigd is, dat Jezus rechtvaardig, onschuldig is. Een onschuldige verdient het niet dat je je gewoon niet met hem bemoeit. Een onschuldige verdient het dat hij vrijgesproken wordt.

Een andere evangelie vertelt dat Pilatus zelf ook niet verantwoordelijkheid wilde nemen voor Jezus. Hij wil het doorschuiven. En hij schuift het dan door naar Herodes. Ik wil er niet mee te maken hebben.

Dat is een verleidelijke houding. Dat kan ook voor ons tegenover Christus een verleidelijke houding zijn. Dat je zegt: ik wil er eigenlijk niet mee te maken hebben. Ik wil niet tegen Jezus kiezen. Maar voor Jezus kiezen, dat is ook nogal wat. De tragiek van de geschiedenis van het lijden van Jezus is nu, dat ook diegenen die niet tegen Jezus kiezen, toch ook medeschuldig worden aan zijn dood. Slechte mensen worden medeschuldig aan Jezus dood, mensen die het kwade echt willen zoals Judas. Maar ook goede mensen zoals Claudia, die zich laat aanspreken door God, en die het ergens ook wel weet, hoe het zit. Die ongetwijfeld iets nobels in haar karakter heeft. Ook zij kan uiteindelijk niet meer doen in het evangelie van het lijden, dan meewerken aan de dood van Jezus.

Daar zit voor mij ook de boodschap in dat Jezus voor alle mensen moest komen, en voor alle mensen moest sterven. Er lijkt zo’n enorm verschil tussen de gemene Judas die Jezus verraadt, en zo’n fatsoenlijke, zuivere, nobele vrouw als Claudia. Als je Judas’ gezicht door een kind zou laten tekenen, dan zou je een heel eng gezicht zien, een nare grijns, gemene ogen, een kille verradersblik. En Claudia zou een kind tekenen als een lieve, deftige, intelligente, geïnteresseerde en nobele vrouw. En toch worden ze er in het evangelie zo bij betrokken, dat ze uiteindelijk allebei meewerken aan de dood van Jezus. Omdat Claudia ook niet durft te zeggen: “Spreek hem vrij”. Juist als je een goed mens bent en je hebt een positie bereikt in je leven, is het ook verleidelijk om je maar buiten de dingen te houden, buiten de moeilijke situaties. Juist als nobel en gezien mens heb je zoveel te verliezen.0

Maar op cruciale punten is je er niet mee bemoeien net zo gevaarlijk en ook net zo verkeerd als het kwade doen. Claudia en Pilatus zijn daarin een, dat ze een manier zoeken om zich erbuiten te houden. Claudia door te zeggen: bemoei je niet met deze rechtvaardige. Pilatus door zijn handen te wassen in onschuld. Hij wordt dan wel mede schuldig aan de dood van Jezus, maar hij probeert het voor zichzelf zo te draaien dat hij toch eigenlijk niet schuldig is.

Maar zo gemakkelijk kom je niet aan je schuld van de dood van Jezus af. Pilatus heeft geen kommetje voor zijn handen nodig. Maar Pilatus heeft een doopvont nodig. De doop lijkt niet zoveel anders dan die wassing van Pilatus. Maar ondertussen is de doop eigenlijk precies het tegenovergestelde van die wassing van Pilatus. Pilatus wast zich om op een goedkope manier van zijn schuld af te komen. Maar wie zich laat dopen bekent juist schuld. Wie zich laat dopen bekent juist schuld, in plaats van dat hij daar vanaf wil komen. Wie zijn kind laat dopen bekent ook schuld voor zijn kind. Zegt eigenlijk: mijn kind is net als ik. En ik ben weer net als Pilatus. Ik wil er eigenlijk ook buiten blijven.

Maar nu is er ook vandaag weer gedoopt. Job en Romy zijn gedoopt. Hopelijk zijn zij niet als Judas en meer als Claudia. Maar hoe ze ook zijn, ergens is er ook voor hen alleen maar toekomst als ze zich laten betrekken in het lijden van Jezus. Als ze veel om hem ook leren lijden, en als ze leren om hun handen niet te wassen in onschuld, maar te leven vanuit hun doop.

In de vrouw van Pilatus herkennen we dus een goed mens. Een mens zoals een mens vanuit zichzelf, vanuit zijn eigen krachten maximaal kan zijn. Een mens zoals je zou willen dat je kind wordt. Een mens met het hart op de juiste plek. Met een gevoel voor rechtvaardigheid. Maar ook die mens heeft uiteindelijk Jezus nodig. Misschien herken je dat ergens wel. Dat je denkt: ja, zo denken de mensen nou ook over mij. Ik denk dat alle mensen over mij denken als een lief, nobel, goed mens. En er zijn ook veel dagen waarop je over jezelf denkt als een goed mens. Een mens met een gevoel voor rechtvaardigheid en het hart op de juiste plek. Maar ook goede mensen falen uiteindelijk rond het kruis van Jezus. En daarom is Jezus ook voor goede mensen gestorven. En hebben ook goede mensen hem nodig. En moeten ook goede mensen leren dat ze uiteindelijk alleen vanuit hun doop kunnen leven.

Pilatus kreeg de boodschap: bemoei je niet met deze rechtvaardige. Maar wij moeten ons dus juist wel met hem bemoeien. Wij moeten iets met hem doen. Niet hem afwijzen, maar hem ontvangen. Niet zwijgen, maar geloven. Niet je handen wassen, maar je hart openen. Christus geeft zijn leven voor je. Niet omdat je zo geweldig bent, maar omdat Hij zo vol liefde is. Dat mag je meenemen, dat mag je je een leven toe-eigenen. Als je hier zit, zoals jullie als de ouders die net je kind lieten dopen. Als je hier zit als een tiener die misschien twijfelt aan het geloof. Die denkt, wil ik Hem wel volgen? Of wil ik mij er ook niet teveel mee bemoeien? Of als je hier zit als iemand die heel goed weet van schuld. En dat je dat niet zomaar afwast met je handen in een kommetje. Dan mag je in alle gevallen horen: ten diepste moest alles precies zó gaan als het gaat. Dat is het wonder van het lijdensevangelie.

Je denkt: Had Pilatus maar zijn rug gerecht en gedaan wat hij wist dat hij moest doen, Jezus vrij spreken! Ja, je hebt gelijk. Had Claudia maar net iets meer moed gehad, en geschreven: spreek hem vrij! Ja, je hebt gelijk. En toch: onder alles wat waar is, gebeurt iets wat God op een nog diepere manier wil. Er is de waarheid dat Jezus niet mocht sterven. En er is de nog diepere waarheid dat Hij moest sterven. Daarom zwijgt Hij waar Pilatus en Claudia en elite en het volk spreken. Jezus wil zijn leven geven, en geeft het. En dat doet hij voor ons allemaal. Nog steeds, en voor altijd. De lijdende Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid.

Amen.

(Waddinxveen, 6 april 2025)

Baarmoeder van het Woord (meditatie)

“Overeenkomstig Zijn wil heeft Hij ons gebaard door het Woord van de waarheid, opdat wij in zeker opzicht eerstelingen van Zijn schepselen zouden zijn.” (Jakobus 1:18)

Gerrit Achterberg kende zijn bijbel. Zijn gedicht ‘Baarmoeder’ gaat als volgt:

“De zomerwind verwekt u uit het niet,
waarbij mijn handen grote stilten zijn.
Ik voel van deze lust alleen de pijn:
een snelle zwangerschap die mij doorschiet
en u voldraagt in minimum van tijd;
baarmoeder van het woord die opensplijt
om u te laten vlieden in een lied.”

Veel gedichten gaan over het dichten en het dichterschap. Dat komt natuurlijk doordat het woord dat de dichter spreekt nooit ervaren wordt als iets dat hij bedenkt of maakt, maar als iets dat aan hem geschiedt. Elk werkelijk dichterschap heeft religieuze trekken en elke werkelijke dichter, ook in onze tijd, heeft, in ieder geval volgens zijn subjectieve beleving, iets van een druïde, een priester, een nar die de waarheid ontvangen heeft en moet doorgeven. Niet uit narcisme, maar uit verwondering over het fenomeen van het geschonken woord dichten veel dichters over het dichten. Dat woord noemt Achterberg hier een baarmoeder. Dat ontleent hij aan de Schrift, aan Jakobus. De NBV21 heeft hier “Hij wilde ons tot leven roepen”, en over de BGT zullen we het maar niet hebben. De manier waarop het plastische en het beeldende uit moderne bijbelvertalingen is weggeschreven, is godgeklaagd. Je moet hier de baarmoeder voor je zien, en God – nota bene in het vers hiervoor nog ‘Vader’ genoemd, ‘bij Wie geen verandering is’! – als barende. Dat beeld is genomen uit de diepte van het Oude Testament. In Numeri vraagt Mozes in zijn toorn aan God: “Ben ik soms zwanger geweest van heel dit volk? Of heb ik het gebaard, zodat U tegen mij zou kunnen zeggen: Draag het?” (Num. 11:12) Bedoeld is dus: Niet ik, Mozes, heb dit volk gebaard, maar U!
Een vrouwelijker woord dan baarmoeder bestaat niet. In onze hysterische tijd (de ergste hysterie is misschien over) werd recent voorgesteld om de aanduidingen ‘man’ en vrouw’ te vervangen door – mensen zonder en mensen met een baarmoeder. De baarmoeder is ons laatste onderscheid, en het diepste van de vrouw. Maar het hoort bij de, men mag wel zeggen ‘zeer mannelijke’ God van het Verbond. Hij vecht zoals Hij baart en Hij baart zoals Hij vecht.
Volgens Jakobus baart God nieuwe schepselen door het Woord van de waarheid. Dat is een zin die wij op ons netvlies moeten branden, als wij het willen hebben over de prediking. De prediking is werkelijk een gestalte van het Woord, en het Woord is werkelijk een gestalte van God. Prediking is een baren van nieuwe schepselen, die zonder die prediking doodgeboren blijven.

(In de Waagschaal 54/2 (februari 2025), 3)

Wat is een preek? Thesen

Deze stellingen verschenen in het tijdschrift ‘In de Waagschaal’, 54/2 (februari 2025), 6-9. Er kwamen reacties in nummer 3. Naar aanleiding van de stellingen zal een interview met dr. Ciska Stark en mij verschijnen in het Nederlands Dagblad.

Wat is een preek? Thesen

  1. De preek is niet belangrijker dan de liturgie, het pastoraat, de catechese, het leerhuis en de kerkenraadsvergadering, maar het is inhoudelijk wel datgene waar het in het predikantschap en de kerk het meest op aan komt. Een kerk die het Evangelie niet meer recht verkondigt, is geen kerk.
    0.1 Aandacht voor de prediking moet niet voortkomen uit het verlangen een oplossing te vinden voor de ontkerkelijking. Nog minder moet de ontkerkelijking leiden tot een structureel andere invulling van de eredienst. Bezinning moet altijd komen vanuit de eigen inhoud en doelstelling.
    0.2 In onze hijgerige cultuur valt niet te verwachten dat de prediking als fenomeen snel hoge ogen zal gooien; maar een goed verhaal dat werkelijk over de diepe vragen van alle tijden en zo ook over de vragen van nu gaat, zal altijd een groep hoorders blijven vinden.
    0.3 Een dominee die niet kan preken is als een fietsenmaker die het wiel van de fiets niet goed monteert, waardoor de fietser in het ziekenhuis belandt. Hij moet ontslagen worden.

  1. Een preek is “uitleg en toepassing van een specifiek Bijbelgedeelte”. Die oude formele definitie bevat veel dat vergeten dreigt te worden.
    1.1 In de preek staat een Bijbelgedeelte centraal. Aan de preek gaan Schriftlezingen vooraf, waarvan er één de expliciete basis van de preek vormt. De preek actualiseert de geloofsbelijdenis dat de Bijbel Gods Woord is dóór die Bijbel te herscheppen in een nieuw actueel verkondigend woord.
    1.2 Als actualisering van het geschreven Woord van God (de Bijbel) is de preek ook zelf gestalte van het Woord van God. Daarbuiten, los van die verbinding aan de Schrift, niet.
    1.3 Eén specifiek Bijbelgedeelte ligt ten grondslag aan de preek; niet de Bijbel als geheel, een Bijbels kernwoord, een Bijbels personage of een Bijbelse gedachte. Een toespraak over ‘het evangelie’, ‘de macht van God’, ‘de profeet Elia’, of ‘vluchtelingen’ is geen preek, ook niet als deze op een zondag in de eredienst gehouden wordt.
    1.4 Dat er steeds één pericoop ten grondslag ligt aan de preek, dwingt de prediker om ook specifiek te zijn in zijn spreken over God, de hoorder en de leefwereld van de hoorder. Het gaat niet om algemene waarheden, maar om wat déze tekst te zeggen heeft. Grondvraag bij het maken van de preek is: wat staat hier in dit Bijbelgedeelte dat je nérgens anders in de Bijbel kunt vinden? Dat punt is het uitgangspunt van de preek.
    1.5 Een preek is uitleg van dit specifieke bijbelgedeelte. Uitleg is antwoord op de vraag: “Wat betekende deze tekst voor de eerste lezers?” De eis van de uitleg impliceert dat alleen wie Hebreeuws en Grieks kent en vertrouwd is met de exegese en theologie van de Bijbelboeken en de (godsdienst)geschiedenis en context van Israël, een preek kan maken.
    1.6 Een preek is toepassing van dit specifieke bijbelgedeelte. Toepassing is antwoord op de vraag: “Wat betekent deze tekst voor de lezers en hoorders van nu?” Deze toepassing kan, afhankelijk van de pericoop, collectief of individueel zijn, liggen op het vlak van het geloof en de geloofsontwikkeling, de liefde en goede werken, de hoop voor dit leven en het komende leven, de politiek, de samenleving, de kerk, de persoonlijke kracht, dankbaarheid, vreugde, verdriet, woede en angst, enzovoorts. Nooit echter is de toepassing algemeen. Algemene waarheden zijn uit den boze, en geen echte waarheden. De echte waarheid is altijd concreet.
    1.7 De eis van toepassing impliceert dat de verkondiger kennis heeft van de kerk- en theologiegeschiedenis, de dogmatiek, de ethiek, de hermeneutiek, de cultuurfilosofie, de (godsdienst)psychologie, de (godsdienst)sociologie, kortom een brede kennis van de geesteswetenschappen in hun relevantie voor het geestelijk leven en de gemeente. En dat niet alleen uit de studieboeken, maar ook in hun doorwerking in de media en de eigen tijd. Om te kunnen toepassen moet de prediker een idee hebben van de tijdgeest in haar collectieve en persoonlijke werking.
    1.8 In de preek worden uitleg en toepassing niet gescheiden, maar gemengd. De hoorder wordt in de tekst getrokken en zo sámen met de tekst in één beweging ‘uitgelegd’. Wanneer de uitleg en de toepassing gescheiden worden, maakt dit de preek niet alleen saai, maar ook blijft de relevantie, noodzaak en urgentie van deze tekst onduidelijk, en komt het ‘heden’ van de openbaring, waarin de gestalten van het Woord Gods samenvloeien, niet tot stand.

2. Naast de formele definitie van de preek is ook een inhoudelijke mogelijk, maar deze is van minder belang dan de formele. Omdat het om uitleg en toepassing van een specifiek Bijbelgedeelte gaat, mag de preek niet gebukt gaan onder een groot inhoudelijk gewicht. Dogma, psychologie en exegese moeten slápen tijdens de preek, net als andere voorkennis en vooroordelen. We moeten dus oppassen met te zeggen dat dit of dat in een preek ‘moet’ voorkomen. 2.1 Dit gezegd zijnde, kan toch een inhoudelijke definitie van de preek gegeven worden in de 3-2-1-regel: Een preek gaat over de drie stukken, de twee wegen en de ene Heer.

3. In de preek wordt gedacht vanuit de drie stukken van ellende, verlossing en dankbaarheid (Heidelbergse catechismus). Zij maken de mens tot onderwerp van de preek. Het gaat om de ellende van de mens, de verlossing van de mens, de dankbaarheid van de mens. Deze regel bewaart tegen een al te objectieve en al te christocentrische prediking.
3.1 Aandacht voor de psychologie van de mens is geen gevaar voor de prediking. Het is eerder omgekeerd: de psycholoog heeft de ruimte die vroeger door de prediking (en het pastoraat) werd ingenomen van de kerk afgenomen. Het is zaak deze diefstal ongedaan te maken. Een goede preek is ook een psychische hulp.
3.2 Ellende, verlossing en dankbaarheid zien de mens niet als geïsoleerd object. Zijn ellende is zijn ellende tegenover God, zijn verlossing de verlossing door Christus, zijn dankbaarheid een door de Geest gewekte dankbaarheid. Mensgerichte prediking is zo altijd automatisch ook trinitarische prediking.
3.3 De drie stukken moeten niet op de voorgrond, maar op de achtergrond van de preek aanwezig zijn. Zij zitten in het hoofd van de prediker, maar liggen niet aan de oppervlakte van zijn woorden, en hoeven ook niet altijd alle drie aan de orde te zijn. In een preek over Psalm 88 of Prediker 1 heeft de prediker bijvoorbeeld de morele plicht volledig bij het stuk van de ellende te blijven staan.
3.4 De drie stukken geven de prediker ruimte om zich te bewegen in het volledige persoonlijke en culturele leven van zijn eigen tijd.

    4 In de preek wordt gedacht vanuit de bestemming van de mens. Klassiek geformuleerd zijn dit de twee wegen; de brede weg die ten verderve leidt en de smalle weg die ten leven leidt.
    4.1 De twee wegen brengen de mens als willend en verantwoordelijk wezen ter sprake en God als wezen dat de mens bij Zich wil hebben. Zij nemen de hoorder volledig serieus door hem op de uiterste mogelijkheden van zijn levensontwerp te wijzen. De menselijke keuzes doen ertoe en het leven is geen vakantie, maar een reis met een doel. In dit opzicht kan de visie van de twee wegen gemakkelijk aansluiten bij het moderne levensgevoel.
    4.2 Een mens kan in de tijd en in de eeuwigheid verloren gaan. Verloren gaan in de tijd is dat het er in het mensenleven op aarde niet toe komt om op Gods roeping antwoordt te geven. Beide mogelijkheden van verloren gaan moeten niet als dreigement naar voren komen, maar de prediker moet ze wel beseffen als hij tot zijn hoorders spreekt.
    4.3 Het is niet erg dat in de ene traditie de mogelijkheid van het tijdelijk verloren gaan op de voorgrond treedt, en in de andere traditie die van het eeuwig verloren gaan; wel is het erg dat er tradities zijn waarin de mens in het geheel niet verloren lijkt te kunnen gaan. Die tradities zullen uit de kerk verdwijnen omdat ze noch de mens noch God ernstig nemen.
    4.4 De (liberale) traditie die het verloren gaan in de tijd thematiseert benadrukt het collectieve van de mens: ‘als wij zo door gaan, gaat de samenleving ten onder’. De (orthodoxe) traditie die het eeuwig verloren gaan thematiseert, benadrukt het individuele van de mens: ‘Twee dingen moet een mens alleen doen: hij moet alleen geloven en alleen sterven’ (Luther). Deze beide tradities sluiten elkaar niet uit, maar vullen elkaar aan.
    4.5 Of en in hoeverre de twee wegen in de concrete preek aan de orde moeten zijn, wordt door het Schriftgedeelte en niet door het dogma of de traditie bepaald.

    5 De ene Heer die in de preek centraal staat, is Christus.
    5.1 Christus is het telos van de preek.
    5.2 Christus kan alleen het telos van de preek zijn, wanneer Hij God is. Een ander doel dan God is theologisch onzinnig. Werkelijke prediking veronderstelt dus de tweenaturenleer.
    5.3 Omdat Christus het telos van de preek is, is de genade het diepste van ons leven. De preek versterkt bij de hoorders het besef dat zij alleen van genade kunnen leven, en van genade mogen leven.
    5.4 Door Christus als doel van de preek wordt de mens uiteindelijk van zichzelf losgemaakt en op het heil buiten hemzelf gewezen. De mens heeft geen leven in zichzelf, het is Christus die zijn leven is.
    5.5 De gehele Schrift is het ene gewaad waarin de gehele Christus tot ons komt. Daarom kan in geen enkele preek volledig over Christus gezwegen worden.
    5.6 Hoe en in hoeverre Christus in de concrete preek expliciet aan de orde is, wordt door het Schriftgedeelte en niet door het dogma of de traditie bepaald.

    6 Een preek die korter duurt dan 20 minuten kan geen preek zijn.
    6.1 “Diepte heeft breedte nodig” (K.H. Miskotte).

    God, Israël, Hamas

    Preek 6 oktober 2024

    Teksten: “En de God die met vuur antwoordt, die is God” (1 Koningen 18:24) en “in het vuur was de HEERE niet” (1 Koningen 19:12)

    Gemeente van Christus,

    Het is vandaag bijna exact een jaar geleden dat de verschrikkelijke aanval van Hamas op Israël plaatsvond. We nemen dat als aanleiding om met elkaar na te denken over de vraag: ‘God, Israël, Hamas: wat moeten we ermee?’
    Toch zijn we vandaag niet van een kerk een politieke debatclub geworden. Niet voor niets staat in het thema het woord ‘God’ voorop. We zijn hier niet om interessant nieuws te bespreken met elkaar, maar omdat wij in God geloven.
    Die God is de God van alle mensen, van alle volken. En toch heeft Hij te midden van al die volken iets bijzonders met één volk.
    Dat ergert ons. Dat die God, die toch eigenlijk van alle mensen evenveel zou moeten houden, toch ook een volk heeft uitgekozen waar Hij in het bijzonder iets mee heeft. Maar die ergernis kunnen we uit het geloof niet wegnemen. We moeten die ergernis samen bedenken. Dat God van alle mensen en ook van Joden en Palestijnen evenzeer de Schepper is en dat Hij toch tegelijk aan ons vraagt om te erkennen dat er één volk op aarde is dat Hij in het bijzonder heeft uitgekozen om zijn volk te zijn.
    En dan is die ene God ook nog eens de God van deze kwade wereld, van deze wereld waarin wij kwaad doen en waarin zijn eigen volk ook meedoet met kwaad en geweld. Hoe kunnen wij dan in Hem geloven? Wat kunnen wij dan van Hem verwachten? En wat heeft Hij dan te maken met alles wat in Israël gebeurt?
    Politiek gezien heb je als christen best een zekere vrijheid in het beantwoorden van die vraag. We hoeven elkaar niet te dwingen om politiek gezien precies hetzelfde te denken over het huidige conflict tussen Israël en Hamas.
    Ik denk wel dat er grenzen zijn. Voor mij is er bijvoorbeeld een grens als ik hoor dat er mensen zijn die morgen als het een jaar geleden is dat die verschrikkelijke pogrom in Israël plaatsvond, dat er dan mensen zijn in Nederland en in andere Europese landen die op die dag gaan protesteren tegen Israël, en voor een Palestina waar voor Joden geen ruimte meer is. Ik kan dat niet anders interpreteren dan een vorm van Jodenhaat. Hoe solidair je ook met Palestijnen kunt zijn: dan ga je een grens over.
    Aan de andere kant ga je ook een grens over als je van het geweld van Israël zomaar zegt dat God dat allemaal goed vindt. Er zijn wel enkele oorlogspsalmen in de Bijbel die bijvoorbeeld zeggen: “God leert mij hoe te strijden”. Dat zegt David bijvoorbeeld als hij oorlog moet voeren. God leert mij hoe ik de vijand de kop moet afhakken. Ik zag op sociale media de afgelopen weken ook een Israëlische soldaat die deze tekst poste. Met andere woorden: God staat restloos achter wat het Israëlische leger doet. Daar zit geen enkele ruimte tussen. Er is geen enkele mogelijkheid voor kritiek. Dan gaan we ook een grens over.

    Het belangrijkste voor ons als gelovigen is niet de politiek, maar God en de verhouding tot God. Hoe denken wij over God in relatie tot het geweld dat deels in naam van God gebeurt? Daarom hebben we ook gelezen uit het boek Koningen. Elia staat tegenover Achab in het land Israël.

    Dat Elia zo tegenover Achab staat, heeft ons op zich al veel te zeggen. De Bijbel vertelt ons de geschiedenis van Israël, ja. Maar de Bijbel vertelt ons in die geschiedenis van Israël ook dat Israël zelf vaak helemaal ernaast zit. Helemaal fout zit. Althans het overgrote deel van het volk en heel vaak ook de koning. Zo ook in dit geval.

    Het land Israël is al gescheurd in twee rijken. En in het Noordrijk heb je dan koning Achab en zijn koningin Isebel. Koning en koningin van Israël. Maar ze leggen hun oor meer te luisteren bij Baal, bij de afgod dan bij de God van Israël. En daarom geeft God tegenover de koning van Israël een profeet, Elia. En de stem van God zit in die geschiedenis dan niet meer bij de koning van Israël maar bij de profeet tegenover hem staat.

    Zo is dat de hele geschiedenis van Israël door. De figuur van de koning wordt in zijn algemeenheid, vanaf de allereerste koning, vanaf koning Saul, heel kritisch en zelfs afkeurend beoordeeld door God. Je zou kunnen zeggen: God heeft helemaal geen vertrouwen in politiek. Ook niet in Israëlische politiek. Daarom krijgt elke joodse koning tegenover zich een profeet. Saul krijgt tegenover zich Samuel. David krijgt tegenover zich Nathan. Enzovoorts, enzovoorts, enzovoorts. Omdat God als het ware zelf voortdurend afstand wil houden van de politiek. Afstand om te kunnen spreken. Daarmee zegt de Bijbel natuurlijk iets heel belangrijks over politiek en over de staat. Daarmee zegt de Bijbel: de politiek en ook de politiek van Israël kan er falikant naast zitten. De staat, ook de staat Israël heeft altijd een tegenstem nodig. De staat heeft altijd de stem van de kerk tegenover zich nodig, zou je kunnen zeggen.

    Maar ja, zijn we er daarmee dan helemaal? Zit die ware stem, die stem die het bij het rechte eind heeft dan zomaar bij de profeet of zomaar bij de kerk? Terugkijkend kun je dat soms al moeilijk zeggen, maar als je er midden in zit is het nog veel moeilijker. Want de Bijbel heeft het ook over ware en valse profeten. Die adviseren dan soms allebei de koning, en dan weet je midden in die situatie eigenlijk niet waar je moet staan. We weten het dus niet zo gauw.

    We weten wel dat God zich niet zomaar overgeeft aan de politieke beslissingen van zijn mensen, ook al zijn het de koningen van zijn eigen volk. En dat Hij ons daarmee ook verantwoordelijk maakt om te zeggen: “Loop niet zomaar ergens achteraan. Maar kies je ruimte om verantwoordelijk te zoeken naar wie Ik eigenlijk ben en wat Ik eigenlijk wil. Als de koning van Israël toen er helemaal naast kon zitten, dan is er principieel ruimte om als christen te zeggen dat de koning van Israël nu, Netanjahu, er ook helemaal naast kan zitten. Dat is iets wat we in ieder geval niet kunnen uitsluiten, wat we ook niet hoeven uit te sluiten. En dat schept in ieder geval al ruimte voor ons om te mogen nadenken: waar staan we dan?

    Tegenover Achab staat Elia. Maar het moeilijke van deze geschiedenis is natuurlijk dat Elia ook niet zomaar handelt op een manier die wij vandaag graag zouden willen nadoen. Elia’s program spreekt misschien wel aan, maar de uitwerking is kras. Het program zit al in zijn naam. De naam Elia betekent: alleen de Heere is God. Daarmee gaat hij in tegen de baäldienst van koning Achab, tegen de baäldienst die hij overal om zich heen ziet. Hij wil met zijn naam alleen al zeggen: de Heer is de ware God van Israël. Hem moeten we dienen, en Hem alleen.

    Maar wat betekent dat dan? Voor Elia betekent dat ook iets dat in de buurt komt van wat we vandaag zien bij moslim-terroristen, bij mensen die met een groot mes door Rotterdam gaan lopen en Allah Akbar roepen en een ander afslachten. Elia is daar niet ver vandaan, van die mentaliteit. Als hij dus zegt: “De God die door vuur antwoordt, die is God”, dan betekent dat hier niet alleen: als door een wonder zal God zelf het offer aansteken. Nee, dat betekent ook dat Elia denkt over God als een verterend vuur, over God als iemand die geweld gebruikt. En daarom komt Elia daarna ook met zijn eigen verterend vuur. Als God heeft geantwoord met vuur uit de hemel, dan komt Elia met zijn eigen vuur, en slacht al die priesters van de Baal af. Er staat ook “hij slachtte ze af”. Zoals je een dier slacht.

    Als we niet aan de kant van Achab kunnen staan, kunnen we dan wel aan de kant van Elia staan? Ook dat is hier toch heel moeilijk.
    En daarom is het maar goed dat de geschiedenis verder gaat. Want het vervolg van die geschiedenis denkt daar als het ware zelf ook over na. Het vervolg van de geschiedenis stelt zelf de vraag: “Kan dat nou? Kunnen we zo over God spreken?” Nadat Elia zijn naam als een programma heeft uitgevoerd en de priesters van de Baal heeft afgeslacht komt niet de grote overwinning maar komt de grote desillusie. Het werkt niet. Geweld werkt niet. Izebel wordt alleen maar veel kwader op hem. En Achab ook. En ze zoeken de profeet Elia te doden. Elia moet constateren: met geweld kun je het niet oplossen. Geweld roept alleen maar nieuwe haat en nieuw geweld op. Dat moeten we ook nu constateren. Hoeveel geweld er ook gebruikt zal worden, ook als Israël denkt met bommen en granaten het hele Midden-Oosten aan zich te kunnen onderwerpen, dan nog zullen ze daarmee op langere termijn het probleem niet kunnen oplossen.
    Van de Joodse rabbijn Jonathan Sacks heb ik geleerd dat er een verschil is tussen technische en adaptieve problemen. Technische problemen dat zijn eigenlijk problemen van dingen. Dat is bijvoorbeeld iets is stuk en dan moet het gemaakt worden. Je hebt ook adaptieve problemen. Dat zijn problemen niet van dingen maar van mensen. Mensen die iets niet willen. Mensen die zich ergens tegen verzetten. Mensen die op een verkeerde manier denken. En hij zegt dat de Bijbel eigenlijk niet gaat over technische problemen, hoe je die moet oplossen, maar de Bijbel gaat over dit: wij zijn zelf een probleem. Wij kiezen steeds verkeerd. En hoe lossen we dat nou op?

    Elia denkt: het geloof in Baal gelooft is een technisch probleem. En dat technische probleem dat lossen we op met geweld. Klaar. Dan gelooft er niemand meer in de Baal. Maar dat is niet zo. Want ongeloof zit in de harten. En ook al slacht je alle Baalpriesters af, dan zal er een nieuwe generatie komen die weer in Baal gelooft.

    Het gaat om een dieper iets. Hoe pakken wij het ongeloof aan? Hoe pakken wij het aan dat wij mensen steeds weer het verkeerde willen en ook de verkeerde goden willen dienen?

    Als Elia ontdekt heeft: dit probleem kan ik niet met geweld oplossen, dan zakt hij weg in een depressie. Dan wil hij dood. Als hij ontdekt dat het niet om een technisch probleem gaat, maar om een adaptief probleem, een probleem van onszelf, van ons eigen hart, dan wordt hij depressief, dan denkt hij: ja, maar dat hart dat kan ik nooit veranderen. Laat maar zitten. Ik wil geen profeet meer zijn. Ik wil dood.

    Je zou kunnen zeggen: Elia gaat van nu naar nooit. Eerst dacht hij: nu ga ik het probleem oplossen, met geweld. Klaar is Kees. Nu. En als dat niet lukt dan denkt hij: het gaat nooit lukken. Het gaat nooit lukken met die strijd tegen de Baal en het ongeloof. Laten we er maar mee stoppen. Ik geef het op.

    En dan komt het belangrijke. Dan komt dat God Elia gaat leren dat Hij beide keren geen gelijk had. Het is niet nu en het is niet nooit.
    Het probleem van het geweld en van het kwaad dat in onszelf huist lossen we niet zomaar even op. Maar God wil het wel oplossen langs een heel andere weg. En dat merkt Elia als hij op de Horeb is, op die plek waar God eerder verscheen aan Mozes en aan het volk. Dan komt God nog een keer in vuur. “Maar in het vuur was de Heere niet”, lezen we dan.

    Het is bijna alsof God zichzelf corrigeert. In ieder geval wil Hij aan Elia laten merken: Elia, Ik vind het hartstikke fijn dat jij mijn profeet en zegsman wilt zijn, maar Ik geloof toch dat je iets helemaal niet begrepen hebt. Ik ben niet de God van het vuur. Ik ben niet de God van het geweld. Ik ben de God die komt in het zuizen van een zachte stilte.

    Eigenlijk staat daar: “In de stem van de zachte stilte.” Want bij het zuizen van een zachte stilte kun je nog denken dat er een van de koele bries was om Elia’s oren waarin die dan ineens God meende te ontwaren. Maar dat is niet de bedoeling. Het is een zachte stem. God hoor je in de zachte stem. In de stem van de Bijbel, die je niet op de grote reclameborden buiten vindt; die niet uit de reclame op de televisie en op je telefoon naar je toe schreeuwt. Maar die je moet opzoeken. Die je moet lezen. In de stilte van je kamer en van je huis. De stem die niet zomaar alle politiek van deze wereld bepaalt, maar die je wel kunt leren horen.

    De zachte stem van Jezus als het ware. De zachte stem van Jezus die met de mensen omging en van Jezus aan het kruis. Die daar bad voor zijn vijanden. “Want zij weten niet wat zij doen.” In die zachte stem, zegt God, ben Ik in deze wereld aanwezig. En daarmee ga Ik uiteindelijk de harten van mensen veranderen. Ook al geloof jij dat nu nog niet. Elia.

    Jezus heeft het een keer ook heel duidelijk verteld, dat Hij het absoluut niet meer zo wil doen als Elia deed. Dat wordt verteld in Lukas 9. Daar wordt verteld dat Jezus door het land van de Samaritanen gaat. Samaritanen waren vijanden van de Joden. En inderdaad die Samaritanen die accepteren Jezus niet. En ze zijn niet respectvol naar hem. En dan zeggen de discipelen tegen Jezus het volgende. Here, wilt u dat wij zeggen dat er vuur van de hemel moet komen en hen verteren zoals ook Elia gedaan heeft? Dus ze verwijzen direct hier naar dit bijbelgedeelte, of naar een andere geschiedenis van Elia, waarin hij nog directer vuur uit de hemel laat komen om tegenstanders te vellen. Dat staat verteld in 2 Koningen 1, een confrontatie tussen Elia en een andere koning, koning Ahazia. Je merkt: dat met dat vuur was niet een incident, het is heel Elia’s stijl, het is zijn geloof.

    De discipelen zeggen dus tegen Jezus, als de Samaritanen Hem beledigd hebben: Zullen wij de methode-Elia toepassen? Je zou denken dat Jezus wel moet instemmen. Wie kan er op tegen een bijbeltekst? Maar Jezus zegt nee. Jullie weten niet wat voor geest jullie hebben, zegt hij. Een boze geest, niet Gods Geest geeft jullie deze gedachte in. En dan zegt Hij: Ik ben niet gekomen om de wereld met vuur te verbranden maar om te redden wat verloren is.

    Dat bij elkaar stelt voor ons natuurlijk wel de vraag: Is God dan veranderd? Bij Elia handelt Hij nog met geweld. Maar een hoofdstuk later denkt Hij al: zo wil Ik eigenlijk niet zijn. En in Jezus laat Hij dat helemaal zien. Moeten we het zo zien?

    Welnu, om deze vraag kunnen we in ieder geval niet heen. En we kunnen ook niet om de belijdenis heen dat God in Jezus het diepste van zichzelf heeft laten zien. En het laatste woord van Jezus, “Jullie hebben een kwade geest als je denkt nog een keer namens God met vuur te mogen handelen” – dat moet op zijn minst betekenen dat wij als christenen nooit in naam van Jezus of in naam van God geweld kunnen gebruiken. Dat we dus altijd kritisch moeten zijn op mensen en machten die dat wel doen. In Amerika is nu een beweging onder christenen in opkomst die veel te gevaarlijk verder die kant op gaat, die macht en geloof op een gevaarlijke manier met elkaar verbindt. Dat kunnen wij niet meer zo doen.

    God is niet de God van sterk, sterker, sterkst, maar Degene Die als enige aan dat spel niet meedoet. Die anders is. Die op een andere manier ons wil veranderen. Van binnenuit. Vanuit ons hart.

    Toen in 1953 er een ramp was, een grote ramp in Nederland, de Watersnoodramp, een grote ramp die grote delen van Zeeland en Zuid-Holland onder water zette, waarbij duizenden mensen en dieren verdronken, toen moest er zondag daarna een dominee preken. Dominee Miskotte.
    Wat zeg je dan? Miskotte heeft toen een kernzinnetje gezegd waar ik veel van geleerd heb over hoe je naar God moet kijken als het gaat om de vraag wat Hij te maken heeft met al het kwaad dat wij mensen doen en dat ons overkomt. Een zinnetje dat niet alleen geldt voor het natuurgeweld van zo’n zeeramp maar ook voor het geweld van een oorlog.
    Miskotte zegt: “God staat er niet achter. Hij staat er ook niet buiten. Maar hij staat erboven. En erin.”

    Ik denk dat dat nu ook voor die strijd in Israël geldt. God staat er niet achter. Dat wil zeggen Hij staat niet achter de Palestijnen, zo van: Ik support jullie geweld. Maar Hij staat ook niet achter Israël, in die zin van: Wat jullie doen is goed. God staat niet achter geweld. God steunt dat niet. God wil dat niet.

    Maar als je dat zegt dan ben je natuurlijk geneigd te zeggen: dan staat Hij erbuiten. Dan wil Hij er dus niks mee te maken hebben, en Hij heeft er ook niks mee te maken. Nee, zegt Miskotte, dat is ook niet zo. God staat er ook niet buiten. Hij heeft er wel mee te maken.

    Hoe dan? Op twee manieren. Hij staat erboven. Hij houdt het in de hand. Hij verliest de wereld niet uit controle. Zijn plannen zullen niet falen.
    En Hij zit erin. Dat wil zeggen: Hij zit juist in degenen die het ondergaan. God zit in de slachtoffers. In de mensen die die oorlog niet willen, die vrede willen, maar machteloos zijn, en in hun machteloosheid lijden en sterven. Daar mag je God ook zien. Maar dus niet exclusief, want God is zelf geen verliezer. Hij is erin, maar Hij staat er ook boven. Als de Zoon is Hij erin, vlees van ons vlees geworden. Maar als de Vader staat Hij erboven. En als de Geest drijft Hij ons uit naar Zijn toekomst.

    Hij staat er niet achter. En ook niet erbuiten. Maar erboven, en erin. En erdoorheen bewerkt Hij zijn toekomst. Onze toekomst. Zonder vuur, zonder geweld. Maar wel onoverwinnelijk, krachtig, majesteitelijk. Opkomend voor Zijn oogappel Israël en voor Zijn tweede liefde, de kerk. Dat is de richting waarin we moeten zoeken als het gaat om ‘God, Israël en Hamas’.

    Amen.

    Inleiding in het boek Job

    Recent werd bij uitgeverij Atheneum Polak en Van Gennip een boekje uitgebracht met “Het mooiste uit de Bijbel”. Dat is een uitgave bedoeld voor mensen die geen kerkganger zijn, maar wel iets van de Bijbel willen weten, omdat dat tot de wereldliteratuur behoort in hun ogen. Het mooiste uit de Bijbel, wat zet je er dan in? In die uitgave staan vijf Bijbelboeken in zijn geheel. Dus geen fragmenten van alle boeken, maar vijf Bijbelboeken en één daarvan is het boek Job.
    Dat heeft wel iets te zeggen. Het boek Job is in ieder geval voor mensen binnen en buiten de kerk nog steeds een ontzettend belangrijk geschrift als het gaat om een vraag waar we allemaal mee zitten. Namelijk de vraag naar het lijden. Waarom is er kwaad, waarom is er lijden, terwijl wij dat toch eigenlijk niet willen? Natuurlijk is er ook kwaad dat wij wel willen en dat wij ook doen. Maar als we denken aan wat ons bijvoorbeeld nu overkomt met corona, dat is eigenlijk iets dat niemand wil. Zo is er heel veel kwaad dat eigenlijk niemand wil. Je hoeft er ook niet gelovig voor te zijn om daar een keer bij stil te staan en over na te denken. In het boek Job wordt daar op een zeer diepgaande manier over nagedacht.

    Job in de canon: de geschriften

    In de Hebreeuwse Bijbel bestaat het Oude Testament uit drie delen: de tora, de profeten en de geschriften. Dan hoort het boek Job bij de geschriften. In de wet geeft God zijn woord. Dat is zijn gebod, maar niet alleen zijn gebod. Hij openbaart zich, Hij gaat met ons om en daarmee doet Hij ook een beroep op ons om daarop te antwoorden. Maar de wet vertelt ook al dat het misgaat in die verhouding, in dat verbond tussen God en Israël, God en de mensen. En dan komen als het ware de profeten die het woord van God nog een keer herhalen. En die wijzen op het falen, dus die wijzen op de zonde en herhalen het gebod. En dan komt in de geschriften het menselijke antwoord op datgene wat het volk Israël heeft ervaren. Dus niet zoals in de wet en in de profeten dat je kunt zeggen: “Zo zegt de Heere.” Nee, de geschriften zijn veel meer, “zo zegt de mens”, “zo zegt de gelovige mens”, zo antwoordt hij op wat hij gehoord heeft. In die geschriften is dus ook meer ruimte voor verschillende visies dan in de wet of in de profeten het geval is. In de geschriften zijn de mensen ook aan het nadenken over God.

    En hier spreken verschillende geschriften soms ook elkaar tegen. Dat heeft vanaf het begin in de Bijbel gekund. Dat heeft men kunnen toelaten omdat men geweten heeft dat het woord van God dus een gemeenschap schept die gaat nadenken.

    En toch is dat menselijke antwoord op een of andere manier zelf ook weer woord van God. Ook ons spreken, ons nadenken, in ieder geval dat vroegste reflecteren dat toen heeft plaatsgevonden is ook al iets waarvan God door het op te nemen in de canon als het ware zegt: “Zo wil ik het. Ik wil dat jullie zélf reflecteren op wat Ik gesproken heb”. Dat gebeurt in de geschriften, en zowel stem als tegenstem krijgen daarin plaats.

    De oude wijsheid (Spreuken)

    Vooral in de wijsheidsboeken wordt over Gods omgang met de wereld heel verschillend gedacht. In de oudere wijsheid die in het boek Spreuken verwoord wordt, is de gedachte heel sterk dat de wereld redelijk en logisch en begrijpelijk in elkaar zit. Daar staat bijvoorbeeld dat het eerste dat God schiep nog voordat hij het zichtbare schiep de wijsheid was (Spreuken 8). Dus voordat God de wereld, de kosmos, het zichtbare schiep, schiep hij de wijsheid. En middels die wijsheid schiep hij dan de wereld. Dat betekent simpel gezegd: alles wat bestaat is met wijsheid gemaakt en zit dus goed in elkaar. De wereld is geen chaos maar een orde. En die orde kunnen wij ook begrijpen. Dat geldt voor de natuurwetten: wij begrijpen de wet van de zwaartekracht en ervaren dat die het altijd doet, enzovoorts. Maar dat geldt ook moreel, in de wereld van de mensen. Dat betekent dat het kwade bestraft wordt en dat het goede beloond wordt. En dat God de garant daarvan is. En men gelooft dan ook dat dat werkelijk in dit leven zo is, dus niet alleen na de dood ofzo. Het boek Spreuken is vol van teksten die zeggen: wie goed doet goed ontmoet. En wie een kuil graaft voor een ander die valt er zelf in. Er gebeurt wel kwaad maar dat straft uiteindelijk zichzelf. Het zal de rechtvaardige wel gaan en de goddeloze die komt om. Die tegenstelling tussen rechtvaardige en goddeloze is ook de bepalende tegenstelling in die oude wijsheid. En daarmee worden mensen ook opgeroepen om God te vrezen. Want de Godvrezenden zal het goed gaan.

    Maar tegen die oude wijsheid komt dan in de Bijbel zelf al protest. En een van die protesten is het boek Job. Het boek Job is een reactie binnen de Bijbel zelf op het idee dat deze wereld begrijpelijk en goed in elkaar zit. Dat wordt dan geïllustreerd aan de persoon van Job die Godvrezend was en die het inderdaad eerst ook wel ging, maar die dan alles kwijtraakt op een volkomen onbegrijpelijke en onredelijke manier. En zijn vrienden proberen vervolgens de oude wijsheid toch in stand te houden. Die zeggen: “ja, maar jij bent hooguit een onbegrijpelijke uitzondering, de theorie blijft staan, de theorie gaat voor de praktijk. Ook al snappen wij de praktijk even niet, de theorie moet kloppen.” En Job zegt: mijn situatie laat zien dat die hele theorie van die oude wijsheid niet klopt.

    Job en de geschiedenis

    Is het boek dan een historisch verhaal? Door wie is het geschreven? Nou, daar is met absolute zekerheid moeilijk iets van te zeggen. Er zijn mensen die proberen te verdedigen dat Job een historische persoon was. Zij situeren Job dan meestal in de tijd van de aartsvaders. In Ezechiël 14 wordt ook nog ene Job genoemd. Maar als je kijkt hoe de dialogen zijn opgebouwd in het boek Job, dan zie je vrij gauw dat je daar met een literair kunstwerk te maken hebt. En dat we toch veel meer moeten denken aan iemand die deel heeft uitgemaakt van de latere joodse wijsheid. Iemand die heel veel discussie hier als het ware op een literaire manier, in de vorm van een dialoog heeft samengevat. En dat moet dan, gezien het niveau van de tekst, zowel inhoudelijk als literair, dan wel veel later geweest zijn dan de tijd van de aartsvaders. De periode niet zo lang na de ballingschap lijkt het meest waarschijnlijk. Dat laat dan ook meteen zien hoe we de figuur van Job zouden kunnen interpreteren. Want wat is er in de ballingschap eigenlijk met het volk Israël gebeurd? In de ballingschap is het volk Israël alles kwijtgeraakt. Al zijn bezittingen, maar ook zou je kunnen zeggen zijn eigen kinderen. Zoals Job al zijn bezit en al zijn eigen kinderen verliest. Zo verloor Israël eerst zijn land, zijn tempel, zijn koninklijk paleis, en toen zijn kinderen, zijn toekomst als strijders in de oorlog. Maar een kind is natuurlijk ook een symbool voor de toekomst. Israël verloor zijn toekomst toen het volk in ballingschap werd gevoerd. Maar Israël kreeg na die ballingschap als het ware alles ook weer het dubbel terug van God. Dubbel in de zin van: de grote verrassing die dat was en de grote blijdschap die dat gaf. Die kun je verwoorden door te zeggen: zij kregen het dubbel terug.
    Dus ik denk dat het hele boek Job in ieder geval óók een reflectie van Israël op de ballingschap is. Waarmee het natuurlijk niet daartoe beperkt is, want het blijft gaan over de grote vraag naar het kwaad en het lijden. Maar men heeft de eigen lijdenservaringen als startpunt genomen om over de eeuwige vraag van het lijden na te denken en daar vanuit het geloof iets beslissends over te zeggen.

    De opbouw van het boek Job

    Het boek Job bestaat uit drie stukken waarvan er twee bij elkaar horen. Het begint met de beschrijving van Job. “Er was eens een man Job in het land Uz”. Het land Uz kunnen we niet vinden op een landkaart. Samen met de formulering “er was eens”, die we ook uit Europese sprookjes kennen, laat dit begin ook al wel zien dat het verhaal niet historisch bedoeld is. Er was eens een meneer Job – en die Job wordt getekend als een vrome en een gelukkige. Maar dan verschijnt de Satan (die een van de zonen van God wordt genoemd) bij God, terug van zijn rondgaan om de aarde. God zelf vraagt dan of hij ook gelet heeft op zijn knecht Job die hem toch dient als geen ander. En dan suggereert de Satan dat Job dat alleen maar doet omdat hij door God gezegend wordt. Dat wordt de aanleiding voor de vraag die het uitgangspunt vormt van het boek: is er een geloof waarin wij God om niet dienen? Of is al het geloof eigenlijk alleen om wat we van God krijgen?

    Dat is een confronterende vraag. Zou je God ook dienen als je er niks voor terug kreeg? Zou je God dienen als er geen hemel bestond? Zou je God dienen als dood toch echt dood was? En de Satan zegt: dat kan niet. De mens dient u niet om niet, maar alleen om wat u geeft. En God gaat dat duel aan, een duel met de Satan over het hoofd van Job zou je kunnen zeggen.

    In twee rondes wordt Job dan alles afgenomen maar Job zelf blijft de vrome. Hij zegt “de Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam van de Heer zij geloofd”. Tegen zijn vrouw zegt hij: “Zouden wij het goede wel uit Gods hand aannemen en het kwade niet?“
    Dat is het eerste deel en daarbij sluit eigenlijk meteen het slot aan. Het slot zegt dan dat Job alles dubbel terug kreeg. Dat begin en eind van het boek Job is in proza geschreven.

    Je kunt alle hoofdstukken die ertussen liggen gewoon overslaan, dan is het nog een aansluitend verhaal. Veel wetenschappers zeggen daarom dat dit het oorspronkelijke verhaal is geweest: een legende waarin gezegd wordt dat een vroom mens alles werd afgenomen, maar ook uiteindelijk alles dubbel terug kreeg. Op die manier kan het een verhaal zijn geweest dat de oude wijsheid toch ondersteunt. Uitéindelijk klopt het toch: de goddeloze vergaat en de rechtvaardige wordt beloond. Wie in het lijden vasthoudt aan God wordt uiteindelijk beloond. Dan zou het kaderverhaal dus de oude wijsheid redden.

    Maar dan staan er tussen dat begin en eind dat in proza geschreven is, al die dialogen die in poëzie geschreven zijn. En die daarmee al suggereren dat ze van een andere hand zijn. Het is dus al een hele vraag hoe dat kaderverhaal en de dialogen zich tot elkaar verhouden. Want in die dialogen waarin Job drie keer met drie, vier vrienden debatteert, krijgen we ook een ander portret van Job. Niet zozeer de duldende, de aanvaardende Job, maar veel meer een Job die strijdt. En die protesteert.

    Welke inhoudelijke vragen zijn aan de orde?

    Tot zover de meer exegetische en historische vragen. Nu meer naar de inhoud. Welke vragen zijn als je het meer systematisch bekijkt aan de orde in dit bijbelboek? Wel, in de eerste plaats de vraag naar God. Wie is God eigenlijk? Is Hij almachtig? Is Hij rechtvaardig? Is Hij goed? Of is Hij dat niet? Dat zijn voor een gelovige een schokkende vraag, maar het is wel een vraag die de Bijbel zelf hier stelt.
    De tweede vraag is dan: hoe moeten wij mensen tegenover die God staan? Moeten wij inderdaad lijdzaam het kwade ondergaan en God er ook nog om prijzen? Zeggen “De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heren zij geloofd”? Of moeten wij veel meer protesteren tegen het lijden en aan onze onschuld vasthouden? Wat betekent mens zijn als het gaat om lijden?
    De derde vraag is: is het leven, is de wereld begrijpelijk of niet? Ik heb gezegd, de oude wijsheid van Israël beweerde dat deze werkelijkheid uiteindelijk begrijpelijk in elkaar zit. Het is een orde. Is dat zo? Of is de wereld eigenlijk een chaos? En is het leven ook voor een gelovige helemaal niet te doorgronden? En als dat zo is, ja, wat is dan eigenlijk geloven? Dat zijn de drie vragen die in het boek Job aan de orde zijn.

    Wie is God?

    Nog even iets over de eerste vraag, namelijk wie is God? Is Hij wel almachtig en rechtvaardig en goed? Hoe zeer die vraag aan de orde is, zie je ook als je kijkt welke woorden er voor God worden gebruikt. We kennen de woorden ‘God’ en ‘HEERE’. Die worden de hele Bijbel door gebruikt en niet zelden worden ze ook samengevoegd tot ‘HEERE God’. Deze twee aanduidingen vinden we ook in het boek Job ook, maar ook nog een aantal andere. En ze hebben allemaal verschillende betekenissen. Wat heel erg opvalt is dat het woord ‘HEERE’ eigenlijk in de dialogen helemaal niet gebruikt wordt. Dus de God waar Job het met zijn vrienden over heeft wordt nergens ‘HEERE’ genoemd. En dan zijn al die discussies afgelopen in hoofdstuk 37 en dan in hoofdstuk 38 vers 1 staat er ineens: “De HEERE antwoordde Job uit een storm”. Dus het gesprek ging de hele tijd over God dit, God dat, God zus, God zo, is God zus?, is God zo?, en dan staat er: “De HEERE antwoordde”.
    Als je dat nou heel kritisch, sceptisch wilt lezen, dan kun je zeggen, degene die Job ter verantwoording heeft gevraagd, is helemaal niet degene die geantwoord heeft. Job vraagt in die dialogen de hele tijd of God wil verschijnen en hem wil antwoorden. Maar degene die hem antwoordt, is de HEERE.
    Kerkgangers zijn gewend meteen te zeggen dat die twee, God en HEERE, dezelfde zijn. En de Bijbel zelf zegt dat natuurlijk ook door heel vaak te spreken over ‘de HEERE God’. Maar we moeten goed zien dat van oorsprong het toch twee heel verschillende aanduidingen zijn. En dat die oorsprong blijft doorwerken.
    Het woord ‘HEERE’ duidt op de Verbondsgod. De Naam wordt geopenbaard aan Mozes bij de brandende braambos en dan betekent die naam eigenlijk: Ik ben de God van het verbond. De God die met jullie omgaat in gebod en belofte. De God van het volk Israël die trouw is en trouw blijft. De betrouwbare. Dat betekent HEERE.
    Het woord God, in het Hebreeuws Elohim, daarvan weten we eigenlijk niet eens of het wel God betekent. Het is eigenlijk een meervouw, en zou net zo goed met ‘goden’ kunnen worden vertaald, ook al is het enkelvoud ook mogelijk. Maar ook in het laatste geval is het een heel algemene aanduiding voor ‘de hoogste macht’. ‘De Schepper’, kun je dan ook zeggen. Degene die uiteindelijk de touwtjes in handen heeft. De allesbepalende werkelijkheid. Maar die verder eigenlijk geen gezicht heeft. Die niet spreekt, die niet met ons omgaat en meegaat. Die God wordt dan ook maar liefst 31 keer in het boek Job ‘de Almachtige’ genoemd. God is in ieder geval Almachtig. Alles komt van Hem, ook Jobs slagen. En die Almachtige God noemt Job dan ook twee keer zijn ‘tegenstander’.

    En tegenover die tegenstander, die Almachtige God, vraagt Job dan drie keer om een ander die voor hem zou opkomen. Dat noemt hij de ‘losser’ of de ‘getuige’ of de ‘pleitbezorger’.

    En daarnaast hebben we dan ook nog de figuur van de Satan, die een van de zonen van God wordt genoemd. Die bij God verschijnt alsof die gewoon net zo’n soort bode van God is als de hoogste engel.

    Het boek Job stelt dus heel sterk de vraag: wie is God nou eigenlijk? Is Hij de Almachtige die de tegenstander van de mens is? Is hij zelfs vriendjes met de Satan? Of is Hij de betrouwbare, de HEERE? Is degene die uiteindelijk Job geantwoord heeft wel dezelfde als waar het hele boek over ging? Het zou natuurlijk dramatisch zijn om te moeten constateren dat dat niet zo is. Want dan heeft Job op geen enkele manier antwoord gekregen op zijn vragen.

    U bent nu aan zet.