De Bergrede door de eeuwen heen

[Je ontvangt deze mail omdat je je geabonneerd hebt via http://www.willemmaartendekker.com. Afmelden kan eventueel via de link hier onderaan. Reageren kan niet direct; mail daarvoor naar w.m.dekker@hotmail.com]

DE BERGREDE DOOR DE EEUWEN HEEN.
Lezing voor het Interkerkelijk Waddinxveens Leerhuis (IWL), 14 november 2024
W.M.Dekker

I. Introductie

“De Bergrede is naast Paulus’ brief aan de Romeinen waarschijnlijk het stuk uit het Nieuwe Testament dat de christenen alle eeuwen door het meest bezig heeft gehouden. De mainstream kerken ontwikkelden verschillende leeswijzers bij de Bergrede, maar moesten vaak toegeven dat ze er eigenlijk weinig raad mee wisten. Groepen aan of over de rand van de kerk (‘sekten’) daarentegen namen de radicaliteit van de Bergrede serieus en probeerden deze letterlijk na te leven, tot zij ook weer op grenzen stuitten. Op deze avond willen we een paar hoogtepunten uit de verwerking van de Bergrede langsgaan. Het gaat van de Didachè (begin 2e eeuw) tot Extinction Rebellion, en daartussen stoppen we onder meer bij de Franciscanen, de Reformatoren, Albert Schweitzer en Dietrich Bonhoeffer. Deze stations zijn evenzovele spiegels die ons vragen, hoe wij zelf met de Bergrede willen of moeten omgaan.” [tekst van de aankondiging]

II. Actualiteit

De actualiteit van de Bergrede dringt zich op dit moment bijzonder aan ons op. Ik weet tenminste niet hoe het u vergaat, maar de gebeurtenissen van vorige week (7 november) in Amsterdam houden mij behoorlijk bezig. Daarbij hebben we ook nog te maken met twee oorlogen aan de randen van Europa. Het geweld neemt toe, en daarmee komen we steeds meer in een situatie die lijkt op de situatie waarin Jezus zijn Bergrede uitsprak. Hij sprak in een situatie van bezetting. Israël was geen eigen baas, maar het heilige, aan Abraham beloofde land werd bezet door de Romeinen. Men had vele vernederingen van de vijand achter de rug. Het jodendom werd door de vijand beschouwd als een achterlijke religie en een achterlijke cultuur. Het is logisch dat in die situatie ook allerlei joodse groepen naar de wapens grepen, zoals de Zeloten. Anderen grepen nog niet naar de wapens, maar geloofden wel in een gewapende messias, een gewapende eindstrijd die binnenkort zou beginnen. In die situatie grijpt Jezus ook in met zijn radicale uitspraken over vrede en gerechtigheid.

III. Opbouw

Voor vanavond is jullie een doorkijkje beloofd door de uitleggeschiedenis van de Bergrede: “De Bergrede door de eeuwen heen”. Ik zal dat ook doen, maar na rijp beraad heb ik besloten dat niet chronologisch te doen. Dat lijkt mij namelijk niet zo overzichtelijk. Als je de geschiedenis van de uitleg van de Bergrede probeert te overzien, dan zie je dat dezelfde uitleggingen tegelijk naast elkaar bestaan of na verloop van tijd weer terug komen. Dus een chronologisch overzicht zou inhoudelijk steeds weer dingen van eerder moeten hernemen. Ik denk daarom dat het overzichtelijker is en voor het begrip beter, als wij kijken welke soorten uitleggingen er zijn geweest. Dan delen we die in, en dan vervolgens noem ik bij elk type uitleg een of enkele voorbeelden. Ik kom uit bij zes verschillende uitleggingen van de Bergrede, die we in de geschiedenis kunnen opmerken:

1) De radicale uitleg
2) De eschatologische uitleg
3) De rooms-katholieke uitleg
4) De lutherse uitleg
5) De christocentrische uitleg
6) De humanistische uitleg

IV. De Bergrede: citaten

Voordat ik dat alles ga doen nog een paar treffende citaten uit de Bergrede, waaruit blijkt met welk een radicale tekst we te maken hebben.
De vorige keer hebben we stil gestaan bij de opening van de Bergrede, de Zaligsprekingen. Vandaag wil ik een aantal andere verzen lezen om ons weer goed de sfeer van de Bergrede te binnen te brengen.

5:1-2 Toen Jezus de menigte zag, ging Hij de berg op, en nadat Hij was gaan zitten, kwamen zijn discipelen bij Hem. En Hij opende zijn mond en onderwees hen. Hij zei:
[…]
5:6 Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.
[…]
5:16 Laat uw licht zo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken zien, en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken.
[…]
5:20 Want Ik zeg u: Als uw gerechtigheid niet overvloediger is dan die van de schriftgeleerden en Farizeeën, zult u het Koninkrijk van God beslist niet binnengaan.
[…]
5:38-48 U hebt gehoord dat er gezegd is: Oog voor oog en tand voor tand. Ik zeg u echter dat u geen weerstand moet bieden aan de boze; maar wie u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe; en als iemand u voor het gerecht wil dagen en uw onderkleding nemen, geef hem dan ook het bovenkleed; en wie u zal dwingen één mijl te gaan, ga er twee met hem. Geef aan hem die iets van u vraagt, en keer u niet af van hem die van u lenen wil. U hebt gehoord dat er gezegd is: U moet uw naaste liefhebben en uw vijand moet u haten. Maar Ik zeg u: Heb uw vijanden lief; zegen hen die u vervloeken; doe goed aan hen die u haten; en bid voor hen die u beledigen en u vervolgen; zodat u kinderen zult zijn van uw Vader, Die in de hemelen is, want Hij laat Zijn zon opgaan over slechte en goede mensen, en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Want als u hen liefhebt die u liefhebben, wat voor loon hebt u dan? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde? En als u alleen uw broeders groet, wat doet u meer dan anderen? Doen ook de tollenaars niet zo? Weest u dan volmaakt, zoals uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is

V. De radicale uitleg (Navalny, XR, Franciscus, Didachè)

Ik begin bij de radicale uitleg, want het lijkt erop dat dat de oudste manier is waarop de Bergrede is uitgelegd. Tegelijk is het een manier die tot op de dag van vandaag doorloopt en die ook weer iets aan populariteit wint, als ik het goed zie. De radicale uitleg van de Bergrede zegt: de geboden van de Bergrede kunnen en moeten door ons allen gedaan worden. De stroming die de Bergrede zo uitlegt wordt ook wel het Bergrede-christendom genoemd. Deze stroming neemt de Bergrede het meest serieus, zo mogen we dat wel zeggen.

Navalny

Ik begin bij het einde van deze receptie, onze eigen tijd. Bij Aleksej Navalny, de Russische held die in opstand kwam tegen Poetin en dat met zijn leven moest bekopen. Hij is geboren in hetzelfde jaar als ik en getrouwd in hetzelfde jaar als ik, en misschien dat het daarom is dat zijn geschiedenis mij nog meer doet dan een ander. Levens als die van Navalny stellen ons de vraag: wat zou je zelf doen? En ze bepalen je vaak ook bij je eigen lafheid. We zijn allemaal van nature laf, en vluchten liever als het moeilijk wordt, dan dat we in verzet gaan. De Bergrede keert zich daartegen en dat heeft ook Navalny heel goed aangevoeld.

Onlangs verschenen zijn memoires en dagboeken, ook in Nederlandse vertaling (Titel: ‘De patriot’). Hij spreekt daarin ook over de Bergrede. Navalny werd geboren tijdens het Sovjet-regime en is dus als alle Russen toen opgevoed met een atheïstische doctrine. Maar hij ontdekt in de Bergrede iets dat hem zo raakt dat hij hem zelfs helemaal uit het hoofd gaat leren. “Het zijn maar 111 verzen”, schrijft hij. Kom daar eens om in een willekeurige christelijke gemeente nu. Hij regelt in zijn cel zelfs 111 kaartjes, zodat hij op de ene kant het versnummer kan schrijven en op de andere kant de tekst. Dat doet hij maar liefst in vier talen, Russisch, Engels, Frans en Latijn. Je merkt dat je in Navalny met een gedisciplineerde man te maken heeft, en dat is ook aan allerlei andere dingen te merken. Mede door zijn enorme zelfdiscipline krijgen de bewakers in de vreselijke gevangenis hem niet klein. Hij bewaart zijn menselijkheid en zelfs zijn humor.

Navalny zegt er niet veel over wat de Bergrede hem inhoudelijk brengt. Maar het is niet zo moeilijk dat zelf te bedenken. De Bergrede getuigt ervan dat wij in een situatie van onderdrukking toch menswaardig en zelfs menslievend kunnen blijven, dat wij in staat zijn de andere wang toe te keren als wij op de ene geslagen worden. Het vrede zoeken, maar tegelijk verzet blijven plegen, dat moet Navalny enorm hebben aangesproken.

In zijn slotpleidooi zegt hij dat in het bijzonder de tekst “Zalig die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden” hem een voortdurende richtlijn voor zijn handelen is. Voor Navalny is het dus niet zo dat de Bergrede spreekt over een leven dat wij niet kunnen leiden omdat we het eigenlijk niet willen. Hij zegt: Wij willen ten diepste wél zo leven, wij hebben allemaal van nature de waarheid meer lief dan de leugen, en de gerechtigheid meer dan het onrecht, en daarom kunnen wij het ook. Iedereen kan een Navalny zijn. Dat is overigens iets dat alle “heiligen” zeggen. Degenen die wij heiligen noemen, en daarmee tot uitzondering verklaren, zeggen zelf nooit dat zij bijzonder zijn of iets bijzonders kunnen. Zij benadrukken juist altijd dat iedereen kan wat zij kunnen. Het geschrift in het Nieuwe Testament dat het dichtst bij de Bergrede staat, de brief van Jakobus, zegt dat ook over Elia: “Hij was een mens als wij allemaal”. Dat hoort typisch bij het Bergrede-christendom. Het idee dat wij het niet zouden kunnen is een uitvlucht! Wij willen zo niet leven, maar wij kunnen het wel. Iedereen.

Christian Climate Action / XR

Tot deze interpretatielijn kunnen we ook XR rekenen, en vooral CCA, Christian Climate Action, een christelijke groep binnen Extintion Rebellion. Ik heb gezocht of ik wat uitvoeriger reflectie van hen op de Bergrede kon vinden. Dat is niet gelukt, het blijft bij losse verwijzingen. En dat is ook logisch voor actievoerders, die hebben het te druk met actie voeren om uitvoerig te reflecteren. Maar de achtergrond van een groep als CCA is zeker een radicale interpretatie van de Bergrede, doorgetrokken naar onze omgang met de schepping, die in de Bergrede niet zo nadrukkelijk aan de orde komt, maar wel geïmpliceerd is zou je kunnen zeggen. “Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid” lezen we. De actievoerders van CCA vragen als het ware: moet die gerechtigheid niet gelden voor de héle schepping, ook voor plant en dier? Als het Nieuwe Testament spreekt over de nieuwe wereld “waarop gerechtigheid wonen zal”, dan gaat het toch ook om gerechtigheid voor al wat leeft, niet alleen mensen?

Franciscus van Assisi

Bij deze radicale uitleg kunnen we, als we verder terug bewegen in de tijd, ook Franciscus en de Franciscaanse traditie noemen, een traditie waar Paus Franciscus zich niet voor niets naar heeft laten noemen. Franciscus was een middeleeuwse zoon van een rijke lakenkoopman uit Milaan, die op een goede dag zijn peperdure mantel uitdeed en een kameelharen kleed aantrok, om in navolging van Jezus te prediken en het goede te doen zonder enig winstoogmerk. Zijn vader vond hem een schande voor de familie en de Milanezen noemden hem “de nieuwe gek”. Paulus’ woorden “wij zijn dwazen om Christus’ wil” worden bij Franciscus werkelijkheid, dezelfde radicale dwaasheid als aan de voorschriften van de Bergrede kleeft, kleeft ook aan hem. Een van zijn belangrijkste geschriften heet “Vermaningen”, en die tekst wordt ook wel “Franciscus’ Bergrede” genoemd, en daar merk je ook zijn getroffenheid door de Bergrede van Jezus:

“9. De liefde
De Heer zegt: ‘Bemint uw vijanden…” enz (Matt 5:44). Hij bemint werkelijk zijn vijand die niet gegriefd is door het onrecht dat deze hem aandoet, maar uit liefde tot God bedroefd is om de zonde van die ander, en hem metterdaad zijn liefde bewijst.

  1. De armoede van geest.
    “Zalig de armen van geest, want aan hen behoort het rijk der hemelen” (Matt. 5:3) Er zijn er veel die zich met ijver toeleggen op gebed en eredienst, die hun lichamen veel vasten en versterving opleggen. Maar een enkel woord dat zij voor hun lichaam onrechtvaardig vinden, of het een of ander dat hun wordt ontnomen, daar vallen zij meteen over en dan zijn zij kwaad. Zij zijn niet arm van geest; want wie echt arm van geest is, haat zichzelf en bemint hen die hem op de wang slaan (Matt. 5:39).
  2. De vrede
    “Zalig die vrede brengen, want zij zullen kinderen van God genoemd worden” (Matt 5:9). Zij brengen werkelijk vrede, die bij alles wat zij op deze wereld te lijden hebben, uit liefde tot onze Heer Jezus Christus naar lichaam en ziel de vrede bewaren.”
  3. De zuiverheid van hart.
    “Zalig de zuiveren van hart, want zij zullen God zien.” (Matt 5:8) Zuiver van hart zijn zij, die het aardse minachten maar het hemelse zoeken, en niet ophouden de Heer, de levende en ware God steeds zuiver van hart en ziel te aanbidden en te beschouwen.”
  4. Het goede moet men verborgen houden om het niet verloren te laten gaan.
    Zalig de dienaar die het goede dat de Heer hem betoond heeft, opbergt als een schat in de hemel (Matt. 6:20) en die het niet, in de hoop op waardering, aan de mensen bekend wil maken. Want de Allerhoogste zelf zal zijn werken bekend maken aan wie Hij wil. Zalig de dienaar, die de geheimen van de Heer God in zijn hart bewaart.”

We zien dat Franciscus de regels van de Bergrede als het ware nóg radicaler uitlegt dan de Bergrede zelf lijkt te bedoelen. Dat zal te maken hebben met het protest tegen een luie, gezapige, met macht en rijkdom verbonden christendom. Franciscus gaat hélemaal aan de andere kant hangen. Maar het zal er ook mee te maken hebben dat Franciscus gelooft én ervaart dat wij mensen het echt kunnen. Franciscus kón alles weggeven, en hij was aan het eind van zijn leven zo met Christus verbonden, dat hij zelfs de stigmata ontving. Hoe we dat ook moeten interpreteren, het laat in ieder geval zien dat we hier met een christendom te maken hebben dat werkelijke Christus-gelijkvormigheid voor mogelijk houdt. En daarin houdt Franciscus onze al te gemakzuchtige en genotzuchtige tijd een terechte spiegel voor.

De Didachè

We bewegen verder terug in de tijd. Ik zei al: de radicale interpretatie van de Bergrede is waarschijnlijk de oorspronkelijke. Een voorbeeld van het oorspronkelijke: de Didachè (= De leer van de apostelen), begin 2e eeuw na Christus, net zo oud als sommige geschriften uit het NT.

De opening van de Didachè gaat als volgt:

  1. Er zijn twee wegen, één van het leven en één van de dood. Het onderscheid is groot tussen de twee wegen. 2. De weg van het leven is dit: Ten eerste, heb God, die u gemaakt heeft, lief. Ten tweede, heb uw naaste lief als uzelf. Alles wat u niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook de ander niet aan. 3. Van deze woorden is het onderwijs dit: zegent wie u vervloeken en bidt voor uw vijanden, en vast voor wie u vervolgen. Want wat voor verdienste is er wanneer u liefhebt wie u liefhebben? [Is het] niet [zo dat] ook de volken datzelfde doen? U echter, hebt lief wie u haten, en u zult geen vijand hebben. 4. Verwerp de vleselijke en lichamelijke begeerten. Indien iemand u een klap op de rechterwang geeft, keer hem ook de andere wang toe, en u zult volmaakt zijn. Indien iemand u dwingt één mijl te gaan, ga er twee met hem. Indien iemand uw bovenkleed neemt, geef hem ook uw onderkleed. Als iemand iets van u afpakt wat u toebehoort, vraag het niet terug, want u kunt dat niet doen. Geef aan allen die iets van u vragen, en vraag niet terug, want de Vader wil aan allen geven van zijn eigen gaven. Gezegend is wie geeft in overeenstemming met [dit] gebod, want hij is onschuldig. Wee degene die ontvangt. Wanneer iemand die het nodig heeft iets ontvangt, die is onschuldig, maar wie ontvangt zonder echte behoefte, zal rekenschap [moeten] geven waarom en waartoe. In de gevangenis zal hij worden ondervraagd over wat hij heeft gedaan en hij zal daaruit niet worden vrijgelaten totdat de laatste cent is betaald.”

We zien hier ook weer dat de Didachè de Bergrede niet problematiseert, maar gewoon interpreteert en doorgeeft als leefregel voor alle christenen.

VI. De eschatologische uitleg (Schweitzer)

De radicale uitleg van de Bergrede is dus waarschijnlijk de meest oorspronkelijke geweest. Het is goed om er in dit verband op te letten, dat Jezus in het evangelie van Mattheüs met nadruk zijn volgelingen ‘het licht der wereld’ noemt (5:14), maar niet zichzelf. Volgens het evangelie naar Johannes noemt Jezus zichzelf wel het licht der wereld (8:12), maar zijn volgelingen niet. Dit weerspiegelt ook een voortgang in de geschiedenis van het christendom. Jezus lijkt een radicaal geloof in een andere wereld te hebben gehad, maar gaandeweg bleek dat die er niet kwam. Dat is althans de visie van de Nieuwtestamenticus Albert Schweitzer. Hij heeft met het boek “Geschichte der Leben-Jesu Forschung” een heel belangrijke bijdrage geleverd aan het beter verstaan van wie Jezus was in de eerste eeuw. We noemen dat de historische Jezus, en dat zetten we dan soms af tegen de Christus van het geloof. Het onderzoek naar de historische Jezus vraagt simpelweg naar onze historische kennis over Jezus. We hebben de vier evangeliën, maar dat zijn duidelijk geloofsgetuigenissen van enige tijd na Jezus, en het onderzoek naar de historische Jezus vraagt zich af: “wat is er historisch exact gebeurd?”, maar ook “hoe dacht Jezus, wat was de inhoud van zijn prediking, wat waren zijn overtuigingen?” Wist Jezus bijvoorbeeld van zichzelf dat Hij de Verlosser was? Wist Hij dat Hij zou opstaan uit de dood? Was Hij de eerste christen – en hoe zou dat kunnen? Of was Hij toch ‘gewoon’ een jood?
Schweitzer begint bij het feit dat Jezus het koninrijk van God verkondigde, en de bekering; iets dat Hij 100% gemeen had met Johannes de Doper (Matth. 4:17 / 3:2). Gods nieuwe wereld, de wereld zonder zonde, dood en angst, komt eraan. Wat betekende dit volgens Jezus? Schweitzer neemt dan de voor gelovigen van nu lastige tekst Mattheüs 10:23. Jezus zendt dan de twaalf discipelen uit om rond te gaan door het land Israël met de boodschap van het Koninkrijk, en dan zegt Hij erbij: “Voorwaar, Ik zeg u: U zult uw rondgang door de steden van Israël niet geëindigd hebben, voordat de Zoon des mensen gekomen is.” ‘De Zoon des mensen’ is de titel, ontleend aan Daniël 7, voor degene die aan het einde der tijden zal komen om het Koninkrijk van God, het wereldrijk van vrede en gerechtigheid, te vestigen. Het sterke vermoeden is dat Jezus met de titel ‘Mensenzoon’ zichzelf bedoelt. Hij spreekt op deze wat geheimzinnige manier in de derde persoon over zichzelf. Wat Jezus dan zegt is dat de ‘wederkomst’ nog zal plaatsvinden tijdens het leven van de discipelen.
Er zijn verschillende pogingen gedaan om de scherpte van deze tekst eraf te halen, maar Schweitzer lijkt toch gelijk te hebben als hier staat dat Jezus het einde der tijden zeer spoedig, bij zijn leven en dat van de discipelen, verwacht. Zo was toch ook de samenvatting van zijn prediking: “Bekeer u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen”. Nabij gekomen betekent ook echt in de tijd nabij gekomen, en daarom heeft die oproep tot bekering ook zin. Je kunt moeilijk zeggen: het Koninkrijk der hemel laat nog meer dan 2000 jaar op zich wachten, maar je moet je wel nu bekeren. Dat zou nergens op slaan. Jezus bedoelt, net als Johannes: bekeer je voordat het te laat is.
Als de prediking van Jezus in essentie de prediking van het spoedig komende Godsrijk was, dan moeten we ook de Bergrede in dat kader verstaan, zegt Schweitzer. Die Bergrede geeft ons dan niet de regels voor een eeuwenlange geschiedenis, maar de regels voor de korte tijd voor het Koninkrijk. Dat heeft een zekere evidentie. Als morgen Jezus terug komt, dan kan ik inderdaad vandaag wel de andere wang toekeren, al mijn bezit weggeven, celibatair gaan leven, de vrede zoeken boven alles, mijn vijanden liefhebben. Maar als die wederkomst niet komt, dan wordt de eis onmogelijk.
Welnu, het Koninkrijk is niet zo spoedig gekomen als Jezus zelf verwachtte. Daarom kunnen wij ons nu nog wel door de Bergrede laten inspireren, aldus Schweitzer, maar we kunnen haar niet meer letterlijk nemen. De principes van de Bergrede, zoals eerbied voor het leven, naastenliefde en geweldloosheid, blijven wel waardevol als moreel ideaal, maar de Bergrede letterlijk nemen is ondoenlijk en ook niet de bedoeling geweest. Deze visie, dat de Bergrede ondoenlijk is, zal verder de hele geschiedenis doorwerken en alle andere interpretaties bepalen.

VII. De rooms-katholieke uitleg (Thomas)

Vrij snel na het begin van de kerk, en met name nadat de kerk staatskerk was geworden onder Constantijn, is een andere uitleg opgekomen, die helemaal vastgelegd is in de middeleeuwen. Die katholieke theologie maakt een onderscheid tussen geboden en raadgevingen. De geboden vindt men vooral in de tien geboden van het OT. Deze gelden voor alle mensen. De raadgevingen vindt men vooral in de Bergrede, en deze gelden niet voor alle mensen. Het zijn een soort overtollige goede werken. Goed om te doen, maar niet noodzakelijk en vooral ook niet haalbaar voor iedereen. Afstand doen van alle aardse goederen, celibatair leven en dergelijke zijn voor een groep die dan gaat intreden in de kloosters. De Bergrede is de kortere en veiligere weg naar het eeuwige leven.
Het is wel goed om te zien dat deze problematiek eigenlijk al opgeroepen wordt door de tekst van de Bergrede zelf. Want in vers 1 staat: “Toen Jezus de menigte zag, ging Hij de berg op, en nadat Hij was gaan zitten, kwamen Zijn discipelen bij Hem. En Hij opende zijn mond en onderwees hen.” Dus we hebben hier drie subjecten: Jezus, de discipelen en de menigte. Maar tot wie heeft Jezus nu gesproken? In eerste instantie tot de discipelen. Maar ook uitsluitend? Bedoelt Mattheüs ook al een soort onderscheid in de kerk aan te brengen, tussen de discipelen en de schare, tussen de echte volgelingen en de grote massa van de gedoopten? We kunnen niet ontkennen dat zoiets speelt in de kerk en de hele kerkgeschiedenis mee gaat. Maar de vraag is natuurlijk: mag je dat onderscheid zo systematisch vastleggen als de middeleeuwse traditie doet? Zodat de grootste groep christenen bij voorbaat verontschuldigd is als zij de Bergrede niet ernstig neemt? Daarmee lijkt toch de angel uit de woorden van Jezus te zijn gehaald.

VIII. De lutherse uitleg (Luther)

Luther breekt met de dubbele middeleeuwse moraal voor gewone christenen en kloosterlingen. Maar hij stelt er een ander onderscheid voor in de plaats, een onderscheid tussen kerk en staat dat ook door iedere christen heen loopt. Het gaat dan over Luthers leer van de twee rijken. Het ene rijk is het rijk van deze wereld, waar de overheid regeert, waar de mens burger is en de wet moet gehoorzamen. Wie de wet overtreedt wordt gestraft. Het andere rijk is het geestelijke rijk, waar de prediking van de kerk regeert, waar de mens christen is en de genade heerst. De zondaar wordt vrijgesproken. In de eerste wereld moet hij zich laten leiden door het verstand en door de tien geboden. In de tweede wereld moet hij leven volgens de Bergrede. Dat betekent dat de onderscheiding nu dwars door iedere christen heen loopt. Wie bijvoorbeeld politie-agent is, die moet, als hij in functie is, bereid zijn geweld te gebruiken tegen onrechtplegers; maar als privé-persoon moet hij elk geweld vermijden.
Waar de katholieke leer dus zegt: de Bergrede geldt niet elk mens, zegt Luther: hij geldt wel elk mens, maar niet elke situatie. Luther wijst niet alleen de katholieke uitleg af, maar ook de doperse, radicale, die meent met de Bergrede het rijk Gods op aarde te kunnen vestigen. Luther is daar te nuchter voor. We leven nog in deze wereld, in dit rijk van Gods linkerhand, de staat, en daar moeten we ook voor anderen heel concreet zorgen, dat betekent ook voor de ander opkomen, en dat kan niet met de Bergrede, want in de staat leidt die ertoe dat we alles maar zouden laten gebeuren. Voorbeeld: de situatie in Amsterdam: dan moet de politie er hard op slaan. God wil ook die wereldlijke gerechtigheid, ook al is het niet hetzelfde als de gerechtigheid die het evangelie schenkt.

Luther schrijft in “Over de wereldlijke overheid en in hoeverre men haar gehoorzaamheid verschuldigd is” (1523):
“Wanneer het zwaard er niet zou zijn – aangezien de hele wereld slecht is en onder duizende nauwelijks één echte christen is – zou men elkaar verslinden, werden vrouw en kind niet meer onderhouden en kon men zich niet voeden noch God dienen. De wereld zou daarmee tot een woestenij worden. Daarom heeft God de twee regimenten ingesteld: het geestelijke, dat door de heilige Geest christenen en vrome mensen maakt en mensen onder Christus stelt, en het wereldlijke, dat de niet-christenen en slechten in toom houdt, zodat zij tegen hun wil uiterlijke vrede bewaren en zich stil houden. Zo duidt Paulus het wereldlijk zwaard in Romeinen 13:3 en zegt: ‘Want voor de overheid hoeft men niet te vrezen wanneer men goede werken doet, maar wel als men kwade werken doet.’ En Petrus zegt (1 Petrus 2:4): ‘als mensen die door hem gezonden worden tot straf van de kwaaddoeners.’
Wanneer nu iemand de wereld naar het evangelie wil regeren en het gehele wereldlijk recht en zwaard wil opheffen en doet alsof allen gedoopt en christen zijn, onder wie het evangelie geen recht noch zwaard wil toestaan en bij wie dat ook niet nodig is, ach m’n lieve, raad eens, wat zou zo iemand bewerken? Hij zou de banden en ketens van de wilde en boze dieren losmaken, zodat iedereen verscheurd en gebeten wordt, en hij zou doen alsof het fijne, tamme en makke diertjes zijn. Aan de wonden zou ik echter voelen wat zij in werkelijkheid zijn. Zo zouden de slechten de christelijke naam en de evangelische vrijheid misbruiken, hun schurkerij bedrijven en zeggen dat ze christenen zijn en aan geen wet of zwaard onderworpen zijn, zoals nu al sommigen tieren en razen.
Tegen hen moet men zeggen: Ja, het is inderdaad waar dat christenen ter wille van zichzelf geen recht of zwaard onderdanig zijn en haar ook niet nodig hebben, maar zie eerst de wereld maar eens vol christenen te krijgen voordat u haar christelijk en evangelisch regeert. Dat zal u echter nooit lukken, want de wereld en de mensen daarop zijn en blijven onchristelijk, hoewel ze allemaal gedoopt zijn en christen genoemd worden. De christenen wonen echter, zoals men zegt, ver van elkaar. Daarom is het in de wereld niet mogelijk dat een christelijk regiment zich over de hele wereld uitstrekt, zelfs niet over één land of over een grote menigte. Want er zijn veel meer slechten dan vromen. Het wagen om een heel land of de hele wereld met het evangelie te regeren is hetzelfde als wanneer een herder wolven, leeuwen, adelaars en schapen samen in een stal zet waar de dieren vrij bij elkaar kunnen lopen en zegt: ‘Ziedaar, graas, wees vroom en vreedzaam onder elkaar, de stal staat open. Weide hebt u genoeg en honden en knuppels hebt u niet te vrezen.’ Hier zullen de schapen wel vrede houden en zich vredig laten weiden en regeren, maar ze zullen niet lang leven en er zal geen dier overblijven.
Daarom moet men beide regimenten met ijver van elkaar scheiden en beide laten bestaan: het ene regiment dat vroom maakt, het andere dat de uiterlijke vrede schept en slechte werken weert. Geen van beide is zonder de ander voldoende in de wereld. Want zonder het geestelijke regiment van Christus kan niemand voor God vroom worden door het wereldlijk regiment. Evenzo strekt het regiment van Christus zich niet uit over alle mensen, maar zijn de christenen altijd in de minderheid en bevinden zij zich te midden van de niet-christenen. Waar nu het wereldlijk regiment of de wet alleen regeert, daar zal ijdele huichelarij zijn, al ging het hier om de geboden van God zelf. Want zonder de heilige Geest in het hart wordt niemand oprecht vroom, al doet hij nog zo z’n best. Waar echter het geestelijk regiment alleen over land en mens regeert, daar gaan de teugels van de boosheid los en krijgt alle schurkerij de ruimte, want de gewone wereld kan het niet aannemen en verstaan.”

IX. De christocentrische uitleg (Bonhoeffer)

Een uitleg die vrij gemakkelijk bij die van Luther kan aansluiten, is de christocentrische uitleg. Ook deze uitleg gaat in op een vraag die impliciet in de Bergrede zelf ook zit. Namelijk het simpele feit dat Christus hem uitspreekt. Wat maakt dat uit voor de Bergrede? Had ook iemand anders hem uit kunnen spreken, met andere woorden, gaat het alleen om de boodschap en niet om de boodschapper? Vaak is dat natuurlijk zo. Wat maakt het voor ons uit dat Mozes de wet gegeven en niet een ander? Wat maakt het uiteindelijk uit dat de Romeinenbrief van Paulus is, hij had toch ook voor een ander kunnen zijn?
In dat geval kun je de boodschap losmaken van de boodschapper. Maar, zegt deze uitleg, dat kan bij de Bergrede nu juist niet. Dat zou ook een kritiek op de eschatologische lezing kunnen zijn: ja, je moet de Bergrede lezen in de context van Jezus’ aankondiging van het Rijk, maar Jezus ís ook zelf het Rijk dat komt. Jezus spreekt in de Bergrede ten diepste over zichzelf en zijn weg naar het kruis, zoals Hij dat ook doet in zijn gelijkenissen. Hij is zelf de barmhartige Samaritaan, de trouwe dienstknecht, de herder die het schaap zoekt, enzovoorts, en zo is Hij ook zelf de vredestichter, de zachtmoedige, degene die de andere wang toekeert, enzovoorts.
Deze uitleg kan samengaan met de gedachte dat de Bergrede ons vooral tot wanhoop wil brengen over onszelf. De Bergrede bepaalt ons bij onze schuld, op een onontkoombare manier. Om de wet ons goed in te prenten, moet de radicaliteit van de onmogelijkheid van het volbrengen ook ingeprent worden. Als Jezus aan het slot zegt “Wees volmaakt, zoals Uw Vader volmaakt is”, dan lijkt dat haast een bewust absurdisme. Dat kan toch nooit. Jezus eist bewust het onmogelijke, absolute, om ons te wijzen op de noodzaak van verzoening, van het kruis. Het kruis is geen aardigheidje en geen toevalligheid, maar noodzaak en hart van de zaak. Zo predikt Christus in de Bergrede uiteindelijk zichzelf en het kruis. We vinden deze uitleg onder meer bij Bonhoeffer.

X. De humanistische uitleg (Erasmus, Baggini)

Erasmus
De tijd van de Reformatie is ook de tijd van het humanisme. De humanistische filosoof en theoloog Erasmus was een tijdgenoot van Luther. Voor hem is de Bergrede vooral een innerlijke zaak. Het gaat er in de Bergrede volgens Erasmus niet zozeer om dat wij in onze daden volmaakt worden, maar dat wij een nieuwe houding leren, een nieuwe manier van in het leven staan. Het gaat om gezindheid, om het hart. Vergevingsvol en barmhartig leven, een deugdzaam karakter. Erasmus ziet dat niet in contrast met wat de klassieke oudheid de mens ook al aan wijsheid heeft willen leren, maar in het verlengde. Het geloof is de vervolmaking van wat de filosofen door wijsheid en opvoeding de mens ook hebben willen bijbrengen.
Uit een gemeenschap van mensen die de juiste gezindheid kennen, komt volgens hem de vrede voort als het hoogste van de samenleving: “Wie welzijn wenst, wenst iets kostelijks. Wie echter om vrede bidt, bidt om het hoogste geluk.” Waar de nadruk op het geloof en de leer de mensen uiteendrijft, ziet Erasmus Christus als de leraar van vrede en verzoening.

Baggini
Deze humanistische lijn loopt door tot in het heden. Het humanisme heeft echter steeds meer zijn christelijke wortels losgelaten en is soms atheïstisch geworden. Een humanistische interpretatie van de Bergrede kan daarom in onze tijd zelfs een interpretatie zijn die de Bergrede wil lezen los van de overtuiging dat er een God is. Dit gebeurt bijvoorbeeld in het boek “Een evangelie zonder God. Wat heeft Jezus ons nog te zeggen?” (2020) van de Britse filosoof Julian Baggini. Baggini waardeert het evangelie, zegt dat we niet zonder kunnen, maar gelooft niet in God. Toch kunnen we niet zonder de moraal van Jezus, ook niet zonder de radicaliteit van de Bergrede. Baggini schrijft bijvoorbeeld:
“Ten slotte vraagt Jezus ons de lat hoog te leggen, hoger dan ooit haalbaar voor ons is. “Wees daarom volmaakt” Dit druist in tegen het aan Kant toegeschreven algemeen geaccepteerde ethische beginsel ‘behoren impliceert kunnen’. Met andere woorden, je kunt alleen zeggen dat iemand iets moreel verplicht is als die persoon daartoe ook werkelijk in staat is. Dat klinkt zinnig. Je kunt bijvoorbeeld niet verantwoordelijk zijn voor het redden van iemands leven als je die persoon op geen enkele manier daadwerkelijk kunt redden. Hoe kan ethiek in de christelijke context dan betekenen ‘behoren impliceert niet-kunnen’, zoals Simon Critchley het uitdrukt?
Omdat het juist is dat moraliteit altijd meer van ons vraagt dan we in staat zijn te geven. Tekortschieten is onvermijdelijk. Jezus vraagt ons volmaakt te zijn, niet dingen te doen die gewoonweg onmogelijk zijn. Hij zegt dat we ernaar moeten streven betere mensen te worden dan we zijn. Buiten het gebied van de moraliteit hoeft dat niet vreemd te klinken. Sportlieden en kunstenaars zeggen bijvoorbeeld vaak naar perfectie te streven terwijl ze weten dat dit niet haalbaar is. Gewoonlijk hebben we daar bewondering voor en snappen we dat het een oprecht voornemen betreft en niet een krankzinnig geloof in het onmogelijke. Misschien is het te wijten aan de oppervlakkigheid van onze tijd dat we onze morele groei niet zo serieus nemen als onze prestaties op het gebied van sport, beroep of creativiteit.”

XI. Evaluatie en conclusie

Puntsgewijs enkele conclusies.

  1. We hoeven niet absoluut een van deze uitleggingen te kiezen. Op veel punten vullen ze elkaar aan in plaats van dat ze elkaar uitsluiten.
  2. De uitleg die het meest past bij wat de evangelist Mattheüs bedoelde, is de radicale uitleg. Dit betekent niet persé dat wij ons bij deze uitleg als enige moeten houden, maar wel dat er in alle eeuwen en ook in onze tijd plek moet zijn voor deze radicale uitleg, en vooral radicale praktijk. We hebben mensen nodig die, net als Navalny en Franciscus, Jezus radicaal volgen, tegen hun eigen belang in. Als die voorbeelden er niet zijn, verzandt het evangelie in gezapigheid. Op een heel andere manier dan de islamisten moeten wij christenen ook onze martelaren eren. Alleen zijn martelaren voor ons niet degenen die stierven in de heilige oorlog, de jihad, maar degenen die de Bergrede letterlijk namen en dat met hun leven moesten betalen.
  3. Tegelijk heeft Schweitzer terecht gezien dat je alleen in de ‘laatste dagen’ collectief de Bergrede letterlijk kunt nemen. Wij moeten enerzijds leven alsof het deze laatste dagen zijn, maar weten ook dat de laatste dagen blijkbaar al 2000 jaar op zich laten wachten. In die zin zijn de “aanpassingen” die in de rooms-katholieke, lutherse, christocentrische en humanistische uitleg gedaan worden, begrijpelijk en ook legitiem. Het zijn nobele pogingen om enerzijds de Bergrede niet letterlijk te nemen, en er anderzijds wel echt nog iets mee te doen.
  4. De rooms-katholieke uitleg heeft op haar manier geprobeerd de Bergrede nog een plek te geven, maar fixeert de groep die zich eraan houdt tezeer. We weten nu te goed dat juist de kloosters en priesterorde ook plekken van grote en grove zonde waren en zijn, terwijl het ware volgen van Jezus soms door de naamlozen in het gewone leven gebeurt. We kunnen daarom de woorden van Jezus niet zo schematisch verdelen in ‘geboden’ en ‘raadgevingen’, en zeker deze niet aan twee onderscheiden groepen christenen toekennen.
  5. De uitleg van Luther is realistisch en toch krachtig, omdat íedere christen zich moet afvragen wat hij concreet met de Bergrede doet. Het gevaar ervan is wel, dat wij de twee rijken gaan zien als twee statische grootheden waar wij tevreden mee zijn. We hebben gelezen, dat Luther dit niet doet. Het wereldse rijk is als het ware een noodmaatregel; in de wereld waarin iedereen echt christen is, is geen Wet meer nodig. Daarmee houdt hij het ideaal hoog.
  6. De christocentrische uitleg is noodzakelijk, omdat wij feitelijk de Bergrede niet vervullen. Toch is zij ook gevaarlijk, omdat zij er makkelijk toe kan leiden, dat wij denken dat wij haar ook niet hóeven te vervullen. Dit is in strijd met wat Mattheüs bedoelt. Het Mattheïsche ‘jullie zijn het licht der wereld’ en het Johanneïsche ‘Ik ben het Licht der wereld’ moeten wij dicht bij elkaar houden, en niet het een gebruiken ter relativering van het ander.
  7. De humanistische uitleg, tot in het atheïsme aan toe, is in de kerk zelf weliswaar niet zo bruikbaar, maar zegt ons wel dat de figuur van Jezus mensen altijd zal blijven aanspreken ook buiten de kerk. Deze uitleg is een uitdaging aan de kerk om zich te blijven verhouden tot de buitenwereld en de wereld te blijven aanspreken op de persoon en eis van Jezus.

Preek. Je telt al lang mee. Numeri 1,1-19

Schriftlezingen: Numeri 1, 1-19 en Romeinen 16, 3-16

Gemeente van Christus,
I.
Ik kan me voorstellen dat je met enige wanhoop aan het luisteren naar deze preek begint. Want we hebben twee gedeelten gelezen die niet bepaald tot de meest populaire van de bijbel behoren. Je zou ze bij het lezen overslaan. Allemaal namen en getallen in Numeri 1. En dan weer allemaal namen in Romeinen 16. Namen die ons niets zeggen, namen van mensen van wie we verder eigenlijk niks weten. Wat moeten we daarmee?
Nee, Numeri hoort niet bij de meest populaire boeken. Je hoort het al aan de naam, Numeri. Cijfers, betekent dat. Nou houden sommigen van jullie wel van cijfers weet ik, als je leraar wiskunde bent of accountant bent dan werk je veel met cijfers, maar een bijbelboek vol cijfers en lijsten, lange lijsten van plaatsen en namen, vind je dan toch ook wat raar en onaantrekkelijk waarschijnlijk. Het staat allemaal ver van ons af.
II.
Daarom is het goed dat er ook een andere naam van het vierde bijbelboek is. “In de woestijn”. Bemidbar. Dat is de joodse naam van dit boek. Joden geven elk bijbelboek gewoon een naam ontleend aan de eerste zin van het boek, makkelijk en duidelijk. En ze doen dat in het geloof dat die eerste zin daar niet voor niets staat. In de eerste zin van Numeri staat: bemidbar, in de woestijn. Daar bevond Israël zich. Tussen de bevrijding uit Egypte en de intocht in het beloofde land. Op die doodse tussenplek, de plek van de aanvechting maar ook van het wonder. Van het verbond, de vriendschap met God, van het manna en het water uit de rots, maar ook van de vijanden die aanvallen, en van het eigen ongeloof, van de wil om maar liever terug te gaan naar Egypte, want het wordt niks met deze reis. In de woestijn gebeurt dus heel veel, van binnen en van buiten.
III.
En tegelijk is het stilstand. Ze lopen daar maar in de woestijn. En komt geen eind aan. En dat terwijl het eigenlijk maar een stukje is van Egypte naar Kanaän. De afstand tussen Caïro en Jeruzalem is 420 km. Zelfs als je met veel mensen bent en wat moet omlopen, dan nog ben je er wel in een paar weken of hooguit maanden. Maar Israël doet er 40 jaar over. Dat beginwoord, in de woestijn, roept dus heel veel op. Heel veel emotie ook. Er zit wanhoop in, teleurstelling, verlangen, hoop, geduld, beproeving. Waarom zijn we weggegaan? En waarom zijn we nog niet aangekomen?
En zo gaat dit boek nu ook over ons. Want zitten wij met ons leven ook niet op ditzelfde punt? In een tussentoestand. We zijn weggegaan uit het gewone leven. We zijn immers gedoopt. God heeft een streep in ons leven getrokken. Daar kunnen we niet achter terug. We kunnen niet meer leven alsof we het evangelie niet kennen. We hebben de roep gehoord om uit te gaan, onderweg te gaan.
En tegelijk zijn we er nog niet. Je leven kan een dolen en dwalen lijken. Een rondlopen. Wanneer komen we aan? Is het wel zo fijn om God te dienen? Wat levert het nou op? Je wisselt in je gemoed. Soms is er het manna, het wonder, zijn nabijheid. Maar dan is er weer de zon die verstikt, en Egypte dat lokt.
De Bijbel vertelt niet voor niets dat het leven in de woestijn 40 jaar duurt. Dat betekent in Bijbeltaal: je hele leven. En zo is het ook voor het volk. Niemand dan alleen Jozua en Kaleb komt van Egypte in Kanaän. Niemand. De hele generatie die uit Egypte vertrekt, sterft aan de oevers van de Jordaan, met zicht op het beloofde land, maar zonder erin te kunnen gaan. Zo is ons leven, wil de Bijbel zeggen. Je moet het doen met de woestijn. Het beloofde land ligt over de doodsjordaan heen. Hier op aarde ga je het niet vinden. Hier op aarde blijft het bemidbar, in de woestijn.
Dat maakt deze boeken zo relevant voor ons leven. Ons hele leven zit erin. Ik hoop dat je er iets van ontdekt dit seizoen. Op drie manieren kun je meedoen: hier in de kerk, bij de zondagse preken; op een van de bijbelkringen; en bij de kring die ik geef over Jonathan Sacks. Duik in de wereld van de bijbel, van Numeri. Dan gaat het allemaal steeds meer voor je leven en dan wordt het je allemaal vertrouwd, dan is God dicht om je heen. Dan kun je de stilstand ook verdragen.
IV.
Want de stilstand duurt lang. 40 jaar zijn ze in de woestijn, en hier zijn we pas bij het tweede jaar. Een hele poos heeft het stilgestaan bij de berg van het verbond, maar nu, aan het begin van Numeri, lijkt er weer beweging in te komen. Dat gaat nog flink tegenvallen, want uiteindelijk komen ze pas in hoofdstuk 10 echt in beweging, maar goed, hier beginnen ze alvast met het eerste dat moet gebeuren om te vertrekken. En iedereen die op school zit, weet wat dat is.
Toch, jongens en meisjes? Als jullie op schoolreis gaan, met de bus, wat doet de juf dan voordat jullie de bus in stappen? Tellen, juist. Tellen of iedereen er is. En wat doet de juf als jullie uit het pretpark weer naar huis gaan? Weer tellen of iedereen er is. Bij elke etappe wordt geteld.
Zo gaat het ook in de woestijn. Iedereen wordt geteld. Want we moeten niemand vergeten.
V.
Dat is hier ook wel met het oog op een mogelijke aanval, dat moet erbij gezegd. Vooral de mensen tussen 20 en 60 worden geteld, want we moeten weten hoe sterk we zijn. Je hebt wat dat betreft tellingen en tellingen. Tellingen zijn in de bijbel lang niet altijd positief. God kan ze ook bestraffen, als ze echt alleen maar militair bedoeld zijn. Dan telt Israël zijn mannen zoals een modern dictator zijn tanks en granaten en kernwapens telt. Dat komt David later een keer op een flinke straf te staan.
Als het om dat soort tellen gaat, dan doet God er liever wat van af. Dat zie je bij Gideon, die een aardig legertje verzamelt en zo denkt de Midianieten te kunnen verslaan. Maar dan zegt God: het zijn er tevéél, tevéél!
VI.
Maar hier is het God zelf die beveelt om te tellen. Dat betekent dat het hier toch niet alleen om de sterkte van het leger gaat. Het gaat er ook om, dat wij ons ervan bewust zijn hoezeer God de ene helft van zijn belofte aan Abraham al waargemaakt heeft; namelijk dat Abraham zou worden tot een groot volk. Nou, volgens dit bericht zijn het er alleen van de mannen vanaf 20 jaar 603.550. Dat is inderdaad een heel volk. En dat moet het volk nu moed inspreken over de andere helft van de belofte, namelijk dat ze ook een land zullen krijgen. Dat moet met zoveel man wel lukken.
En dus zijn we straks dubbel teleurgesteld als dat niet gaat gebeuren. Met zoveel man, en dan nog bang voor een paar zogenaamde reuzen. Ook al zijn we met veel, blijkbaar blijven we toch kwetsbaar. Want uiteindelijk gaat het niet om het getal, maar om het geloof. Onze kracht moeten we nooit zoeken in ons getal, maar in ons geloof. Het geloof maakt sterk.
VII.
En tot dat geloof roept God ons, hoofd voor hoofd. Op dat punt wil hij je erbij hebben. Jij telt dus ook mee. God telt jou mee. God telt je mee met je naam erbij. Daarom ook al die namen, al die namen die je niet kent. Het gaat er ook niet om dat jij ze kent. God laat weten dat Hij ze kent. En daarmee laat Hij weten dat Hij jou ook kent. Ik heb je bij je naam geroepen. Daarom roepen wij jou nou weer naar catechisatie, zeg ik even tegen de jongeren. Je naam stond misschien op het kaartje dat je kreeg. We roepen je, omdat we geloven dat God jou ook meetelt, en dat jij dus meetelt, dat jouw inbreng telt.
Daarom ook die namen in Romeinen 16, aan het einde van zijn brief. Paulus noemt nog even wat mensen die hij persoonlijk wil groeten. En hij noemt er soms wat specifieks bij. Ook veel van die namen kennen wij niet meer. Die mensen zijn vergeten, en ze hebben geen sporen nagelaten. Zoals verreweg de meeste mensen zijn ze totaal vergeten. Want de geschiedenis telt alleen de machtigen. Alleen als je Augustus, Napoleon of Hitler heet, kom je in de geschiedenisboeken.
En toch wordt niemand vergeten. Dat wil de bijbel laten zien. Ieder mens doet er toe.
VIII.
We zingen straks een lied met daarin de zin: “Onder miljoenen heeft Hij ook mij in ’t oog.” Geloof je dat? Geloof je dat je ertoe doet voor God? Geloof je dat de heilige Geest met jou persoonlijk iets wil, iets beoogt, jou wil gebruiken?
Maar wie ben ik? Ja, die reactie is begrijpelijk. Wij zijn wat dat betreft zulke rare mensen. Enerzijds leven we in een tijd waarin we geweldig ons best doem om onszelf te laten zien. We zijn er dagelijks mee bezig, leren het onze kinderen en zijn er bijna of helemaal aan verslaafd. En dan vinden we het nog raar dat onze kinderen er ook aan verslaafd raken. Maar we geven zelf natuurlijk het slechte voorbeeld. En maar jezelf profileren.
En tegelijk blijven we denken: ik tel toch niet mee. Ik doe er niet toe. Ik word niet gezien, niemand kent me echt, niemand waardeert me ten diepste.
Misschien houden deze twee dingen elkaar wel in stand. Hoe meer we ons profileren, hoe meer dat ook een teken is, dat we eigenlijk aan ons bestaansrecht twijfelen. En hoe meer we ervan overtuigd zijn dat we meetellen, hoe minder we behoefte hebben ons te profileren. Denk daar eens aan als je weer zit te scrollen op je telefoon om niets te missen. Zet tegenover FOMO – Fear of missing out – JOMO: Joy of missing out. Heerlijk om dingen te kunnen missen, te mogen missen, omdat je toch wel meetelt. Je hoeft jezelf niet te bewijzen, je bent al lang gezien en meegeteld.
IX.
Je bent al lang gezien. Je telt al lang. Bij het gevecht om die overwinning helpt het geloof. Het is ontzettend belangrijk in onze tijd waarin het individu zo centraal staat, om dat te weten. Van onze kramp om onszelf te profileren worden we er niet gelukkiger, en ook geen betere mensen. Hij ziet je. Dat telt.
X.
Ik moet de laatste tijd geregeld denken aan een spreuk van Jezus, die Hij meerdere keren herhaalt in de Bergrede: “Uw Vader die in het verborgene ziet, zal het u in het openbaar vergelden.” Jezus contra de Farizeeën, die in het openbaar bidden. Die zelfs de religie misbruiken om zichzelf te profileren. Jezus zegt: bid in het verborgene. Je vader ziet en hoort je, dat is genoeg.
Je hoeft nergens mee te koop te laten. Niet met je sterke kanten en niet met je zwakke kanten. Want dat laatste kan ook. Je profileren op je zwakke kanten. slachtofferschap. Zie mij eens met mijn rugzakje. Zie je mij wel? Zie je wel hoezeer ik een slachtoffer ben, een arme, een misdeelde? Het is heel menselijk, die roep om aandacht, en toch word je ervan verlost als God echt een werkelijkheid voor je wordt. Dan weet je: “Hij heeft mij gezien. Hij heeft mijn naam genoemd. Hij bewaart mij door alle dingen heen, zelfs door de dood heen. Hij zegt: jij telt al lang mee. Voor jou zend Ik mijn zoon. Voor jou ben Ik er, nu en altijd. Jou heb Ik nodig, jou wil Ik gebruiken. Jij moet ook mee naar het beloofde land.”
Spreek daarover met je kinderen. Laat het niet over aan school en kerk. De school kan het geloof en de normen en waarden van je kind niet redden als er geen gezin achter staat. De kerk kan niks beginnen op catechisatie als er geen ouders achter staan. We dragen het met elkaar. Daarom gaat het altijd weer om een volk. Israël is een klein volk, maar wel een volk. Iedereen telt mee, en toch gaat het nooit om het ik. Het gaat altijd om het wij.
In de Naam van Jezus, de Verlosser is Wie God ons ziet, kent, en telt.

AMEN

Preek Psalm 92 – 6 november 2024

Preek over Psalm 92

6 november 2024, Waddinxveen. Dankdag 2024. Uitslag Amerikaanse verkiezingen

Tekst voor de preek: “de goddelozen groeien als gras” (Ps 92:8a) en “de rechtvaardige groeit als een palmboom” (Ps 92:13a)

Gemeente van Christus,

I.

Je bent zo maar uit de drukte van je dag vertrokken om hier in het huis van God Hem te komen danken. Je bent gestopt met het gewone werk, je gewone bezigheden. Kom, tijd om naar de kerk te gaan. Dat is omschakelen, maar het is ook goed. Het is goed om de HEERE te loven en te danken.

II.

We hebben een lied voor de sabbathdag gelezen, zo staat erboven. Niet de beste psalm voor een woensdagavond, zou je zeggen. Juist die psalm moet je bewaren voor een zondag, onze wekelijkse sabbath.
Maar sabbath betekent stoppen. Ophouden. Onderbreken. De gang van het gewone onderbreken door stil te staan en om te schakelen.
En dat ervaar je vandaag misschien nog wel meer dan op een zondag. Want de onderbreking van de zondag ben je gewend. Maar de onderbreking van vandaag niet. Die onderbreekt je hele week. Dat is meer een gevoel van moeten stoppen.

Dat hoort er dus bij. God weet heel goed dat wij mensen van nature maar doordraven. Als we het slapen konden overslaan, zouden we dat nog doen. Dan zouden we nooit stoppen. Daarom heeft Hij zelf bepaald dat wij af en toe moeten stoppen. En om ons dan toch iets te doen te geven, geeft Hij ons een lied. Een lied op de sabbath, een lied voor de onderbreking van het leven. Om je eens even te realiseren wat er echt belangrijk is. Wat goed is om te doen. Het goed om te leren, te studeren, te spelen, met vrienden wat leuks te doen, het is goed om verliefd te worden en te trouwen en een gezin te stichten, zeker, het is ook goed om stil en dankbaar oud te worden, er is veel goed, maar het is ook goed en het is bijzonder goed om de Heere te loven en de te danken. Om te stoppen en stil te staan bij wie Hij is en wat Hij doet. Hoe bij Hem de raadsels van het leven helder worden.

III.

Daar dankt de dichter van deze psalm voor. Hij leefde in een ingewikkelde wereld. Een wereld die eigenlijk veel te ingewikkeld voor hem was. Het verwarde hem, zoals de wereld jou misschien ook verwart. Vooral het kwaad verwarde de dichter van deze psalm. Hij kreeg het niet klein. Hij ziet zoveel onrecht om zich heen. Net als wij. Het kwaad is de grootste belemmering om God te danken en te loven. Het maakt je boos en verdrietig en stom. Het verdooft je of het maakt je gek.

Hoe kunnen wij God danken en loven als het leven ons zo dwars zit? Als het soms zo wreed en onrechtvaardig en onbegrijpelijk lijkt? Zo oneerlijk. Als je een geliefde hebt verloren, als je kind in een huis van bewaring zit, als je berooid en bedrogen bent, als je kanker hebt, als je een hekel hebt aan jezelf, jezelf haat en niet meer leven wilt, als je eenzaam en verlaten bent, als je van alles probeert maar je komt geen steek verder? Als het leven je verwart in plaats van verblijdt?

IV.

Vandaag hoor je: het is goed de Heere te loven en te danken. Want door Hem is de wereld voor mij eenvoudig geworden. Ik heb het door hoe het werkt in het leven. Ik heb door hoe het zit met de toekomst. Een glazen zee. Zo spreekt Johannes erover in de Openbaring. Ik stond aan de glazen zee. De zee is een beeld voor het woeden van wereld. Maar glas is een beeld voor doorzichtigheid, helderheid. De woedende en woeste wereld, die verwarde, die werd voor mij doorzichtig, helder, zegt Johannes dan. Zoiets gebeurt ook in deze psalm.

V.

Moeilijke dingen eenvoudig maken doe je door duidelijke tegenstellingen te creëren. Zwart, wit te gaan denken.
We zien dat nu op een bepaalde manier ook in Amerika. Daar hebben ze de wereld heel duidelijk verdeeld: Republikeinen en Democraten, goeden en kwaden, een grijs gebied is er niet meer, je zit helemaal goed of helemaal fout.
Dat schept inderdaad helderheid, als we de wereld zo indelen in zwart en wit, fout en goed. Maar we betalen wel een hoge prijs voor die helderheid. Miljoenen Amerikaanse christenen hebben op Trump gestemd. Maar miljoenen Amerikaanse christenen hebben ook op Harris gestemd. En door de zogenaamde helderheid van de tegenstelling ontstaat nu een grote mist waardoor alle christenen in Amerika het zicht op Christus kunnen verliezen. Onze Verlosser heet niet Harris. Hij heet niet Trump. Hij heet Jezus Christus, de jood uit Nazareth, de Zoon van God. Hoe krijgen we de helderheid terug dat we allemaal Hem zien?

VI.

Deze psalm maakt de ingewikkelde wereld ook eenvoudig. En ook deze psalm doet dat door een simpele tegenstelling te creëren. Je hebt goddelozen en je hebt rechtvaardigen, zo lezen we hier. En meer smaken zijn er niet. En je moet zorgen dat je bij de rechtvaardigen hoort, want anders ga je ten onder.

Zit de wereld dan zo simpel in elkaar?
Ja. Dat heeft deze dichter ontdekt. En daarom looft en dankt hij God. Hij zegt dat dát nou het verschil is tussen iemand die gelooft, en die niet gelooft. Als je niet gelooft, blijft de wereld onbegrijpelijk. Als je gelooft, wordt ze helder. Zelfs het kwaad wordt dan helder. Want je weet dat het vergaat. Gods vijanden vergaan.

Zit de wereld dan zo simpel in elkaar?
Ja, aan de ene kant wel. Maar aan de andere kant ook niet. De tegenstelling tussen rechtvaardigen en goddelozen is niet zo simpel als die tussen Democraten en Republikeinen in Amerika. De laatste kun je zien en tellen. Maar rechtvaardigen tellen is een stuk moeilijker. Je kunt je zomaar vergissen. Want de goddelozen, dat zijn de mensen die niet rekenen met Gods beloften en geboden. En wie zijn dat nou eigenlijk? Zijn we dat niet ergens allemaal? Wie houdt zich als het moeilijk wordt wel echt aan Gods geboden? Het is niet moeilijk om “God bless America” te roepen en met een Bijbel op de foto te gaan. Maar het is wel moeilijk om echt volgens Gods geboden te leven. Het is niet moeilijk om heel hard geestelijke liederen te zingen. Maar het is wel moeilijk om in de nood van het leven op Gods beloften te vertrouwen.

De tegenstelling tussen goddelozen en rechtvaardigen lijkt zo simpel, maar zo is het niet. Het is niet een keer je hart aan Jezus geven en klaar is Kees. Het is elke dag van je leven kiezen voor zijn geboden en zijn beloften, voor Christus als je enige Heer. De scherpe tegenstelling tussen goddelozen en rechtvaardigen is vooral een vraag aan ons. Een vraag waar we voor willen danken.

VII.

Op dankdag willen we God graag danken voor groei. Dat is toch hét punt waar we naar streven, en waar we dankbaar voor zijn. Groei, groei van gewassen op het land, van een mooie oogst, het opgroeien van onze kinderen en kleinkinderen, de groei die we doormaken in ons werk, in onze persoonlijkheid, in onze keuzes en relaties, in onze welvaart. Groei is het grote dogma van ons leven.

Als we geen groei hebben meegemaakt, wil je misschien liever niet komen op dankdag.
Want dan zit je naast diegene die wel al die voorpoed gehad heeft afgelopen jaar. En dan voel je je minder. Dan voel je je minder gezegend, dan krijg je gevoelens als van Kaïn, die dacht: God wil het offer van Abel wel aannemen, maar mijn offer niet. Mij ziet Hij niet.

VIII.

Maar nu zegt deze Psalm dat er twee soorten van groei zijn. Zoals er twee groepen zijn, rechtvaardigen en goddelozen, en zoals er twee wegen zijn, zo zijn er ook twee soorten groei. De goddelozen groeien als gras, maar de rechtvaardige groeit als een palmboom of een ceder.

Het is dus niet zo dat de goddeloze niet groeit, maar de rechtvaardige wel. Was het maar zo simpel. Het is ook niet zo dat de goddeloze groeit, maar de rechtvaardige niet. ook dat zou te simpel zijn. Ze groeien allebei, maar op een verschillende manier.

Als gras of als een palmboom. Die zijn behoorlijk verschillend. Maar welke verschillen zijn nu bedoeld? Ik denk dat verschillende verschillen bedoeld zijn. Laten we eens naar een paar kijken.

Allereerst: Het gras groeit snel, de palmboom groeit langzaam. Dat is het verwarrende. De goddelozen groeien snel. Ze hebben snel succes, zegt de dichter. Het gaat ze voor de wind. Het is indrukwekkend. Het is niet zomaar een voetbalveldje van gras. Het is een wereld aan gras. Denk maar aan olifantengras. Dat is ook gras, maar het wordt drie-en-halve meter hoog. Het is een struikgewas. Ondoordringbaar. Indrukwekkend. Je voelt je klein, zoals Abel zich klein voelde tegenover de brutale Kaïn. Niet met God rekenen, niet met Gods geboden en beloften rekenen is zoveel makkelijker, en het kost je niks, niemand rekent je erop af, je hebt de wind mee, je hoort dan bij de meerderheid, het is zo gemakkelijk. Dat is allemaal het groeien.

Maar nu heb ik iets ontdekt, en daarvoor wil ik danken, zegt deze dichter. Dit groeien is toch maar groeien als gras. Ze groeien hun ondergang tegemoet. Hoe weet hij dat? Dat zegt hij er niet precies bij. Maar hij heeft er een teken van gezien. Misschien iets in zijn persoonlijk leven, daar lijkt het op, want het is een persoonlijke psalm, ik zegt hij geregeld, “U hebt mij verblijd Here, met uw daden, / ik zal vrolijk zingen over de werken van Uw handen.” Hij heeft een onverwachte overwinning geboekt. Gezien: Gods vijanden vergaan. Op de lange termijn lopen we dood als we zonder God onze gang gaan. Gerechtigheid en liefde overwinnen.

Gelukkig zijn zulke tekenen er nu nog. We moeten er ook goed naar kijken en er op letten. Vier je overwinningen met God. Misschien heb je het getuigenis van Naomi gehoord van afgelopen zondag. Dat is ook een getuigenis van overwinning. Met God overwinnen we. En dat duurt het langst. Vier je overwinningen, en dank daarvoor.

De goddelozen groeien als gras, maar de rechtvaardige groeit als een palmboom. Een palmboom groeit langzaam. Hij wordt negen meter hoog, dat is zelfs 6 meter hoger dan olifantengras, maar hij groeit wel slechts 5 centimeter per jaar, terwijl olifantengras in één seizoen 3,5 meter groeit. Dus een hele poos staat dat palmboompje op te kijken tegen dat gras. Het schiet niet op. Hij moet geduld hebben. Gods molens malen langzaam.

Maar als de palmboom er staat, dan staat hij ook. En dan krijg je hem niet meer weg. Terwijl het gras gemaaid wordt en in de oven verdwijnt. Het leven zonder God heeft geen toekomst. Alleen de langzame weg van het geloof in Christus kan ons redden.

Als je nou gegroeid bent afgelopen jaar, vraag je dan af: gegroeid waarin? Niet voor alle groei kun je God danken. Maar voor de groei in liefde, in geloof, en in hoop, daar kun je voor danken. Dat is de groei van de palmboom.

Maar soms zie je niet dat het eigenlijk zo eenvoudig is als deze psalm ons voorhoudt. Dan moeten we naar Jezus kijken. In een wereld van olifantengras stijgt Hij er met zijn palmbomen-kroon bovenuit. Het kruis staat hoog opgestoken op de heuvel van Golgotha, als teken dat de rechtvaardige wint, omdat God met Hem is. Onder dat kruis is plek voor ons. Daar kunnen we ook leren danken. Ook tegen de verdrukking in. Daar vieren we onze kleine overwinningen, omdat God ze meeneemt in zijn grote overwinning.

Het gras is altijd met meer. Denk alleen al aan het grasveld hier voor de kerk. Ga de grassprietjes maar eens tellen. Fijne avond nog!

Daarentegen, als je de bomen rond de Zonnehof wilt tellen, dat gaat wel. Dan ben je zo klaar.
Zo staat het er ook in onze psalm: de goddelozen, meervoud, groeien als gras. Maar de rechtvaardige, enkelvoud, groeit als een palmboom. Die verdeling is geen toeval.
Het is een diepe ervaring alle eeuwen door: de anderen zijn met meer. Zoals Israël altijd maar een klein volkje gebleven is, tot op de dag van vandaag. De anderen zijn altijd met meer. Zoals de ware kerk ook altijd klein is. De anderen zijn altijd met meer.

De psalm is zelfs profetisch daarin, dat uiteindelijk de rechtvaardige helemaal in het enkelvoud staat. Er was er maar één echt zo. En zijn boom werd een kruisboom. Omdat het overvloedige gras schreeuwde: kruisig Hem.
Daar kan die ene, die daar gegeseld voor de stadhouder staat, niet tegen op.
De goddelozen groeien als gras.

Hoe alleen en eenzaam was Jezus niet. Hoe vreemd groeide Hij niet: een groei door de dood heen. Hoe kan dat? Geen normale groei meer. Geboren, groei, ondergang, dood. Hier: dood-leven. Vreemd; nog vréémder dan we al dachten. Opstanding.
In Hem komt God je tegemoet om je te zeggen: geloof het gras niet dat heden groeit maar morgen wordt gemaaid. Geloof de mensen niet die alleen maar in de kortstondige groei van deze wereld geloven. Het kan wel hard gaan, maar het is niet het ware.

Geloof in de ene rechtvaardige. Im Hem is leven. Dank God dat Hij je dat liet zien. Je hoeft niet mee te doen met het groeien van de wereld. Je hoeft je niet rijk te rekenen met de groeicurves van de wereld. Reken je rijk met de groei tegen de verdrukking in, de groei met een belofte, de groei van het verzet tegen het kwade en de hoop op het goede, de groei door de dood heen naar het eeuwige leven.

AMEN